Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2019:435

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
18-07-2019
Datum publicatie
19-07-2019
Zaaknummer
AUA201803512
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De onttrekking aan het douanetoezicht heeft tot gevolg dat het document ter dekking van het vervoer en inslag van de goederen in het entrepot van belanghebbende niet kan worden gezuiverd. Het douanedocument is op naam van belanghebbende gesteld, derhalve is zij verantwoordelijk voor de zuivering daarvan. Ingevolge artikel 53 LIUD in samenhang met artikel 54, lid 3 LIUD moet belanghebbende derhalve als schuldenaar worden aangemerkt. Dat de goederen waarvoor de douaneschuld is ontstaan zijn gestolen, maakt het niet anders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 18 juli 2019

BBZ nr. AUA201803512

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening beroep in belastingzaken van:

[ Belanghebbende ] , gevestigd in Aruba,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER INVOERRECHTEN EN ACCIJNZEN, zetelend in Aruba,

de Inspecteur.

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende is op 5 april 2017 een uitnodiging tot betaling opgelegd voor een bedrag van Afl. 1.116,30 aan invoerrechten en Afl. 68.615,24 aan accijnzen.

1.2

Daartegen heeft belanghebbende op 18 april 2017 bezwaar gemaakt.

1.3

De Inspecteur heeft op 2 oktober 2018 uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar afgewezen.

1.4

Belanghebbende is op 31 oktober 2018 in beroep gekomen tegen de uitspraak op bezwaar. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van Afl. 150.

1.5

De Inspecteur heeft op 19 december 2018 een verweerschrift met producties ingediend.

1.6

Partijen zijn uitgenodigd voor het bijwonen van een zitting op 21 maart 2019. Namens belanghebbende zijn [ A ] en [ B ] op de zitting verschenen. Namens de Inspecteur zijn [ C ] en [ D ] verschenen.

2 FEITEN

2.1

Belanghebbende drijft een groothandel in onder andere alcoholische dranken. Zij is vanaf het jaar 2006 in het bezit van een vergunning tot het houden van een particulier entrepot in het pand te [ Adres ] (hierna: entrepot).

2.2

Op 2 februari 2017 is de door de douane verzegelde container met daarin een partij gedistilleerde drank op het terrein van belanghebbende geplaatst in afwachting van vrijmaking door de douane. Deze goederen zijn aangegeven op het opslagdocument [ 0000 ] (hierna: douanedocument). Op het douanedocument is belanghebbende als importeur vermeld en als aangever is vermeld [‘CL’].

2.3

Op 6 februari 2017 heeft belanghebbende ontdekt dat in de container is ingebroken en dat goederen zijn meegenomen. Belanghebbende heeft van de diefstal aangifte gedaan bij de politie. De douane heeft na onderzoek geconstateerd dat het zegel op de container is verbroken en dat de hierna vermelde goederen – aangegeven op het douanedocument - niet meer in de container aanwezig waren:

- 13 kartonnen dozen, inhoudende Vodka ABS Blue, elk 6 flessen van 1,75 liter.

- 184 kartonnen dozen, inhoudende Vodka ABS Blue, elk 12 flessen van 1 liter.

- 56 kartonnen dozen, inhoudende Vodka ABS Blue, elk 12 flessen van 750 ml.

- 22 kartonnen dozen, inhoudende Vodka ABS Blue, elk 120 flessen van 50 ml.

- 10 kartonnen dozen, inhoudende Vodka ABS Citroen, elk 12 flessen van 1 liter.

2.4

Ter zake van het vermis in de container is door de douane een uitnodiging tot betaling opgelegd aan belanghebbende.

3 GESCHIL EN STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1

In geschil is of de uitnodiging tot betaling terecht is opgelegd aan belanghebbende. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

Over het bedrag van de uitnodiging tot betaling bestaat geen geschil.

3.2

Volgens belanghebbende is door nalatigheid van de douane de container opengebroken. Zij heeft op 2 februari 2017 verzocht om een vrijmakingsambtenaar, en pas vier dagen later kreeg zij daarover de beschikking. De douane wist dat in de container handelsvoorraad met een hoge douane-waarde was opgeslagen en dat de goederen daarom zo snel mogelijk in het beveiligde entrepot dienden te worden opgeslagen. Onder deze omstandigheid leidt een redelijke wetstoepassing tot afzien van de heffing over de vermiste goederen. Ook dient de heffing achterwege te blijven wegens strijd met redelijkheid en billijkheid, het proportionaliteitsbeginsel en het beginsel van een redelijke belangenafweging, aldus belanghebbende.

3.3

De Inspecteur wijst op artikelen 101 en 102 van de Landsverordening In-, Uit- en Doorvoer (LIUD) waarin is bepaald dat schippers ervoor moeten zorgdragen dat de verzegeling van goederen ongeschonden blijft. Op basis hiervan concludeert zij dat belanghebbende, die het vervoer van de goederen naar het entrepot heeft aangevraagd, verantwoordelijk is voor de goederen en ingevolge artikel 50 LIUD bij minderbevinding gehouden is de douanerechten te voldoen.

3.4

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitnodiging tot betaling en de Inspecteur tot handhaving daarvan.

4 BEOORDELING VAN HET GESCHIL

4.1

Belanghebbende heeft aan de goederen bij binnenkomst in Aruba de douanebestemming opslag in entrepot gegeven (aangifte tot opslag in entrepot). De goederen stonden onder douanetoezicht en waren bestemd om – met schorsing van betaling van invoerrechten en accijnzen - in het entrepot van belanghebbende te worden opgeslagen. Door de diefstal zijn de goederen onttrokken aan het douanetoezicht en zijn in het vrije verkeer gekomen. Dit betekent dat de goederen zijn ingevoerd in de zin van artikel 1 LIUD. Het invoeren van goederen omvat ook het op onregelmatige wijze brengen van goederen in het vrije verkeer, bijvoorbeeld door diefstal (vgl. Raad van Beroep 13 april 2006, ECLI: NL:ORBBNAA:2006:BQ8698). Ter zake van de invoer van de goederen zijn invoerrechten en accijnzen verschuldigd op de voet van artikel 2, lid 2 LIUD.

4.2

Aan belanghebbende is ingevolge artikel 122 LIUD een uitnodiging tot betaling (navordering) uitgevaardigd. Anders dan de Inspecteur stelt is in het onderhavige geval geen sprake van ontduiking van invoerrechten en accijnzen in de zin van artikel 218 LIUD. Dit neemt niet weg dat naar doel en strekking van de wet de invoerrechten en de accijnzen kunnen worden nagevorderd op basis van artikel 122 LIUD. Aan de orde is of de navordering terecht is opgelegd aan belanghebbende.

4.3

Volgens de Inspecteur volgt uit artikel 50 LIUD dat bij minderbevinding van goederen belanghebbende de douanerechten verschuldigd is. In dit artikel wordt bepaald dat bij minderbevinding bij vrachtlijsten de invoerders of de personen die met het beheer van de goederen belast zijn de douanerechten verschuldigd zijn. In het onderhavige geval is echter sprake van een aangifte tot opslag in entrepot (artikel 54, lid 3 LIUD). Het Gerecht heeft in de uitspraak van 29 juli 2016, ECLI:NL:OGEAA:2016:927 geoordeeld dat op basis van artikel 53 LIUD heeft te gelden dat bij invoer van goederen de importeur, voor wiens rekening de aangifte wordt gedaan, schuldenaar is van de verschuldigde invoerrechten. In het onderhavige geval dient ook de importeur als schuldenaar te worden aangemerkt. De onttrekking aan het douanetoezicht heeft tot gevolg dat het document ter dekking van het vervoer en inslag van de goederen in het entrepot van belanghebbende niet kan worden gezuiverd. Het douanedocument is op naam van belanghebbende gesteld, derhalve is zij verantwoordelijk voor de zuivering daarvan. Ingevolge artikel 53 LIUD in samenhang met artikel 54, lid 3 LIUD moet belanghebbende derhalve als schuldenaar worden aangemerkt. Dat de goederen waarvoor de douaneschuld is ontstaan zijn gestolen, maakt het niet anders. Al hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd leidt het Gerecht niet tot een ander oordeel.

Slotsom

4.4

Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

5 DE BESLISSING

Het Gerecht:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. D.J. Jansen, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juli 2019, in tegenwoordigheid van de griffier N.N. Noel-van der Biezen BSc.

De griffier, De rechter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.

HOGER BEROEP

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)

J.G. Emanstraat 51

Oranjestad

Aruba

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener,

b. de dagtekening,

c. waartegen u in beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie: belastinggriffie@caribjustitia.org.

Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:

-natuurlijke personen: Afl. 75

-personenvennootschappen en rechtspersonen: Afl. 300