Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2019:428

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
22-02-2019
Datum publicatie
16-07-2019
Zaaknummer
P-2017/08240
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Feit 1: Medeplegen van het vragen en aannemen van steekpenningen, meermalen.

Feit 2: Misbruik van de functie van minister, meermalen.

Feit 3: Medeplegenvan verduistering, meermalen.

Feit 4: Gewoontewitwassen.

Feit 5: Medeplegen van illegale tewerkstelling. Feit 6: Deelneming aan een criminele organisatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

Parketnummer : P-2017/08240

Uitspraak: 22 februari 2019

Tegenspraak

Vonnis van dit Gerecht

in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1976 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek onder de naam '[onderzoeksnaam]'. Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting. De verdachte is telkens verschenen, bijgestaan door zijn raadslieden, mrs. D.G. Illes, advocaat in Aruba en/of M. Vaders, advocaat in Curaçao.

De officieren van justitie, mrs. W. Gerritschen en W. Bos, hebben ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren met aftrek van voorarrest. Daarnaast hebben de officieren gevorderd dat verdachte voor de maximale duur zal worden ontzet uit het recht om enig ambt to bekleden.

De raadslieden hebben bepleit dat de inleidende dagvaarding ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde nietig zal worden verklaard, althans dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte, althans dat de verdachte zal worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten.

Tenlastelegging

Aan de verdachte wordt - kort en zakelijk weergeven - ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:

  1. het medeplegen van het vragen en aannemen van steekpenningen

  2. het misbruik maken van zijn functie

  3. het medeplegen van verduistering

  4. het medeplegen van gewoontewitwassen

  5. het medeplegen van illegale tewerkstelling, en

  6. deelneming aan een criminele organisatie

De tekst van de tenlastelegging, zoals deze op de terechtzitting d.d. 14 januari 2019 overeenkomstig de vordering van de officier is gewijzigd, is als bijlage 1 (pagina's doorgenummerd) aan dit vonnis gehecht.

Formele voorvragen

Geldigheid van de inleidende dagvaarding

De raadslieden hebben bepleit dat de inleidende dagvaarding ten aanzien van het onder feit 4 ten laste gelegde (witwassen) nietig zal worden verklaard. Daartoe is aangevoerd dat de tekst van de tenlastelegging niet meer behelst dan een delictsomschrijving aangevuld met een bedrag, zodat het verdachte niet duidelijk is waartegen hij zich dient te verdedigen, althans dat er onvoldoende voorbereidingsmogelijkheden zijn geweest.

Het Gerecht is van oordeel dat dit verweer niet kan slagen. Op grond van de tekst van de tenlastelegging is tegen de achtergrond van het dossier, in het bijzonder het in het strafdossier gevoegde ontnemingsdossier, helder waartegen de verdachte zich had te verdedigen. Uit het verhandelde ter terechtzitting kan bovendien worden opgemaakt dat de verdachte dit ook daadwerkelijk heeft begrepen. De inleidende dagvaarding voldoet aan de wettelijke eisen. Het verweer wordt dan ook verworpen.

Opmerking verdient dat het Openbaar Ministerie, gelet op het requisitoir, voor het bewijs van verschillende feiten (verduistering, witwassen) met name heeft geput uit het (in het strafdossier gevoegde) ontnemingsdossier. De verdediging lijkt daarentegen blijkens de inhoud van het pleidooi het ontnemingsdossier niet als uitgangspunt voor haar verweren te hebben gekozen. Daarin ziet het Gerecht een aanwijzing dat de voorbereiding van de verdediging inderdaad onvolkomen is geweest. Dit dient, gelet op de tijdige verspreiding van het ontnemingsdossier in september 2018, echter voor rekening van de verdediging te blijven.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadslieden hebben bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging van de verdachte. Daartoe hebben zij aangevoerd dat het openbaar ministerie op verschillende punten zijn plichten heeft verzuimd, waardoor het recht van verdachte op een eerlijk proces is geschonden.

Het Gerecht overweegt als volgt. Bij de beoordeling van dit verweer wordt vooropgesteld dat het in artikel 413 van het Wetboek van Strafvordering van Aruba (hierna: Sv) bedoelde rechtsgevolg van niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking komt. Daarvoor is alleen plaats indien een normschending (vormverzuim) daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Daar komt bij dat de toepassing van dat rechtsgevolg is beperkt tot onherstelbare normschendingen en dat telkens rekening dient te worden gehouden met het karakter, het gewicht en de strekking van de norm, de ernst van de normschending, het nadeel dat daardoor werd veroorzaakt en de mate van verwijtbaarheid van de degene die de norm schond.

Van de verdediging mag worden verlangd dat aan de hand van deze beoordelingsfactoren - het karakter, het gewicht en de strekking van de norm, de ernst van de normschending, het nadeel dat daardoor werd veroorzaakt en de mate van verwijtbaarheid van de degene die de norm schond - duidelijk wordt gemotiveerd waarom een vermeende normschending tot het zwaarste rechtsgevolg dient te leiden. Aan dit vereiste heeft de verdediging niet voldaan. Daarom kan het verweer worden gepasseerd. Desalniettemin zal het Gerecht op de afzonderlijke onderdelen van het verweer ingaan.

De verdediging heeft gesteld dat sprake is geweest van een 'fishing expedition, nu zonder voldoende verdenking dwangmiddelen zijn ingezet. Het Gerecht verwerpt die stelling en is van oordeel dat ten tijde van de doorzoeking van [datum] 2017 reeds een redelijk vermoeden van schuld tegen verdachte bestond. Dat niet direct tot aanhouding is overgegaan doet daaraan niet af.

De verdediging heeft voorts betoogd dat zij in het vooronderzoek gebrekkig en ontijdig van informatie is voorzien. Naar het oordeel van het Gerecht is niet aannemelijk is geworden dat processtukken, zonder deugdelijke reden, niet of te laat aan de verdediging zijn verstrekt. In ieder geval beschikte de verdediging enkele maanden voor de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting over een compleet procesdossier.

De verdediging heeft voorts aangevoerd dat het openbaar ministerie de berichtgeving rond het onderzoek heeft gestuurd en dat verdachte daarvan nadeel heeft ondervonden. Naar het oordeel van het Gerecht is niet aannemelijk geworden dat het openbaar ministerie terzake onzorgvuldig te werk is gegaan. Zoals het Gerecht hierna zal overwegen acht het de (latere) verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs. Van oneigenlijke beïnvloeding door het OM is niet gebleken.

De verdediging heeft voorts bezwaar gemaakt tegen de inleidende opmerkingen die het OM heeft gemaakt bij de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting op 14 januari 2019. Het OM heeft met die opmerkingen een voor verdachte nadelige sfeer kunnen scheppen, aldus de verdediging. Het Gerecht heeft, zoals te doen gebruikelijk bij onderzoeken van deze grote omvang, aan zowel het OM als aan verdachte de gelegenheid gegeven om inleidende opmerkingen te maken. Van deze gelegenheid hebben zowel het OM als verdachte gebruik gemaakt. Naar het oordeel van het Gerecht heeft deze uitwisseling bijgedragen aan een verheldering van de wederzijdse standpunten en is verdachte daardoor niet in een nadelige positie gebracht.

De verdediging heeft tevens aangevoerd dat verdachte, als gevolg van de strategie van het OM, al voor de zitting door de publieke opinie is veroordeeld, waardoor tekort is gedaan aan zijn recht op een eerlijk proces. Het Gerecht onderkent dat er, mede ten gevolge van persberichten van het OM, veel publicitaire aandacht is geweest voor de verdenkingen tegen verdachte. In het optreden in de media van het OM valt echter geen normschending te ontwaren, nu niet aannemelijk is geworden dat het OM onjuistheden heeft verspreid of anderszins onzorgvuldig heeft gehandeld.

Samenvattend oordeelt het Gerecht dat de door de verdediging aangevoerde stellingen niet voeren tot de conclusie dat van enige normschending sprake is geweest. Het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM wordt daarom verworpen.

Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Gedeeltelijke vrijspraak van feit 1

Met de officier van justitie is het Gerecht van oordeel dat het ten laste gelegde met betrekking tot de onderdelen '[bedrijf G]' en '[bedrijf H]' etc. niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, zodat daarvan zonder nadere motivering zal worden vrijgesproken.

[medeverdachte 13]

Het Gerecht is voorts van oordeel dat het ten laste gelegde met betrekking tot het onderdeel '[medeverdachte 13]' etc. niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Daartoe is het volgende redengevend.

Uit het dossier volgt dat verdachte aan [medeverdachte 13] opdracht geeft voor de installatie van een airconditioning is zijn woning. [medeverdachte 13] geeft verdachte een aanmerkelijke korting op de prijs. In de gesprekken die de mannen hierover voeren, komt ook de door verdachte te geven ontheffing die [medeverdachte 13] nodig heeft voor een van zijn werknemers aan de orde. Volgens de officier van justitie kan het niet anders zijn, dan dat er een causaal verband bestaat tussen de korting en de ontheffing.

Het Gerecht deelt de opvatting van de officier niet. Weliswaar is voor verdachte uiterste terughoudendheid geboden bij het aanvaarden van een gift van een persoon die tot hem in een afhankelijkheidsrelatie staat in verband met ontheffingen, zoals [medeverdachte 13]. Naar het oordeel van het Gerecht staat echter niet vast dat hier sprake is van een' gift'; aannemelijk is dat een normale zakelijke transactie betreft. Hoewel de korting aanmerkelijk is, acht het Gerecht aannemelijk dat, zoals [medeverdachte 13] stelt, zo een korting niet ongebruikelijk is en dat hij die aan veel klanten geeft. Deel van de korting is dat [medeverdachte 13] onverwachte meerkosten voor zijn rekening heeft genomen. Daar komt bij dat verdachte en [medeverdachte 13] een sterke en oude persoonlijke band hebben, hetgeen een contra-indicatie voor (de noodzaak van) omkoping vormt.

[medeverdachte 7]

Het Gerecht is voorts van oordeel dat het ten laste gelegde met betrekking tot het onderdeel '[medeverdachte 7]' etc. niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Daartoe is het volgende redengevend.

Uit het dossier volgt dat verdachte regelmatig contact heeft met [medeverdachte 7] in verband haar werk als tramitador. Zij vraagt verdachte om het verlenen van ontheffingen voor haar klanten. De officier wijst op onderdelen van het dossier die zouden bewijzen dat [medeverdachte 7] verdachte voor zijn hulp heeft betaald.

Naar het oordeel van he Gerecht is niet vast komen te staan dat [medeverdachte 7] enige betaling (of belofte daartoe) heeft gedaan aan verdachte. Er zijn tapgesprekken in het dossier die vragen oproepen. Dat met het noemen van getallen ('ik kan je met vier helpen', 'ik heb vijf nodig') over geld wordt gesproken staat echter geenszins vast. Het is vreemd dat [medeverdachte 7] erover spreekt dat zij [verdachte] kan helpen, maar ook dit is geen bewijs van een betaling. Dan is er nog een zekere synchroniciteit tussen het ontvangen van geld door [medeverdachte 7], een ontmoeting tussen verdachte en haar en het later op de dag storten van geld door [medeverdachte 1]. Een hard verband tussen deze gebeurtenissen kan echter, opnieuw, niet gelegd worden. Net (http://worden.Net) als bij [medeverdachte 13] geldt hier dat er tussen verdachte en [medeverdachte 7] een sterke persoonlijke band bestaat, wat een contra-indicatie vormt voor (de noodzaak van) omkoping. Al met al ontbreekt concreet wettig en overtuigend bewijs van een betaling, zodat verdachte op dit onderdeel moet worden vrijgesproken.

Gedeeltelijke vrijspraak van feit 4

Zoals hieronder zal worden overwogen acht het Gerecht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 4 ten laste gelegde gewoontewitwassen. Het Gerecht ziet echter onvoldoende bewijs voor een gedeelte van het ten laste gelegde bedrag, zodat een gedeeltelijke vrijspraak dient te volgen. Daartoe is het volgende redengevend.

De witwasverdenking kent, gezien op de wijze waarop het OM deze in zijn requisitoir heeft toegelicht, drie onderdelen. Het eerste onderdeel behelst het resultaat van een eenvoudige kasopstelling met betrekking tot de contante privé-inkomsten en -uitgaven van verdachte en zijn echtgenote. Het tweede onderdeel betreft eveneens een eenvoudige kasopstelling, nu met betrekking tot de contante geldstromen in de ondernemingen van de echtgenote van verdachte. Het derde onderdeel van de witwasverdenking vloeit voort uit de onder feit 3 aan verdachte ten laste gelegde verduistering.

In de redenering van het OM moet het tweede onderdeel, betreffende de ondernemingen van de echtgenote van verdachte, aldus bezien worden, dat de onverklaarde contante inkomsten in het bedrijf slechts afkomstig kunnen zijn uit door verdachte gepleegde misdrijven in de sfeer van steekpenningen. Het Gerecht acht dit, het geheel van het dossier in ogenschouw nemend, een begrijpelijke gedachtegang. Voor wettig en overtuigend bewijs is het echter onvoldoende. In het dossier is geen concreet bewijs aan te treffen dat verdachte geld heeft ingebracht in de ondernemingen van zijn vrouw. Ook anderszins is niet gebleken van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en zijn echtgenote met betrekking tot de financiën van deze ondernemingen. Van dit onderdeel (Awg. 209.495,66), zal verdachte worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het eerste en derde onderdeel is ten laste gelegd dat verdachte bedragen tezamen en in vereniging met een ander heeft witgewassen. Die ander is blijkens het requisitoir zijn echtgenote. Het Gerecht is van oordeel dat verdachte van dit medeplegen dient te worden vrijgesproken. Niet is vast komen te staan dat de echtgenote van verdachte wetenschap heeft gehad van door verdachte gepleegde omkoping of verduistering. De grootschalige contante uitgaven hadden wellicht vragen moet oproepen bij de echtgenote, maar nu deze uitgaven kennelijk grotendeels door verdachte werden gedaan is het maar de vraag in hoeverre zij zich van een bijzondere situatie bewust is geweest. Van een bewuste en nauwe samenwerking, in de zin dat de echtgenote heeft geweten dat de contante privé-uitgaven van misdrijf afkomstig waren, is onvoldoende gebleken.

Bewezenverklaring

Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5 primair en 6 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 oktober 2013 tot en met 28 maart 2017 te Aruba tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in zijn hoedanigheid van minister van Sociale Zaken, Jeugd en Arbeid, althans de minister, belast met arbeid van/ aan een of meer (rechts)personen, namelijk

casus [A]

- [ [medeverdachte 10], [bedrijf A], [bedrijf B], [bedrijf C] en/of [bedrijf D]

en/ of

- [ [medeverdachte 11] en/of [bedrijf E]

en/of

- [ bedrijf F]

en/of

- [ [bedrijf G]

en/of

[bedrijf H] en/ of [bedrijf I]

en/of

casus overige goederen en gunsten

- [ medeverdachte 12] en/of [bedrijf J] en/of

[medeverdachte 13], [bedrijf K]/[bedrijf L], [bedrijf M] en/of [bedrijf N] en/of

  • -

    [medeverdachte 14], [bedrijf O] en/of [bedrijf P] en/of casus [bedrijf R]

  • -

    [medeverdachte 4] en/of [bedrijf Q]
    en/of

  • -

    [medeverdachte 5]
    en/of

  • -

    [medeverdachte 6], [bedrijf R] en/of [bedrijf S]/[bedrijf T] en/of
    casus [medeverdachte 4]

[medeverdachte 4] en/of [bedrijf Q] en/of

- [ medeverdachte 9], [bedrijf U], [bedrijf V] en/of [bedrijf W] en/of

  • -

    [betrokkene 1] en/of [bedrijf X] en/of casus Stichting [naam stichting]

  • -

    [betrokkene 2], [betrokkene 3], [bedrijf Y] en/of [bedrijf Z] en/of

  • -

    [medeverdachte 15] en/of [bedrijf AA] en/of

  • -

    [medeverdachte 16], [bedrijf AB] en/of

  • -

    [medeverdachte 17], [bedrijf AC], [bedrijf AD] en/of [bedrijf AE] en/of

  • -

    [betrokkene 4] en/of [bedrijf AF] en/of

  • -

    [medeverdachte 18] en/of [bedrijf AG] en/of

  • -

    [medeverdachte 19] en/of [bedrijf AH] en/of

  • -

    [betrokkene 5], [medeverdachte 20], [bedrijf AI] en/of [bedrijf AJ] en/of

casus [medeverdachte 7]

- [medeverdachte 7], [bedrijf AK] en/of [bedrijf AL] en/of overig

- [ medeverdachte 21], [bedrijf AM] en/of [bedrijf AN] en/of

- [ medeverdachte 22] en/of [bedrijf AO]

een of meer giften en/of beloften en/of diensten, namelijk

een of meer geldbedragen en/of een of meer winkelgoederen, etenswaren en/of hoeveelheden drank en/of de belofte om aan hem een of meer geldbedragen, winkelgoederen, etenswaren en/of hoeveelheden drank te doen toekomen en/of (een belofte of toezegging tot het geven van) (korting op de) aanleg van een airconditioningsysteem (in zijn woning aan de [adres] te Aruba) en/of de belofte om bij een verkiezing op hem en/of op zijn politieke partij ([NAAM POLITIEKE PARTIJ]) te stemmen en/of om andere personen aan te sporen zulks te doen,

heeft aangenomen en/of voor zichzelf en/of een of meer anderen heeft gevraagd, terwijl hij en zijn mededader(s) (telkens) wisten, althans redelijkerwijs moesten vermoeden dat deze giften en/of beloften en/of diensten hem en/of hen werden gedaan, verleend en/of aangeboden teneinde hem en/of hen te bewegen om, al dan niet in strijd met zijn en/of hun plicht, in zijn en/of hun bediening iets te doen en/of na te laten en/of ten gevolge en/of naar aanleiding van hetgeen door hem en/of hen, al dan niet in strijd met zijn en/of hun plicht, in zijn en/of hun huidige en/of vroegere bediening is gedaan en/of nagelaten

namelijk (telkens)

A

het verlenen van ontheffingen van de door het Departemento di Progreso Laboral te verrichten arbeidsmarkttoets en/of het accorderen van aanvragen tot zulke ontheffingen en/of het herzien, wijzigen en/of passeren van beslissingen en/of adviezen van het Departamento di Progreso Laboral en/of het (bevorderen van) het afgeven van verklaringen van geen bezwaar en/of positieve verklaringen tot toetreding tot de arbeidsmarkt (door het Departemento di Progreso Laboral) en/of het (aldus bevorderen van het) afgeven van (tijdelijke) verblijfsvergunningen (met arbeid) (door het Departemento di Integracion, Maneho y Admision di Stranhero)

en/of

B

het (anders dan om zakelijke redenen) begunstigen en/of het geven van een voorkeursbehandeling aan voormelde (rechts)personen en/of het laten ontstaan, in stand houden, onderhouden en/of verbeteren van een relatie tussen hem en/of zijn mededader(s) en voormelde (rechts)personen waarin hij en/of zijn mededader(s) niet meer zo vrij, onbeïnvloed, onafhankelijk en/of objectief waren/konden zijn bij het nemen van beslissingen in relatie tot voormelde (rechts)personen als in het geval dat hij en/of zijn mededader(s) die giften en/of beloften en/ of diensten niet hadden aangenomen of gevraagd

en/of

C

het bespoedigen van een procedure tot het verkrijgen/gunnen van een project (namelijk [naam project]') en/of het bemiddelen bij het verkrijgen/gunnen van dat project door [betrokkene 4] en/of het aansporen van een collega minister tot het gunnen van dat project aan die [betrokkene 4] (door ter zake overleg te voeren met de Minister voor Economischc Zaken, Communicatie, Energie en Milieu Ruimtelijke Ordening en/of die Minister mede te delen dat hij de aanvraag van die [betrokkene 4] moet goedkeuren)

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 april 2015 tot en met 30 januari 2017 te Aruba tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in zijn hoedanigheid van minister van Sociale Zaken, Jeugd en Arbeid, althans de minister, belast met arbeid, opzettelijk met misbruik van zijn functie en/of positie iets heeft gedaan en/of heeft nagelaten te doen teneinde enig voordeel voor hem en/of een ander te verkrijgen, namelijk heeft hij

A

[ambtenaar 1] (in diens hoedanigheid van hoofd van de Directie Arbeid en Onderzoek) verzocht en/ of opgedragen om geen controles (op het illegaal tewerkstellen van een of meer personen) te (doen) verrichten in het restaurant [naam restaurant], zodat hij ongestoord dat restaurant kon (blijven) bezoeken en/ of geen imagoschade zou oplopen bij bezoeken aan dat restaurant en/of dat restaurant en/ of de eigenaar daarvan een of meer personen illegaal tewerk kon(den) (blijven) stellen en/of niet zou(den) worden beboet en/of vervolgd voor de illegale tewerkstelling van een of meer personen en/of voor een of meer andere overtredingen van de Arbeidsverordening 2013 en/of

B

[ambtenaar 2] (in diens hoedanigheid van bedrijfsinspecteur van de Directie Arbeid en Onderzoek) verzocht en/of opgedragen om geen controles (op het illegaal tewerkstellen van een of meer personen) te (doen) verrichten in het bedrijf [bedrijf AP] en/of om een aldaar aangevangen controle (op het illegaal tewerkstellen van een of meer personen) in het bedrijf [bedrijf AP] af tebreken en/of om geen maatregelen te nemen tegen (de eigenaren en/of werknemers van) dat bedrijf en/of om af te zien van het inschakelen van de Guarda Nos Costa, zodat hij (politieke) steun zou ontvangen van de [ethniciteit] gemeenschap en/of [ethniciteit] ondernemers en/of de eigenaren van voormeld bedrijf en/of dat bedrijf en/of de eigenaren daarvan een of meer personen illegaal tewerk kon(den) (blijven) stellen en/of niet zou(den) worden beboet en/ of vervolgd voor de illegale tewerk stelling van een of meer personen en/of voor een of meer andere overtredingen van de Arbeids verordening 2013 en/of

C

[ambtenaar 3] (in diens hoedanigheid van hoofd van het Instituto Alarma y Seguridad Aruba) verzocht en/of opgedragen om [betrokkene 6] toe te laten tot Aruba, zodat hij die [betrokkene 6] (voor hem) werkzaamheden kon laten verrichten en/of

D

[betrokkene 7] verzocht en/of opgedragen om aan hem een of meer kratten bier te leveren in ruil voor hulp bij het verkrijgen van een commercieel terrein en/of (bij) het bespoedigen van de procedure tot het verkrijgen van dat terrein (namelijk door ter zake overleg te voeren met de Minister van Ruimtelijke Ordening);

3

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 december 2014 tot en met 28 maart 2017 te Aruba tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een of meer geldbedragen, geheel of ten dele toebehorende aan de Stichting [naam stichting], in elk geval aan een of meer anderen dan aan hem en/of zijn mededader(s), welke geldbedragen hij en/of zijn mededader(s) als bestuurder van die stichting, in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend;

4

dat hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 28 maart 2017 te Aruba tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich een of meermalen schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s) (telkens) (van) een of meer voorwerpen, te weten geldbedrag(en) met een totale waarde van Awg. 214.731,95 538.330,95, althans een of meer geldbedragen,

A de werkelijke aard, herkomst, vervreemding en/of verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die geldbedrag(en) was/waren en/of wie dat/ die geldbedrag(en) voorhanden heeft/hebben gehad of hadden en/of B

overgedragen, omgezet en/of voorhanden gehad en/of van dat/die geldbedrag(en) gebruik gemaakt,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) (telkens) wisten of begrepen dat dat/die geldbedrag(en), onmiddellijk of middellijk, afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

hij in of omstreeks de periode van 20 december 2016 tot en met 28 maart 2017 te Aruba tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [betrokkene 6], die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf op Aruba had verschaft, krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid heeft doen verrichten, terwijl hij en zijn mededader(s) wisten of ernstig reden hadden om te vermoeden dat die toegang of dat verblijf wederrechtelijk was;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling kan of mocht leiden:

hij in of omstreeks de periode van 20 december 2016 tot en met 28 maart 2017 te Aruba tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [betrokkene 6] in dienst nam of hield, terwijl hij en zijn mededader(s) wisten of redelijkerwijs konden vermoeden dat die [betrokkene 6] in strijd handelde met de bij of krachtens de Landsverordening Toelating, Uitzetting en Verwijdering gestelde voorschriften;

meer subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling kan of mocht leiden:

hij in of omstreeks de periode van 20 december 2016 tot en met 28 maart 2017 te Aruba tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [betrokkene 6] werkzaamheden heeft laten verrichten terwijl die [betrokkene 6] niet beschikte over een geldige verblijfstitel;

hij in of omstreeks de periode van 30 oktober 2013 tot en met 28 maart 2017 te Aruba heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 4], [medeverdachte 3] en/of meer andere (rechts)personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven (namelijk ambtelijke omkoping, misbruik van functie, verduistering en/of witwassen).

Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd; omwille van de leesbaarheid zijn ook wijzigingen aangebracht in de bewezenverklaring (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsmiddelen

Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen (bijlage 2, pagina's doorgenummerd) zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.1

Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Voorts wordt opgemerkt dat, voor zover in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Aruba.

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van feit 1: steekpenningen

Aan verdachte is onder feit 1 een reeks van incidenten ten laste gelegd. Bij ieder incident is volgens de verdenking sprake van, kort en zakelijk weergegeven, het vragen of aannemen van steekpenningen. Alvorens tot een beoordeling van de individuele incidenten te komen, acht het Gerecht het dienstig om in algemene termen een beeld te schetsen van situatie waarin de betrokkenen bij deze vermeende omkoping zich hebben bevonden, zoals het Gerecht die situatie ziet.

Ondernemers op Aruba hebben, zoals overal ter wereld, werknemers nodig. Deze (potentiele) werknemers worden vaak in het buitenland geworven en gevonden. Voordat ze aan de slag kunnen behoeven deze werknemers een verblijfsvergunning met toestemming voor arbeid, af te geven door DIMAS. Deze toestemming wordt in de regel, als het om lager geschoold werk gaat, niet afgegeven, omdat de overheid de lokale werkeloosheid wil bestrijden. Voordat de toestemming wordt gegeven voert DPL een arbeidsmarkttoets uit, om na te gaan of niet een Arubaan de vacature kan vervullen Het beleid ter zake staat toe dat de Minister van Arbeid onder bepaalde voorwaarden een ontheffing van deze arbeidsmarkttoets verleent. De verdenking is, in de kern, dat verdachte in zijn hoedanigheid van minister van Arbeid, misbruik heeft gemaakt van deze discretionaire bevoegdheid ten behoeve van de ondernemers die hem omkochten.

Hierbij is van belang dat, zoals vrijwel alle verdachten in het onderzoek [onder-zoeksnaam] hebben benadrukt, Aruba een kleinschalige maatschappij is. Anders dan bijvoorbeeld in Nederland, is het in Aruba niet ongewoon om rechtstreeks contact te hebben met een minister. Er is sprake van een wederzijdse afhankelijkheidsrelatie die inherent is aan kleinschaligheid. Door het restrictieve toelatingsbeleid voor buiten-landse werknemers is de ondernemer afhankelijk van de minister voor het verkrijgen van een ontheffing van de arbeidsmarkttoets. De minister en zijn partij zijn op hun beurt afhankelijk van ondernemers en hun achterban voor steun voor hun beleid en stemmen voor hun herverkiezing. Het is derhalve van belang om over en

Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften.

weer een werkbare, min of meer vriendschappelijke relatie te onderhouden. Een goede persoonlijke relatie kan voordelig zijn. Het verstoord raken van die relatie kan daarentegen ernstige negatieve gevolgen hebben voor de onderneming, respectievelijk de politicus. Het Gerecht betrekt deze als feiten van algemene bekendheid aangemerkte maatschappelijke omstandigheden bij de beoordeling van de tenlastelegging.

Verdachte heeft aangevoerd dat het eveneens een maatschappelijk gegeven is, dat politici van ondernemers afhankelijk zijn bij het werven van fondsen, onder meer voor verkiezingscampagnes. Er is op gewezen dat politici van alle partijen sinds jaar en dag evenementen organiseren en daarvoor toegangskaartjes verkopen. Ook worden bijvoorbeeld bonnenboekjes voor loterijen verkocht door partijen. Volgens verdachte heeft een aanmerkelijk deel van de politici, net als hijzelf, een stichting met een vermogen ter aanwending voor herverkiezing.

Naar het oordeel van het Gerecht is dit systeem van fondsenwerving niet in alle gevallen goed te verenigen met de omkopingsbepalingen van het wetboek van strafrecht.

In het kader van onderzoek [onderzoeksnaam] verdient het volgende bijzondere benadrukking. Hoewel omkoping in beginsel (ten minste) twee partijen vraagt, een omkoper en een omgekochte, geldt voor deze partijen een verschillende opzetnorm. Een omkoper is, op grond van artikel 2:128 Sr, slechts strafbaar indien hij een gift of belofte doet met het oogmerk om de ambtenaar ergens toe te bewegen, dan wel, indien hij een gift of belofte doet naar aanleiding van iets dat de ambtenaar heeft gedaan). Het gaat om de hoogste graad van opzet; het naaste doel van de dader. Opzet als noodzakelijkheidsbewustzijn is niet voldoende. Een 'omkoper' die niet omkoping tot doel heeft, maar wel weet dat de ambtenaar door zijn gift zal worden bewogen, heeft geen oogmerk en is niet strafbaar.

Voor de ambtenaar geldt daarentegen dat hij strafbaar is als hij wist of redelijkerwijs vermoedde dat die gift of belofte hem werd gedaan om hem als ambtenaar iets te laten doen of nalaten. Het komt er slechts op aan of de ambtenaar er zich van bewust is geweest dat de gift de strekking had om hem te bewegen een bepaalde met zijn ambtsplicht strijdige handeling te verrichten, daargelaten of de gever inderdaad het oogmerk had dat die handeling ook werkelijk zou geschieden.

Het begrip 'gift' kent in de omkopingsbepalingen een ruime reikwijdte. De Hoge Raad heeft reeds in 1916 geoordeeld dat onder het doen van een gift wordt verstaan elk overdragen aan een ander van iets dat voor die ander waarde heeft. Bovendien is persoonlijke bevoordeling van de ambtenaar niet vereist om van een gift te kunnen spreken.

In de hiervoor geschetste maatschappelijke omstandigheden kan een politicus als verdachte het zich naar het oordeel van het Gerecht niet veroorloven om van een ondernemer, met wie hij een zakelijke relatie onderhoudt, een gift aan te nemen. Als verdachte geld vraagt, kan het niet anders dan dat hij dat doet in het besef dat hij de ondernemer voor blok zet; het weigeren van een donatie zou in de kleinschalige maatschappij slecht kunnen uitpakken. Als verdachte geld aanneemt, aanvaardt hij bewust de aanmerkelijke kans dat de ondernemer met de gift een voorkeurspositie bedingt.

Casus Stichting [naam stichting]

In de gevallen van [medeverdachte 20], [medeverdachte 15], [medeverdachte 18], [betrokkene 2]/[betrokkene 3], [medeverdachte 16], [betrokkene 4], [medeverdachte 17] en [medeverdachte 19] heeft verdachte aan de genoemde ondernemers om geld gevraagd, als koopprijs voor kaartjes voor het Kerstconcert, georganiseerd door de Stichting [naam stichting] of bijvoorbeeld als schenking voor een goed doel. Het doel van de stichting is het bijeenbrengen, administreren, beheren en aanwenden van de fondsen die bestemd zijn voor de verkiezingscampagne ten behoeve van de parlementszetel van verdachte. Een donatie aan de Stichting moet naar het oordeel van het Gerecht dan ook gezien worden als een gift aan verdachte. Dat er iets tegenover een donatie stond, bijvoorbeeld kaarten voor een door de Stichting te organiseren Kerstconcert, kan daaraan niet afdoen. Het kan niet anders dan dat verdachte wist dat hij de ondernemers, door hen kaarten aan te bieden, op de hiervoor bedoelde wijze voor het blok zette. De tenlastelegging heeft slechts het oog op ondernemers die in de relevante periode een beroep op verdachte hebben gedaan voor - kort gezegd - een ontheffing. Het verband tussen de gift en de ontheffing is gelet op het vorenoverwogene duidelijk.

Casus overige goederen en gunsten

In de gevallen van [medeverdachte 10], [medeverdachte 11], [medeverdachte 12], [betrokkene 1], [medeverdachte 9], [medeverdachte 14], [medeverdachte 21] en [medeverdachte 22] heeft verdachte, rechtstreeks of door tussenkomst van een ander, goederen of gunsten gevraagd en aangenomen. Het gaat om contant geld, kratten bier en flessen whiskey en dergelijke, of om bijvoorbeeld de toezegging om op verdachte te stemmen bij verkiezingen. Ook hier wist verdachte dat de ondernemers waarschijnlijk alleen meewerkten omdat ze van hem afhankelijk waren voor de papieren van hun werknemers. Het verband tussen de gift en de ontheffing is gelet op het vorenoverwogene duidelijk.

Casus [bedrijf R] etc.

Uit de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] volgt dat verdachte zich op grote schaal aanmerkelijke geldsommen heeft laten betalen in ruil voor zijn handtekening voor het verlenen van ontheffingen. Er is een 'ontheffingenfabriek' opgezet, waarbij fictieve, valselijk opgemaakte aanvragen voor ontheffing door [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] werden aangeboden. Allen brachten daarvoor een flinke som geld in rekening bij een buitenlandse werknemer.

De verdediging heeft de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] betwist. Er is gewezen op tegenstrijdigheden tussen hun verklaringen. Het Gerecht verwerpt het verweer. De verklaringen van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] zijn gedetailleerd en komen op de relevante onderdelen, te weten waar zij de rol van verdachte beschrijven, met elkaar overeen. Daarnaast worden de verklaringen door technisch bewijs ondersteund. In het bijzonder wijst het Gerecht op de bij [medeverdachte 4] aangetroffen documenten. Er is een opsomming te zien van de naam van een vreemdeling die een ontheffing heeft gekregen, de naam van [medeverdachte 4] met een getal, de naam van [medeverdachte 5] met een getal en de naam van verdachte met een getal. De getallen komen overeen met de geldbedragen die volgens [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] aan de betrokkenen betaald werden. De betrouwbaarheid van de verklaringen wordt sterk ondersteund door het feit dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] zichzelf daarmee ernstig hebben belast. Dat [medeverdachte 5] niet in vrijheid zou hebben verklaard is niet aannemelijk geworden.

De tenlastelegging spreekt daarnaast over het, door een gift, verwerven van een voorkeurspositie. De gedachte lijkt te zijn dat middels de gift ook voor eventuele toekomstige gevallen, de gunsten van de minister worden verzekerd. Inderdaad laat de jurisprudentie ruimte voor de bestraffing van deze meer abstracte vorm van omkoping. Het gaat niet alleen om de situatie dat er een direct verband bestaat tussen de gift of belofte enerzijds en een concrete tegenprestatie anderzijds, maar ook op het doen van giften of beloften aan een ambtenaar teneinde aldus een relatie met die ambtenaar te doen ontstaan en/of te onderhouden met het doel een voorkeursbehandeling te krijgen (vgl. HR 27 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8318).

In de onderhavige gevallen is naar het oordeel van het Gerecht steeds sprake van een concrete tegenprestatie, te weten (kort samengevat) verlenen van een ontheffing. Daarnaast hebben de ondernemers ook steeds het oogmerk om de relatie met de minister te beschermen/verbeteren; ook in de toekomst zullen zij immers van de minister afhankelijk zijn.

Omdat de giften/beloften steeds de strekking hebben om een voorkeurspositie te verwerven, handelt verdachte bij het vragen daarom/aanvaarden daarvan steeds in strijd met zijn plicht.

Ten aanzien van feit 2: misbruik van functie

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich aan misbruik van functie schuldig heeft gemaakt. Het ten laste gelegde misbruik van functie of positie is een feit dat sinds de invoering van het Arubaanse Wetboek van Strafrecht strafbaar is gesteld, en wel in artikel 2:354. Uit de memorie van toelichting blijkt dat de bepaling is geïnspireerd door het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie (Trb. 2004, 11 en Trb. 2005, 244), meer in het bijzonder door artikel 19 van dat verdrag: "Elke Staat die partij is, overweegt de wettelijke en andere maatregelen te nemen die nodig kunnen zijn om als strafbaar feit aan te merken, wanneer opzettelijk gepleegd, het misbruik van functie of positie, waaronder wordt verstaan, het in strijd met de wet verrichten of nalaten van een handeling door een overheidsfunctionaris bij de uitoefening van zijn of haar functie teneinde een onverschuldigd voordeel te verkrijgen voor de functionaris zelf of voor een andere persoon of entiteit." De delictsomschrijving van misbruik van functie of positie moet naar het oordeel van het Gerecht dienovereenkomstig worden uitgelegd.

De officier van justitie heeft een viertal incidenten beschreven, waarbij verdachte zijn hoedanigheid van minister op oneigenlijke wijze zou hebben ingezet, om zichzelf of een ander te bevoordelen.

a. casus [naam restaurant]

Uit het dossier volgt dat verdachte op 19 oktober 2016 aan [ambtenaar 1]], die bij de Directie Arbeid verantwoordelijk is voor bedrijfscontroles, heeft gezegd om geen controles uit te voeren op het moment dat verdachte daar aanwezig is.

Op 5 november 2016 is verdachte is Miami. Hij belt met zijn medewerker [bureaumedewerker] en zegt: [VERDACHTE]: (...) maar zeg alleen tegen [ambtenaar 1] voor mij: Arbeid gaat ze vanavond daar niet controleren. (...) [VERDACHTE]: Zeg tegen [ambtenaar 1], zeg niet tegen hem dat ik uitlandig ben, zeg tegen hem dat ik daar zal zijn en hij weet mijn instructie. Als ik daar ben, om niet te controleren. [bureaumedewerker] geeft de boodschap aan [ambtenaar 1] door.

Het Gerecht stelt vast dat verdachte vanuit zijn functie als minister een ambtenaar instrueert om zijn taak op een bepaalde wijze uit te oefenen. Er kan naar het oordeel van het Gerecht onder bepaalde omstandigheden een rechtvaardiging bestaan een dergelijke instructie. Denkbaar is dat een door de minister te maken belangenafweging tussen het op een bepaald moment uitvoeren van een bedrijfscontrole enerzijds en mogelijke imagoschade voor de minister anderzijds tot een uitstel van de controle kan leiden.

In het onderhavige geval kan een dergelijke belangenafweging echter geen rol spelen. Verdachte was immers op het moment van de voorgenomen controle niet in Aruba. Nu het gepretendeerde belang, het beschermen van het imago van de minister, niet aan de orde is, kan de conclusie slechts zijn dat de instructie om niet te controleren is ingegeven door een ander motief. Uit het dossier volgt dat verdachte een bijzondere relatie had met de eigenaar van het restaurant [naam restaurant]. Verdachte bevoordeelt met zijn instructie deze eigenaar ten opzichte van andere ondernemers. Bovendien handelt verdachte in strijd met de wet; zijn handelen is onder het bereik van artikel 2:137 lid 1 Sr te brengen (hij die opzettelijk enige handeling, ondernomen ter uitvoering van enig wettelijk voorschrift door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast, belet, belemmert of verijdelt etc.). Met zijn instructie heeft hij [ambtenaar 1]] belemmerd in de uitoefening van diens taak. Aldus maakt hij misbruik van zijn functie.

De verdediging heeft aangevoerd dat niet vast staat of de controle daadwerkelijk achterwege is gebleven, zodat niet bewezen kan worden dat enig voordeel is behaald door restaurant [naam restaurant]. Dit verweer kan niet slagen, omdat het intreden van voordeel niet is vereist voor strafbaarheid; het gaat er slechts om dat verdachte een handeling heeft verricht teneinde dit voordeel te verkrijgen.

casus [bedrijf AP]

Ambtenaar [ambtenaar 2] is bezig met een controle bij supermarkt [bedrijf AP]. Hij treft een werknemer aan die niet over de juiste papieren beschikt. De eigenaar van de supermarkt belt dan verdachte op. [ambtenaar 2] krijgt verdachte aan de lijn, die hem instrueert om de controle te staken, met de mededeling dat hij (verdachte) het zou oplossen.

Dit ingrijpen door verdachte vormt om gelijke redenen als hiervoor in de casus [naam restaurant] genoemd misbruik van functie.

casus [betrokkene 6]

Uit het dossier volgt dat verdachte, in samenwerking met zijn echtgenote en met [medeverdachte 1], geprobeerd heeft om een zgn. garantiebrief te verkrijgen voor [betrokkene 6]. Deze vrouw zou als kinderoppas in het gezin van verdachte komen werken. [betrokkene 6] had een garantiebrief nodig om als toerist tot Aruba toegelaten te kunnen worden. Toen het niet lukte om de brief te verkrijgen, heeft verdachte contact gezocht met het hoofd van de Immigratiedienst [ambtenaar 3] en hem verzocht om te bevorderen dat [betrokkene 6] toegelaten zou worden. Hij heeft [ambtenaar 3] de persoonsgegevens van [betrokkene 6] toegestuurd. Toen [betrokkene 6] desondanks problemen ondervond bij het passeren van de grens, doordat ze geen garantiebrief kon tonen, heeft [medeverdachte 1] namens verdachte contact gezocht met de grensambtenaar [ambtenaar 4], die [betrokkene 6] uiteindelijk als toerist tot Aruba heeft toegelaten.

Het Gerecht overweegt dat verdachte wist dat [betrokkene 6] zou gaan werken en derhalve niet als toerist toegelaten mocht worden. Door er in zijn positie als minister bij [ambtenaar 3] op aan te dringen dat [betrokkene 6] toch zou worden toegelaten, heeft hij [ambtenaar 3] belemmerd bij de uitoefening van zijn werk. Dit vormt, om gelijke redenen als hiervoor is uiteengezet, misbruik van functie. Daaraan doet niet of dat [ambtenaar 3] volgens diens verklaring geen kwaad zag in het verzoek van verdachte.

casus [betrokkene 7]

[betrokkene 7] heeft verdachte voordien gevraagd om hulp bij het verkrijgen van een bedrijfsterrein. Verdachte heeft blijkens het dossier supermarkteigenaar [betrokkene 7] om gratis kratten bier gevraagd. [betrokkene 7] zegt dat hij niet meer dan een krat bier wil schenken. Uit een opgenomen gesprek blijkt dat verdachte even later tegen [medeverdachte 1] zegt, dat die [betrokkene 7] moet melden dat hij geen terrein krijgt als hij niet meer kratten bier levert.

Naar het oordeel van het Gerecht had deze casus ook onder feit 1 ten laste gelegd kunnen worden. Verdachte vraagt, in strijd met de wet, een gift, terwijI hij een tegenprestatie belooft. Dit wordt onderstreept door het feit dat de tegenprestatie zal worden geweigerd als de gift niet blijkt te volstaan. Verdachte maakt hier misbruik van zijn functie om zichzelf te bevoordelen.

Ten aanzien van feit 3: verduistering

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich aan verduistering schuldig heeft gemaakt. Ter onderbouwing van deze verdenking is in het requisitoir in het bijzonder gewezen op het, in het strafdossier gevoegde, ontnemingsdossier.

In 2012 is de Stichting [naam stichting] opgericht. Doel van de stichting is het bijeenbrengen, administreren, beheren en aanwenden van fondsen die bestemd zijn voor de verkiezingscampagne ten behoeve van de parlementszetel van verdachte. Het vermogen van de Stichting dient overeenkomstig de doelstelling van de Stichting besteed te worden.

De officier van justitie heeft betoogd dat, zoals is beschreven in het ontnemingsdossier, het vermogen van de Stichting tot een bedrag van Awg. 99.596.73 door [verdachte], in strijd met de doelstelling, aan prive-zaken is uitgegeven. Verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de bestedingen binnen de, breed te trekken, grenzen van het Stichtingsdoel vallen.

Het Gerecht is van oordeel dat de betalingen evident buiten het doel van de Stichting vallen. Het gaat om aflossingen op de privé-creditcard van verdachte, de aanschaf van juwelen en de afbetaling van de studieschuld van verdachte. Ongeacht de culturele context zijn deze bestedingen niet in een betekenisvol verband te brengen met het bevorderen van de herverkiezing van verdachte. Dat ieder aspect van het privé-leven van verdachte een weerslag kan hebben op zijn imago, en daarmee op zijn kansen op herverkiezing, rechtvaardigt niet de conclusie dat hij het Stichtingsvermogen volledig naar eigen inzichten kan besteden.

Ten aanzien van de kosten voor de aanleg voor een airconditioning in zijn woning heeft verdachte aangevoerd, dat deze een zakelijk karakter hadden, omdat hij thuis zakelijke afspraken had. Verdachte heeft echter tevens gezegd dat hij het geld van de Stichting had geleend. Kennelijk is verdachte derhalve zelf van mening dat de Stichting deze kosten niet dient te dragen. Het Gerecht acht het bestaan van de lening niet aannemelijk geworden, nu deze niet op papier is gezet en evenmin is afbetaald. De conclusie is dan dat het geld, in afwijking van het Stichtingsdoel, privé is aangewend en daarmee is verduisterd.

De officier van justitie heeft bij repliek een analyse gepresenteerd van de in de Stichtingsadministratie aangetroffen bonnetjes. Deze zijn kennelijk ter declaratie door verdachte aan [medeverdachte 2] aangeboden. Het Gerecht volgt niet het primaire standpunt van de officier ter zake, dat de bonnen reeds gezien de ongeorganiseerde wijze waarop deze zijn aangeboden niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. De analyse van de officier, die door de verdediging niet is weersproken, voert tot de conclusie dat van een gedeclareerd bedrag van Awg. 27.073,59 aannemelijk is dat deze kosten passen binnen het Stichtingsdoel. Het Gerecht neemt de analyse en de conclusie over, wat leidt tot een partiële vrijspraak van verduistering, alsook van het hierna te bespreken witwassen.

Het Gerecht acht niet bewezen dat verdachte Awg. 17.500 heeft verduisterd in het kader van de contante verkoop van kaarten voor het kerstconcert van de Stichting. Hoewel er door getuigen verklaard is dat er kaarten contant zijn betaald, kan niet met enige mate van zekerheid worden vastgesteld of de kaarten niet gratis zijn verstrekt, hoeveel er voor is betaald en of dit geld naar [verdachte] is gegaan. De schatting die de Landsrecherche heeft gemaakt ($ 10.000) is niet meer dan een schatting en kan niet als bewijs dienen.

De verdediging heeft opgeworpen dat, indien het vermogen van de Stichting (deels) van een door verdachte begaan misdrijf afkomstig is (te weten het aannemen van steekpenningen), er geen sprake kan zijn van verduistering. Het Gerecht volgt de verdediging hierin niet. Het bestanddeel 'anders dan door misdrijf' moet aldus worden uitgelegd dat niet enig door verdachte begaan misdrijf ertoe heeft geleid dat hij het desbetreffende goed onder zich heeft gekregen (vgl. ECLI:NL:HR:2001:AD4573). Verdachte heeft het goed onder zich gekregen door een rechtshandeling van de Stichting, die daarbij, althans formeel, vertegenwoordigd werd door haar bestuurder, medeverdachte [medeverdachte 2]. Die overdracht is niet een door verdachte begaan misdrijf. Dat er vraagtekens gesteld kunnen worden bij de civielrechtelijke beschikkingsbevoegdheid van de Stichting kan daaraan niet afdoen.

De verdediging heeft nog gesteld dat verdachte mogelijk de Stichting heeft terugbetaald voor de privé-uitgaven. Het Gerecht passeert deze stelling, nu deze iedere onderbouwing mist en er in het dossier geen aanwijzingen te vinden zijn voor de juistheid ervan.

Een en ander resulteert daarin, dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte een bedrag van Awg. 55.023,14 heeft verduisterd, door zich dit geld in strijd met het Stichtingsdoel toe te eigenen.

Ten aanzien van feit 4: gewoontewitwassen

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij zich aan gewoontewitwassen schuldig heeft gemaakt, tot een bedrag van Awg. 538.330,95. Ter onderbouwing van deze verdenking is in het requisitoir in het bijzonder gewezen op het, in het strafdossier gevoegde, ontnemingsdossier. Zoals hiervoor reeds is overwogen bestaat de witwasverdenking uit drie onderdelen. Van het tweede onderdeel dient verdachte te worden vrijgesproken. Ten aanzien van het eerste en derde onderdeel overweegt het Gerecht als volgt.

Eerste onderdeel: eenvoudige kasopstelling privé-uitgaven

In het ontnemingsdossier is een overzicht gepresenteerd van alle contante privé-uitgaven en -inkomsten die het onderzoeksteam middels een zgn. eenvoudige kasopstelling heeft kunnen vaststellen. Naar het oordeel van het Gerecht zijn de gepresenteerde berekeningen, behoudens de na te noemen uitzondering, logisch en concludent en zijn zij gebaseerd op wettige bewijsmiddelen.

Het Gerecht volgt de berekening niet voor wat betreft de oppas- en schoonmaakwerkzaamheden (deelonderzoek 5), zodat deze vermeende contante uitgave, berekend op Awg. 37.804,75, buiten beschouwing wordt gelaten. Hoewel aannemelijk is dat het gezin van [verdachte] in de betreffende periode een hulp heeft betaald, is zulks niet vast komen te staan.

Het resterende saldo van legale contante inkomsten minus contante uitgaven is (248.638,562 - 37.804,75=) Awg. -210.833,81. Het uitgeven van een dergelijk groot contant geldbedrag, zonder dat daarvoor een legale herkomst kan worden aangewezen, levert een vermoeden van witwassen op.

Het is niet met zekerheid vast te stellen welk gedeelte van dit bedrag rechtstreeks afkomstig is uit door verdachte gepleegde misdrijven, in het bijzonder het aannemen van steekpenningen. In een dergelijk geval kan niettemin bewezen worden geacht dat een goed 'uit enig misdrijf' afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde goed uit enig misdrijf afkomstig is.

2 Vgl. Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling 4.4, pagina 28.

Het Gerecht is van oordeel dat, gelet op het vermoeden van witwassen en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, van verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het contante geldbedrag die als concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is aan te merken. Wanneer een dergelijke verklaring wordt gegeven, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek in te stellen.

Daarbij tekent het Gerecht aan dat voor nader onderzoek door het Openbaar Ministerie slechts aanleiding kan bestaan indien dit nodig is ten behoeve van de waarheidsvinding. Indien het gaat om het verzamelen van informatie die zich in de sfeer van de verdachte bevindt, ligt het op de weg van de verdachte om de verklaring met die informatie te onderbouwen. Als de verdachte dit nalaat, kan dit tot de conclusie leiden dat de verklaring onvoldoende concreet of verifieerbaar is en dat aldus het vermoeden van witwassen niet is ontzenuwd.

Verdachte heeft op verschillende onderdelen aangevoerd dat sprake is van legale inkomsten. Het Gerecht zal deze puntsgewijs bespreken.

De verdediging heeft het door de Landsrecherche gehanteerde beginsaldo betwist. Er zou meer contant geld in huis zijn geweest op 1 januari 2014 dan Awg. 2.715,22, zoals een geldbedrag met betrekking tot de verkiezingscampagne en een bedrag uit huwelijkscadeaus. Naar het oordeel van het Gerecht is deze blote stelling niet concreet en niet verifieerbaar. Er is dan ook geen aanleiding om van het voorgestelde saldo, dat deugdelijk beredeneerd is, af te wijken.

De verdediging voert aan dat er' onzichtbare' contante inkomsten zijn geweest, bijvoorbeeld doordat verdachte een etentje met vrienden giraal betaalt en dat de vrienden hem contant terugbetalen. Naar het oordeel van het Gerecht is deze stelling weliswaar niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk, maar is deze in het geheel niet concreet of verifieerbaar. Het ligt op de weg van verdachte om een dergelijk geval met stukken en verklaringen van de betrokkenen te onderbouwen. Ten aanzien van concerttickets valt het oordeel hieronder overigens anders uit.

Ten aanzien van de aangetroffen facturen met betrekking tot de bouw van de woning (deelonderzoek 4, tot een totaal van Awg. 71.660,05) voert de verdediging aan, dat de berekening niet klopt; er zouden ook offertes zijn meegenomen, waarvan niet vaststaat dat deze betaald zijn. Het Gerecht is van oordeel dat er, behoudens een concrete betwisting, van uit mag worden gegaan dat de facturen daadwerkelijk betaald zijn. De woning is immers gebouwd. Verdachte heeft zich hierover slechts in algemene termen uitgelaten, zodat zijn verklaring niet concreet en niet verifieerbaar is.

De verdediging heeft voorts verwezen naar een verslag van de hand van fiscaal jurist [naam fiscaal jurist]. Daarin zijn eveneens op verschillende punten vraagtekens geplaatst bij de door de Landsrecherche opgestelde berekening. Deze zou ten onrechte geen rekening hebben gehouden met een variëteit aan contante inkomsten uit loterijen, erfenissen, schenkingen, leningen, verkoop van meubels, inboedel en puppies etc.

Naar het oordeel van het Gerecht kan dit verslag geen afbreuk doen aan de juistheid van de berekening. Voor ieder van de aangedragen posten geldt het volgende. Niet uitgesloten kan worden dat verdachte inderdaad legaal contante inkomsten heeft gehad; de verklaring is in zoverre niet hoogst onaannemelijk. Dat op deze wijze contante bedragen zijn ingekomen is echter in veel gevallen niet concreet en steeds niet verifieerbaar. Als de inkomsten al enigszins te onderbouwen zouden zijn, dan had het op de weg van de verdediging gelegen om dat te doen met stukken of verklaringen.

[naam fiscaal jurist] heeft gesteld dat geen rekening is gehouden met vergoedingen die verdachte heeft ontvangen voor dienstreizen. Het betreft echter geen contante vergoedingen, zodat deze terecht buiten de kasopstelling zijn gebleven.

Ten aanzien van vermeende geldelijke bijdragen van de schoonmoeder van verdachte stelt [naam fiscaal jurist] dat de betrekkelijke bewijsstukken door het Openbaar Ministerie in beslag zijn genomen. Deze niet concrete stelling is bestreden door de officier van justitie en is niet aannemelijk geworden, zodat de conclusie voor dit onderdeel niet anders is; de verklaring is op dit onderdeel niet verifieerbaar.

Bij deze stand van zaken is er geen reden om de door [naam fiscaal jurist] aangewezen posten te betrekken bij de eenvoudige kasopstelling.

Dit is slechts anders voor twee posten.

Verdachte zou concerttickets hebben voorgeschoten. Uit de door de verdediging overgelegde bewijsstukken is voldoende aannemelijk geworden dat verdachte in 2015 concerttickets giraal heeft betaald en dat deze door anderen contant zijn terugbetaald. Het Gerecht gaat uit van de zeven tickets ter waarde van $500 elk waarvoor door de betrokkenen is getekend, zodat $3.500 (Awg. 6.125,) zal worden afgetrokken.

Daarnaast heeft de echtgenote van verdachte verklaard dat zij contante bedragen tussen Awg. 25.000 en 100.000 als lening heeft ontvangen van haar grootmoeder. De verdediging heeft een ondertekende verklaring van de grootmoeder overgelegd waarin zij stelt Awg. 45.000 als lening te hebben gegeven om haar schulden of te betalen en dat de lening terugbetaald zal worden als dat mogelijk is. Het Gerecht acht daarmee voldoende aannemelijk geworden dat inderdaad Awg. 45.000,00 contant beschikbaar is geweest. Nu niet blijkt dat dit geld is aangewend voor de onderneming van [medeverdachte 8], betrekt het Gerecht dit geld bij de legale privé-inkomsten van verdachte. Ook deze som zal daarom bij de kasopstelling worden betrokken.

Het totaal voor het onderdeel privé-uitgaven wordt daarmee (248.638,56 - 37.804,75 - 6.125,00 - 45.000,00 -)Awg. 159.708,81.

Tweede onderdeel: zakelijke contante geldstroom bedrijven [medeverdachte 8]

Hiervan dient verdachte zoals hiervoor is overwogen te worden vrijgesproken.

Derde onderdeel: inkomsten uit verduistering

Uit het dossier volgt, zoals hiervoor is overwogen, dat verdachte geld van de Stichting [naam stichting] heeft verduisterd, tot een totaal van Awg. 55.023,14. Uit de bewezenverklaring van deze verduistering volgt dat dit geldbedrag van misdrijf afkomstig is. Verdachte heeft dit geld voorhanden gehad, overgedragen, omgezet en er gebruik van gemaakt.

De verdediging heeft betoogd dat vrijspraak dient te volgen, omdat - zakelijk weergegeven - uit het dossier niet volgt dat verdachte ten aanzien van dit geldbedrag enige verhullingshandeling heeft verricht. Voor strafbaarheid is dit wel vereist, indien ervan wordt uitgegaan dat het geld uit een eigen misdrijf van verdachte afkomstig is, aldus de verdediging.

Het Gerecht verwerpt het verweer. De verdediging verwijst naar rechtspraak betreffende de zgn. kwalificatie-uitsluitingsgrond. Het Gerecht stelt voorop dat dit verweer, indien het slaagt, niet tot vrijspraak leidt, maar tot ontslag van alle rechtsvervolging. Deze strafuitsluitingsgrond is echter slechts van toepassing bij het enkele verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp afkomstig van misdrijf (of daarmee gelijk te stellen handelingen). Verdachte heeft door met het geld betalingen te verrichten het voorwerp echter niet alleen voorhanden gehad maar tevens overgedragen, omgezet en er gebruik van gemaakt. Daarbij verdient opmerking dat het storten van geld op de eigen creditcardrekening, teneinde daarmee een (al dan niet toekomstige) schuld af te lossen, ook als een betaling heeft te gelden en daarmee als overdragen en omzetten.

Conclusie

Uit het vorenoverwogene volgt dat het Gerecht wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van (159.708,81 + 55.023,14 =) Awg. 214.731,95.

Gelet op de frequentie en de ruime periode van het witwassen acht het Gerecht tevens het gewoontewitwassen wettig en overtuigend bewezen.

Ten overvloede overweegt het Gerecht dat het inherent is aan contante betalingen dat deze voor een deel niet geregistreerd worden. Daarom is denkbaar dat het in werkelijkheid witgewassen bedrag (aanmerkelijk) hoger is.

Ten aanzien van feit 5: illegale tewerkstelling

Uit het dossier volgt, zoals onder feit 2 reeds is overwogen, dat verdachte de [nationaliteit] vrouw [betrokkene 6] behulpzaam is geweest bij haar toegang tot Aruba. De bedoeling van verdachte en zijn echtgenote was dat [betrokkene 6] in hun huishouden zou gaan werken als kindermeisje. Zij heeft dit ook daadwerkelijk gedaan en heeft daarvoor een vergoeding ontvangen. Verdachte en zijn echtgenote wisten dat [betrokkene 6] als toerist tot Aruba was toegelaten en niet over een werkvergunning beschikte.

De verdediging heeft betoogd dat geen sprake was van illegale tewerkstelling, omdat [betrokkene 6] niet in dienst was; zij zat in een proefperiode en ontving geen loon, maar slechts een vergoeding.

Dit verweer kan niet slagen. Uit het dossier volgt dat [betrokkene 6] in de gehele ten laste gelegde periode voor het gezin van verdachte heeft gewerkt en daarvoor is betaald. Daarmee staat vast dat zij krachtens overeenkomst arbeid heeft verricht. Dat sprake zou zijn van een proefperiode kan daaraan niet afdoen.

[betrokkene 6] is als toerist tot Aruba toegelaten. Zodra zij aan het werk ging voldeed zij niet langer aan de voorwaarden voor toeristisch verblijf en werd haar verblijf wederrechtelijk. Van illegale tewerkstelling als bedoeld in artikel 2:354 Sr kan echter slechts sprake zijn indien het verblijf van meet af aan wederrechtelijk was.

Het Gerecht overweegt dat uit het dossier blijkt dat verdachte [betrokkene 6] naar Aruba heeft laten komen met de expliciete bedoeling om haar in dienst te nemen als kindermeisje. Op 19 december 2016, een dag voordat zij inreisde, gaf verdachte aan grensambtenaar [ambtenaar 3] te kennen dat hij een garantiebrief nodig had voor een vrouw die bij hem kwam werken, waarna hij [ambtenaar 3] de personalia van [betrokkene 6] toestuurde.

Naar het oordeel van het Gerecht heeft [betrokkene 6] onder valse voorwendselen toegang heeft verkregen tot Aruba. Indien zij, naar waarheid, had gemeld dat zij naar Aruba kwam om te werken, had haar de toegang geweigerd moeten worden. Een onder valse voorwendselen verkregen verblijfstitel is niet geldig, zodat het verblijf van [betrokkene 6] van meet af aan wederrechtelijk is geweest. Daaraan kan niet afdoen dat het toeristisch verblijf in januari 2017 is verlengd. De aanvraag daartoe (map 54, pagina 220) vermeldt niet dat [betrokkene 6] al werkzaam was. De verlenging is derhalve, opnieuw, onder valse voorwendselen verkregen. Dit betekent dat het primair ten laste gelegde bewezen kan worden.

[ambtenaar 3] heeft verklaard dat een inwonende dienstbode volgens hem de toestemming om te werken in Aruba mag afwachten en dat hij [betrokkene 6] daarom als toerist kon toelaten. Die mening is naar het oordeel van het Gerecht, blijkens de verklaring van [ambtenaar 5], directeur van DIMAS, niet juist; voor inwonend personeel gold deze uitzondering niet in december 2016, maar pas vanaf december 2017.

Feit 6: criminele organisatie

Uit hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de feiten 1 en 3 volgt dat verdachte in bewuste en nauwe samenwerking met anderen, jarenlang misdrijven heeft gepleegd. Hij maakte zich structureel schuldig aan het aannemen van steekpenningen en werd daarbij geholpen door, onder anderen, medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3]. Daarnaast heeft hij jarenlang geld verduisterd van de Stichting [naam stichting], daarbij geholpen door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]. Het gaat om een duurzaam samenwerkingsverband, een organisatie derhalve, met verdachte als centrale figuur.

De medeverdachten stonden allen tevens in een legitieme relatie tot verdachte als chauffeur, stichtingsbestuurder, tramitador en secretaresse. De samenwerking had derhalve een niet op het plegen van misdrijven gericht oogmerk. Dit laat echter onverlet dat het samenwerkingsverband daarnaast, eveneens, tot oogmerk had het plegen van de genoemde misdrijven.

Ten laste is gelegd dat de organisatie het plegen van de misdrijven 'misbruik van functie' en 'witwassen' tot oogmerk had. Nu niet blijkt dat een ander dan verdachte zelf hierbij als deelnemer betrokken is geweest, kan het ten laste gelegde in zoverre niet worden bewezen.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1:

Het medeplegen van het als ambtenaar een gift, belofte of dienst aannemen, wetende dat deze hem gedaan, verleend of aangeboden wordt teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten, begaan in zijn hoedanigheid van minister, meermalen gepleegd

en

het medeplegen van het als ambtenaar een gift, belofte of dienst aannemen, wetende dat deze hem gedaan, verleend of aangeboden wordt ten gevolge of naar aanleiding van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening is gedaan of nagelaten, begaan in zijn hoedanigheid van minister, meermalen gepleegd

en

het medeplegen van het als ambtenaar een gift, belofte of dienst vragen, teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen of na te laten, begaan in zijn hoedanigheid van minister, meermalen gepleegd

en

het medeplegen van het als ambtenaar een gift, belofte of dienst vragen naar aanleiding van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening is gedaan of nagelaten, begaan in zijn hoedanigheid van minister, meermalen gepleegd

Feit 2

Als ambtenaar opzettelijk met misbruik van zijn functie of positie iets doen ten einde enig voordeel voor hem of een ander te verkrijgen, meermalen gepleegd.

Feit 3

Het medeplegen van verduistering, meermalen gepleegd

Feit 4

Gewoontewitwassen

Feit 5 primair

Het medeplegen van een ander, die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf in Aruba heeft verschaft, krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid doen verrichten, terwijl hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat de toegang of dat verblijf wederrechtelijk is

Feit 6

Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Oplegging van straf

De officier van justitie heeft, gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast vordert de officier van justitie dat het Gerecht verdachte voor de maximale duur uit het recht om enig ambt te bekleden zal ontzetten. De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis zal worden opgeheven.

De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd.

Het Gerecht overweegt als volgt. Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten aanzien van de ernst van de bewezenverklaarde feiten overweegt het Gerecht in het bijzonder het volgende.

Feit 1, steekpenningen

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een groot aantal incidenten waarbij hij steekpenningen heeft gevraagd en aangenomen. De maatschappelijke context van deze incidenten noopt het Gerecht ertoe om de incidenten in drie groepen onder te verdelen. De ernst van het verwijt dat verdachte terzake gemaakt moet worden verschilt namelijk sterk.

1. Casus Stichting [naam stichting]

In de gevallen van [medeverdachte 20], [medeverdachte 15], [medeverdachte 18], [betrokkene 2]/[betrokkene 3], [medeverdachte 16], [betrokkene 4], [medeverdachte 21], [medeverdachte 17] en [medeverdachte 19] heeft verdachte aan de genoemde ondernemers om geld gevraagd, als koopprijs voor kaartjes voor het Kerstconcert of bijvoorbeeld als schenking voor een goed doel. Verdachte heeft, zoals hiervoor is geoordeeld, daarmee bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de betrokkenen de betaling deden om hem te bewegen een ontheffing van de arbeidsmarkttoets af te geven.

Hoewel het hier derhalve gaat om het aannemen van steekpenningen, verdient de maatschappelijke context van de incidenten hier bijzondere aandacht. Het Gerecht acht het aannemelijk dat de betrokkenen zich er niet of nauwelijks van bewust zijn geweest dat zij een strafbaar feit pleegden. Het Gerecht onderkent dat de door verdachte toegepaste wijze van fondsenwerving middels het organiseren van evenementen, loterijen en dergelijke, gebruikelijk is in de Arubaanse maatschappij.

Thans ontbreekt een wettelijk systeem van campagnefinanciering dat houvast biedt en corruptie tegengaat. Bij deze stand van zaken ligt het op de weg van de ambtenaar, verdachte in dit geval, om uit eigen beweging het nodige te doen om te voorkomen dat hij de wet overtreedt. Verdachte heeft dat nagelaten. Hoewel de strafwaardigheid van het aannemen van de donaties aan de Stichting, gelet op de maatschappelijk omstandigheden, gerelativeerd moet worden, blijft staan dat verdachte van die omstandigheden op oneigenlijke wijze heeft geprofiteerd.

De officier van justitie heeft als strafverzwarende omstandigheid aangevoerd dat verdachte op onjuiste gronden ontheffingen gaf voor buitenlandse werknemers en dat hij daarmee de Arubaanse arbeidsmarkt heeft geschaad. Het Gerecht kan de officier hierin niet volgen; het beleid biedt de minister ruimte voor het verlenen van de ontheffingen. Dat verdachte het beleid opzettelijk onjuist toepaste en daarmee buiten zijn discretionaire bevoegdheid is getreden, is onvoldoende vast komen te staan.

2) Casus overige goederen en gunsten

In de gevallen van [medeverdachte 10], [medeverdachte 11], [medeverdachte 12], [betrokkene 1], [medeverdachte 14] en [medeverdachte 22] heeft verdachte, rechtstreeks of door tussenkomst van een ander, goederen of gunsten gevraagd en aangenomen. Het gaat om contant geld, kratten bier en flessen whiskey en dergelijke, of om bijvoorbeeld de toezegging om op verdachte te stemmen bij verkiezingen. Ook hier wist verdachte dat de ondernemers waarschijnlijk alleen meewerkten omdat ze van hem afhankelijk waren voor de papieren van hun werknemers.

Het Gerecht beoordeelt deze gevallen als emstiger dan de [NAAM STICHTING]-gevallen. In laatstgenoemde zaken participeren de ondernemers in een min of meer gebruikelijke manier van campagnefinanciering en krijgen zij iets terug voor hun bijdrage (concertkaarten of publiciteit). De onderhavige categorie heeft daarentegen

kenmerken van afpersing; de ondernemers voelen zich onder druk gezet om geld of winkelgoederen af te geven, enkel om de goede verhoudingen met de minister niet te verstoren. Verdachte maakt hier duidelijk misbruik van de afhankelijke positie van de ondernemers.

3) Casus [bedrijf R] etc.

In het geval [bedrijf R]/ [bedrijf S]/ [BEDRIJF T] doet zich de ernstigste omkoping voor. Verdachte vraagt om grote sommen geld in ruil voor zijn handtekening in het kader van een ontheffing. Met zijn mededaders [medeverdachte 4], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] creëert verdachte een fictie, door het Openbaar Ministerie treffend een ontheffingenfabriek genoemd. Middels valsheid in geschrifte worden aanvragen voor een ontheffing geproduceerd, kennelijk met als enige doel om voor die ontheffing een betaling te ontvangen. Verdachte heeft op deze wijze ten minste vele tienduizenden florins opgestreken.

Het Gerecht verwijt verdachte dat hij aldus zijn ambt van minister heeft misbruikt. Verdachte heeft het publieke vertrouwen in een integer handelende overheid, welk vertrouwen al onder grote druk staat, ernstig beschaamd en ondergraven.

Feit, 2 misbruik van functie

Het Gerecht verwijt verdachte dat hij zijn functie als minister heeft misbruikt. Het bewezenverklaarde vormt opnieuw een aantasting van het vertrouwen dat het Arubaanse volk in zijn leiders moet kunnen stellen.

Feit 3, verduistering

Het Gerecht verwijt verdachte dat hij het vermogen van [NAAM STICHTING] voor privé-doeleinden heeft aangewend. Dit geeft tevens een negatieve kleuring aan de bedragen die donateurs aan [NAAM STICHTING] gaven. Zij mochten ervan uitgaan dat het geld conform het Stichtingsdoel besteed zou worden, terwijl verdachte van mening was dat hij zich dit geld in privé kon toe-eigenen. Opnieuw tast verdachte aldus het publieke vertrouwen in politici aan.

Feit 4, witwassen

Verdachte heeft een groot, uit misdrijf afkomstig, geldbedrag uitgegeven en daarmee witgewassen. Dit feit schaadt de integriteit van het betalingsverkeer.

Feit 5, illegale tewerkstelling

Bij de beoordeling van de ernst van dit feit betrekt het Gerecht dat het aannemelijk is, dat het moeilijk is om een geschikte kinderoppas te vinden. Niet onaannemelijk is dat veel Arubaanse gezinnen in een vergelijkbare situatie dezelfde verkeerde keuze maken en een hulp in huis halen zonder dat de papieren in orde zijn. Kennelijk is dit feit 'bijvangst' uit het bredere strafonderzoek.

Daar staat (opnieuw) tegenover dat verdachte als minister een voorbeeldfunctie heeft en zich te allen tijde dient te onthouden van het overtreden van de wet. Alles bijeengenomen zal dit feit bij de bepaling van de strafmaat een verwaarloosbare rol spelen.

Feit 6, criminele organisatie

Met de tenlastelegging van dit feit heeft het Openbaar Ministerie naar de inschatting van het Gerecht bedoeld te benadrukken dat verdachte gedurende langere tijd en op georganiseerde wijze misdrijven heeft gepleegd. Als zodanig draagt de bewezenverklaring van deelneming aan een criminele organisatie in deze context niet veel bij aan de strafmaat, maar de ernst van de andere feiten wordt er inderdaad wel door geaccentueerd.

Het Gerecht houdt ook rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Het is evident dat verdachte en zijn gezin veel te lijden hebben gehad onder de vervolging en onder de grote media-aandacht die de zaak heeft gegenereerd. Dit zal echter niet in strafmatigende zin worden meegenomen, omdat deze nadelen niet meer dan een logisch gevolg zijn van het handelen van verdachte in zijn functie als minister.

Wel betrekt het Gerecht in strafmatigende zin het gegeven dat verdachte 79 van de dagen die hij in voorarrest zat, in volledige beperkingen heeft doorgebracht. Voor de lange duur van deze beperkingen, waarvan algemeen bekend is zeer belastend zijn voor verdachte, is geen redelijke verklaring gegeven.

In zijn nadeel weegt het Gerecht mee dat verdachte, kennelijk tegen beter weten in, ieder verwijt blijft ontkennen, geen inzicht toont in het kwalijke van zijn handelen en daar geen verantwoordelijkheid voor neemt.

Het Gerecht zal de eis van officier van justitie niet volgen. Daartoe is redengevend dat het Gerecht op enkele onderdelen, in afwijking van de eis, tot vrijspraak komt. Belangrijker is dat de officier in zijn requisitoir, in afwijking van wat het Gerecht hiervoor heeft overwogen, voor de strafmaat geen onderscheid maakt tussen de verschillende omkopingincidenten en deze kennelijk alle als even ernstig beoordeelt. Hiervoor heeft het Gerecht geoordeeld dat de incidenten in de casus [NAAM STICHTING] aanmerkelijk minder ernstig zijn en een mildere bestraffing verdienen dan, met name, de casus [bedrijf R]. Dit maakt dat in voor verdachte gunstige zin van de strafeis zal worden afgeweken.

Overigens herhaalt het Gerecht dat de bestaande praktijk zoals beschreven in de casus [NAAM STICHTING] wel degelijk in strijd is met de strafwet. Eenieder die betalingen doet aan politici/ambtenaren, alsmede iedere politicus/ambtenaar die om betalingen vraagt, dient zich hiervan rekenschap te geven.

Alles afwegende is het Gerecht van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. In het kader van generale preventie wil het Gerecht middels de strafmaat een duidelijk signaal geven aan politici en aan de maatschappij in bredere zin, dat corruptie onaanvaardbaar is en tot strenge bestraffing leidt. Voor zover daarover nog enig misverstand zou bestaan moet thans helder zijn dat omkoping niet 'normaal' is, ook niet in een kleinschalige samenleving als Aruba.

Ontzetting uit het recht om ambten te bekleden

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat verdachte zal worden ontzet uit het recht om ambten te bekleden.

Het Gerecht deelt de opvatting van de officier dat de bewezenverklaring dit onderdeel van de eis rechtvaardigt. Verdachte heeft ernstig misbruik gemaakt van zijn positie als minister en van het in hem gestelde vertrouwen. Deze langdurige en ernstige integriteitsschending is onverenigbaar met het optreden als overheidsdienaar, in welke hoedanigheid ook. Een ontzetting uit het recht om ambten te bekleden voor de maximale duur is dan ook passend en geboden. Deze maximale duur beloopt gelet op artikel 1:66 lid 1 sub b Sr negen jaren.

Voorlopige hechtenis

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis zal worden opgeheven.

Het Gerecht overweegt als volgt. De voorlopige hechtenis van verdachte is op [datum] 2017 door de rechter-commissaris geschorst. Daarbij heeft deze geoordeeld dat de belangen van strafvordering die maken dat de voorlopige hechtenis moet voortduren niet opwogen tegen de persoonlijke belangen van verdachte om zijn berechting (daaronder begrepen een mogelijke behandeling in hoger beroep) in vrijheid af te wachten. Naar het oordeel van het Gerecht brengt het uitspreken van het onderhavige vonnis geen significante verandering teweeg in deze belangenafweging. Er is dan ook onvoldoende reden om thans tot opheffing van de schorsing over te gaan.

In beslag genomen voorwerpen

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie medegedeeld dat de voortduring van het strafvorderlijk beslag op onder verdachte in beslag genomen voorwerpen niet noodzakelijk is. Voor zover niet tevens conservatoir beslag is gelegd, zullen de voorwerpen aan verdachte worden teruggegeven. Dit maakt dat het Gerecht in het kader van de strafzaak geen beslagbeslissingen zal nemen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:64, 1:65, 1:66, 1:123, 1:136, 2:79, 2:155, 2:298, 2:301, 2:351, 2:354, 2:404 en 2:405 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1, 2, 3, 4, 5 primair en 6 ten laste gelegde feiten heeft begaan als hiervoor omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) jaren;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

ontzet verdachte uit het recht om ambten to bekleden voor de duur van negen (9) jaren;

wijst af de vordering tot opheffing van de schorsing van het bevel voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. D. Gruijters, bijgestaan door mr. M. Witteman (zittingsgriffier), en op 22 februari 2019 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Aruba.

BIJLAGE 1

Gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 30 oktober 2013 tot en met 28 maart 2017 te Aruba tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in zijn hoedanigheid van minister van Sociale Zaken, Jeugd en Arbeid, althans de minister, belast met arbeid van/aan een of meer (rechts)personen, namelijk

casus [A]

- [ [medeverdachte 10], [bedrijf A], [bedrijf B], [bedrijf C] en/of [bedrijf D]

en/of

  • -

    [medeverdachte 11] en/of [bedrijf E]
    en/of

  • -

    [bedrijf F]

en/of

- [ bedrijf G]

en/of

- [ [bedrijf H] en/of [bedrijf I]

en/of

casus overige goederen en gunsten

  • -

    [medeverdachte 12] en/of [bedrijf J]

  • -

    en/of

  • -

    [medeverdachte 13], [bedrijf K]/[bedrijf L], [bedrijf M] en/of [bedrijf N]

en/of

- [ [medeverdachte 14], [bedrijf O] en/of [bedrijf P]

en/of

casus [bedrijf R]

  • -

    [medeverdachte 4] en/of [bedrijf Q]
    en/of

  • -

    [medeverdachte 5]

  • -

    en/of

  • -

    [medeverdachte 6], [bedrijf R] en/of [bedrijf S]/[bedrijf T]

en/of

casus [medeverdachte 4]

  • -

    [medeverdachte 4] en/of [bedrijf Q]

  • -

    en/of

  • -

    [medeverdachte 9], [bedrijf U], [bedrijf V] en/of [bedrijf W]

en/of

- [ [betrokkene 1] en/of [bedrijf X]

en/of

casus Stichting [naam stichting]

- [ [betrokkene 2], [betrokkene 3], [bedrijf Y] en/of [bedrijf Z]

en/of

  • -

    [medeverdachte 15] en/of [bedrijf AA]

  • -

    en/of

  • -

    [medeverdachte 16], [bedrijf AB] en/of

- [ [medeverdachte 17], [bedrijf AC], [bedrijf AD] en/of [bedrijf AE]

en/of

  • -

    [betrokkene 4] en/of [bedrijf AF]

  • -

    en/of

  • -

    [medeverdachte 18] en/of [bedrijf AG]

  • -

    en/of

  • -

    [medeverdachte 19] en/of [bedrijf AH] en/of

- [ betrokkene 5], [medeverdachte 20], [bedrijf AI] en/of [bedrijf AJ]

en/of

casus [medeverdachte 7]

- [ [medeverdachte 7], [bedrijf AK] en/of [bedrijf AL]

en/of

overig

- [ [medeverdachte 21], [bedrijf AM] en/of [bedrijf AN]

en/of

- [ medeverdachte 22] en/of [bedrijf AO]

een of meer giften en/of beloften en/of diensten, namelijk een of meer geldbedragen en/of een of meer winkelgoederen, etenswaren en/of hoeveelheden drank en/of de belofte om aan hem een of meer geldbedragen, winkelgoederen, etenswaren en/of hoeveelheden drank te doen toekomen en/of (een belofte of toezegging tot het geven van) (korting op de) aanleg van een airconditioningsysteem (in zijn woning aan de [adres] te Aruba) en/of de belofte om bij een verkiezing op hem en/of op zijn politieke partij ([NAAM POLITIEKE PARTIJ]) te stemmen en/of om andere personen aan te sporen zulks te doen, heeft aangenomen en/of voor zichzelf en/of een of meer anderen heeft gevraagd, terwijl hij en zijn mededader(s) (telkens) wisten, althans redelijkerwijs moesten vermoeden dat deze giften en/of beloften en/of diensten hem en/of hen werden gedaan, verleend en/of aangeboden teneinde hem en/of hen te bewegen om, al dan niet in strijd met zijn en/of hun plicht, in zijn en/of hun bediening iets te doen en/of na te laten en/of ten gevolge en/of naar aanleiding van hetgeen door hem en/of hen, al dan niet in strijd met zijn en/of hun plicht, in zijn en/of hun huidige en/of vroegere bediening is gedaan en/of nagelaten

namelijk (telkens)

A

het verlenen van ontheffingen van de door het Departemento di Progreso Laboral te verrichten arbeidsmarkttoets en/of het accorderen van aanvragen tot zulke ontheffingen en/of het herzien, wijzigen en/of passeren van beslissingen en/of adviezen van het Departamento di Progreso Laboral en/of het (bevorderen van) het afgeven van verklaringen van geen bezwaar en/of positieve verklaringen tot toetreding tot de arbeidsmarkt (door het Departemento di Progreso Laboral) en/of het (aldus bevorderen van het) afgeven van (tijdelijke) verblijfsvergunningen (met arbeid) (door het Departemento di Integracion, Maneho y Admision di Stranhero)

en/of

B

het (anders dan om zakelijke redenen) begunstigen en/of het geven van een voorkeursbehandeling aan voormelde (rechts)personen en/of het laten ontstaan, in stand houden, onderhouden en/of verbeteren van een relatie tussen hem en/of zijn mededader(s) en voormelde (rechts)personen waarin hij en/of zijn mededader(s) niet meer zo vrij, onbeïnvloed, onafhankelijk en/of objectief waren/ konden zijn bij het nemen van beslissingen in relatie tot voormelde (rechts)personen als in het geval dat hij en/of zijn mededader(s) die giften en/of beloften en/of diensten niet hadden aangenomen of gevraagd

en/of

C

het bespoedigen van een procedure tot het verkrijgen/gunnen van een project (namelijk [naam project]) en/of het bemiddelen bij het verkrijgen/ gunnen van dat project door [betrokkene 4] en/of het aansporen van een collega-minister tot het gunnen van dat project aan die [betrokkene 4] (door ter zake overleg te voeren met de Minister voor Economische Zaken, Communicatie, Energie en Milieu Ruimtelijke Ordening en/of die Minister mede te delen dat hij de aanvraag van die [betrokkene 4] moet goedkeuren)

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 20 april 2015 tot en met 30 januari 2017 te Aruba tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in zijn hoedanigheid van minister van Sociale Zaken, Jeugd en Arbeid, althans de minister, belast met arbeid, opzettelijk met misbruik van zijn functie en/of positie iets heeft gedaan en/of heeft nagelaten te doen teneinde enig voordeel voor hem en/of een ander te verkrijgen, namelijk heeft hij

A

[ambtenaar 1] (in diens hoedanigheid van hoofd van de Directie Arbeid en Onderzoek) verzocht en/of opgedragen om geen controles (op het illegaal tewerkstellen van een of meer personen) te (doen) verrichten in het restaurant [naam restaurant], zodat hij ongestoord dat restaurant kon (blijven) bezoeken en/of geen imagoschade zou oplopen bij bezoeken aan dat restaurant en/of dat restaurant en/of de eigenaar daarvan een of meer personen illegaal tewerk kon(den) (blijven) stellen en/of niet zou(den) worden beboet en/of vervolgd voor de illegale tewerkstelling van een of meer personen en/of voor een of meer andere overtredingen van de Arbeidsverordening 2013

en/of

B'

[ambtenaar 2] (in diens hoedanigheid van bedrijfsinspecteur van de Directie Arbeid en Onderzoek) verzocht en/of opgedragen om geen controles (op het illegaal tewerkstellen van een of meer personen) te (doen) verrichten in het bedrijf [bedrijf AP] en/of om een aldaar aangevangen controle (op het illegaal tewerkstellen van een of meer personen) in het bedrijf [bedrijf AP] af te breken en/of om geen maatregelen te nemen tegen (de eigenaren en/of werknemers van) dat bedrijf en/of om af te zien van het inschakelen van de Guarda Nos Costa, zodat hij (politieke) steun zou ontvangen van de [ethniciteit] gemeenschap en/of [ethniciteit] ondernemers en/of de eigenaren van voormeld bedrijf en/of dat bedrijf en/of de eigenaren daarvan een of meer personen illegaal tewerk kon(den) (blijven) stellen en/of niet zou(den) worden beboet en/of vervolgd voor de illegale tewerk-stelling van een of meer personen en/of voor een of meer andere overtredingen van de Arbeids-verordening 2013

en/of

C

[ambtenaar 3] (in diens hoedanigheid van hoofd van het Instituto Alarma y Seguridad Aruba) verzocht en/of opgedragen om [betrokkene 6] toe te laten tot Aruba, zodat hij die [betrokkene 6] (voor hem) werkzaamheden kon laten verrichten

en/of

D

[betrokkene 7] verzocht en/of opgedragen om aan hem een of meer kratten bier te leveren in ruil voor hulp bij het verkrijgen van een commercieel terrein en/of (bij) het bespoedigen van de procedure tot het verkrijgen van dat terrein (namelijk door ter zake overleg te voeren met de Minister van Ruimtelijke Ordening);

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 december 2014 tot en met 28 maart 2017 te Aruba tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een of meer geldbedragen, geheel of ten dele toebehorende aan de Stichting [naam stichting], in elk geval aan een of meer anderen dan aan hem en/of zijn mededader(s), welke geldbedragen hij en/of zijn mededader(s) als bestuurder van die stichting, in elk geval anders dan door misdrijf, onder zich had(den), wederrechtelijk zich heeft/hebben toegeëigend;

4

dat hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 28 maart 2017 te Aruba tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich een of meermalen schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s) (telkens) (van) een of meer voorwerpen, te weten geldbedrag(en) met een totale waarde van Awg 538.330,95, althans een of meer geldbedragen,

A

de werkelijke aard, herkomst, vervreemding en/of verplaatsing verborgen en/of verhuld en/of verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die geldbedrag(en) was/waren en/of wie dat/ die geldbedrag(en) voorhanden heeft/hebben gehad of hadden

en/ of

B

overgedragen, omgezet en/of voorhanden gehad en/of van dat/ die geldbedrag(en) gebruik gemaakt,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) (telkens) wisten of begrepen dat dat/ die geldbedrag(en), onmiddellijk of middellijk, afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

hij in of omstreeks de periode van 20 december 2016 tot en met 28 maart 2017 te Aruba tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [betrokkene 6], die zich wederrechtelijk toegang tot of verblijf op Aruba had verschaft, krachtens overeenkomst of aanstelling arbeid heeft doen verrichten, terwijl hij en zijn mededader(s) wisten of ernstig reden hadden om te vermoeden dat die toegang of dat verblijf wederrechtelijk was;

subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling kan of mocht leiden:

hij in of omstreeks de periode van 20 december 2016 tot en met 28 maart 2017 te Aruba tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [betrokkene 6] in dienst nam of hield, terwijl hij en zijn mededader(s) wisten of redelijkerwijs konden vermoeden dat die [betrokkene 6] in strijd handelde met de bij of krachtens de Landsverordening Toelating, Uitzetting en Verwijdering gestelde voorschriften;

meer subsidiair, althans indien het vorenstaande niet tot een veroordeling kan of mocht leiden:

hij in of omstreeks de periode van 20 december 2016 tot en met 28 maart 2017 te Aruba tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [betrokkene 6] werkzaamheden heeft laten verrichten terwijl die [betrokkene 6] niet beschikte over een geldige verblijfstitel;

hij in of omstreeks de periode van 30 oktober 2013 tot en met 28 maart 2017 te Aruba heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit hem, [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 4], [medeverdachte 3] en/of meer andere (rechts)personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van een of meer misdrijven (namelijk ambtelijke omkoping, misbruik van functie, verduistering en/of witwassen).

BIJLAGE 2

BEWIJSMIDDELEN [VERDACHTE]

1. proces-verbaal Algemeen dossier en relaas (map 1, p. 12), inhoudende als relaas van de verbalisanten:

[VERDACHTE] is vanaf 2013 als MSJA (het Gerecht begrijpt: Minister van Sociale Zaken, Jeugd en Arbeid) aangesteld en fungeert als zodanig in het kabinet [naam kabinet]. [VERDACHTE] heeft arbeidsaangelegenheden in zijn portefeuille. Onderdeel daarvan is het toetsen van aanvragen voor een vergunning tot tijdelijk verblijf met arbeid aan de Arubaanse arbeidsmarkt, welke toetsen door DPL worden uitgevoerd. Hieromtrent is door het ministerie van [VERDACHTE] beleid gemaakt, waaruit blijkt dat [VERDACHTE] het prerogatief heeft om op bepaalde gronden ontheffingen van de arbeidsmarkttoets te verlenen.

2. proces-verbaal ter zake witwassen d.d. 23 maart 2018 (map 55, p. 20), inhoudende als relaas van de verbalisanten:

Op 28 maart 2017 hebben er verschillende huiszoekingen plaatsgevonden in het onderzoek [onderzoeksnaam] waardoor het onderzoek bij de verdachten bekend is geworden. Op 29 maart 2017 heeft [VERDACHTE] zijn functie ter beschikking gesteld hangende het onderzoek.

3. De verklaring van de verdachte afgelegd op de terechtzitting d.d. 14 januari 2019, inhoudende:

Het klopt dat ik van ondernemers als donatie kratten bier, een paar flessen [merk 1] en bijvoorbeeld soep heb gekregen ten behoeve van door mij georganiseerde evenementen. In voorkomende gevallen vroeg ik de ondernemers om een donatie voor de evenementen.

Casus [A]

4. proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 10] d.d. 18 april 2017 (map 32, p. 40-46), inhoudende als verklaring van medeverdachte [medeverdachte 10]:

Ik ben directeur van [bedrijf A] en [bedrijf C]. Verder heb ik ook een restaurant met de naam [bedrijf B]. Als ik mijn aanvragen indien, bel ik minister [verdachte] van Arbeidszaken op om het proces tot het verkrijgen van een positieve verklaring te versnellen. [verdachte] belt mij vaak op om kratten bier, whisky, vodka, champagne en andere goederen. Ik geef hem dan die goederen gratis en vraag hem dan ook hierbij om mij te helpen met het versnellen van het proces voor het verkrijgen van een positieve verklaring. [verdachte] vraagt mij vaak voor alcoholische dranken wanner hij een feest heeft. Dus meestal voor privédoeleinden. Bijvoorbeeld voor een viering met zijn werknemers. Soms stuurt [verdachte] ook een van zijn werknemers om de goederen op te halen. Soms komt zijn chauffeur. [verdachte] vraagt mij steeds om goederen en ik gaf deze ook aan hem in ruil voor zijn diensten om het proces te versnellen. [verdachte] is een vriend van mij, maar ik heb het gevoel dat als ik hem niet gratis de goederen geef, dat hij kwaad zal worden en mij dan niet meer zal helpen met de positieve verklaringen.

5. proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 10] d.d. 18 april 2017 (map 32, p. 47-57), inhoudende als verklaring van medeverdachte [medeverdachte 10]:

V: Heeft Minister [verdachte] jou gebeld in de periode dat jij in afwachting was van de positieve verklaring voor de aanvragen van [medewerker 1] en [medewerker 2] en waarvoor heeft hij jou gebeld?

A: Ja. Hij heeft mij in die periode gebeld om te vragen naar bier en whisky. Hij zei dan niet tegen mij om hem deze producten te geven in ruil om de positieve verklaring te ondertekenen. [verdachte] zei tegen mij dal hij een of andere viering heeft en dat hij kratten bier en whisky nodig heeft en of ik hem deze producten kan geven. Ik doe dat ook.

V: Naast voornoemde twee gevallen van verzoek tot ontheffing, heb je nog meer ontheffingen met betrekking tot jouw bedrijven of die van iemand anders bij de Minister [verdachte] gevraagd?

A: Ik herinner mij een geval van de supermarkt [bedrijf E] te [gehucht 1]. Ik werd door een [ethniciteit] vrouw benaderd. Haar meisjesnaam is [MEISJESNAAM MEDEVERDACHTE 11]. Zij zei tegen mij dat er bij hun een negatieve verklaring is uitgekomen en vroeg aan mij of ik haar kon helpen. Ik heb haar namelijk een keer verteld dat ik twee positieve verklaringen van de minister heb gekregen. Ik zei tegen haar dat ik haar kon helpen doordat ik de minister ken en telefonische contacten met hem heb.

V: Heeft Minister [verdachte] jou iets in rekening gebracht voor het geval van [bedrijf E]?

A: Ja. [verdachte] heeft mij om 10 kratten bier [merk 2], 3 flessen whisky [merk 1] en Awg. 1000,- aan contant geld hiervoor gevraagd. De kratten bier heb ik zelf uit mijn supermarkt aan [verdachte] gegeven. Later heb ik die bij [bedrijf E] in rekening gebracht. lk schat dat ik aan bier en whisky ongeveer Awg. 926,- van [bedrijf E] heb gekregen. De Awg. 1000,- heb ik contant van de [ethniciteit] vrouw genaamd [medeverdachte 11] van [bedrijf E] gekregen.

Dus wat [bedrijf E], middels de [ethniciteit] vrouw [MEDEVERDACHTE 11], aan [verdachte] heeft betaald voor de positieve verklaring komt neer op ongeveer Awg. 2000,-. Ik heb aan de vrouw [MEDEVERDACHTE 11] ook verteld dat Minister [verdachte] tegen mij zei dat hij de kratten bier, whisky en het contact geld van Awg. 1000,= in rekening brengt in ruil voor de positieve verklaring. Ik zei tegen haar dat als zij niet zou betalen de positieve verklaring niet zou worden afgegeven.

6. proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 11] d.d. 19 april 2017 (map 33, p.177 en 178), inhoudende als verklaring van medeverdachte [medeverdachte 11]:

V: Werd u naast het geldbedrag, iets anders in rekening gebracht voor het geval van de afgifte van een Positieve verklaring van DPL voor [bedrijf E]?

A: [medeverdachte 10] heeft mij een keer gezegd dat ik ook naast het geldbedrag twee kratten bier van

het merk [merk 2] en een fles van [merk 1] zou moeten geven. Ik heb deze producten nog niet afgegeven. Ik heb twee keer een bedrag van 750 florin betaald. Ik ben [medeverdachte 10], of degene die deze producten moet krijgen, nog schuldig. Ik weet niet of [medeverdachte 10] deze producten

heeft afgegeven. Volgens mij zei [medeverdachte 10] iets dat er op een vrijdag voor een feest deze producten gewenst waren door de person of personen, die voor de positieve verklaring zouden zorgen.

V: Als je niet zou hebben betaald, denk je dat je de positieve verklaring van DPL zou hebben gekregen?

A: Ik zou dit niet hebben gekregen. Ik vermoed dat naar aanleiding van de door mijn echtgenoot ondertekende brief d.d. 1 november 2016, Minister [verdachte] de aanvraag voor een slager in positief heeft veranderd. De positieve verklaring heb ik vervolgens bij DIMAS op 1 februari 2017 ingediend.

7. proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 10] d.d. 19 april 2017 (map 32, p. 58-75), inhoudende als verklaring van medeverdachte [medeverdachte 10]:

O: Uit afgeluisterde tapgesprekken blijkt dat Minister [verdachte] jou onder meer steeds vraagt voor geld, kratten bier, flessen whisky, blikjes tonijn, blikjes zalm, champagne, zakken ijs en vuurwerk. De verdenkingen zijn dat [verdachte] die producten gratis van jou heeft gekregen.

V: Wat kan je hierover verklaren?

A: Ik heb deze producten inderdaad gratis aan hem gegeven. [verdachte] heeft mij om deze producten gevraagd. Hij heeft mij nooit gevraagd wat deze producten kosten. Dus [verdachte] wilt dat deze producten aan hem werden gegeven om mij te helpen met de positieve verkiaringen.

8. proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 10] d.d. 19 april 2017 (map 32, p. 76-82), inhoudende als verklaring van medeverdachte [medeverdachte 10]:

Ik kan mij herinneren dat de laatste keer dat hij belde om geld te vragen, hij ook bij mij was geweest om het geld op te halen. Hij kwam aanrijden in zijn auto bij [bedrijf A]. [verdachte] belde mij op en zei dat hij buiten de supermarket stond en om naar hem toe te gaan. Ik ging naar hem toe en had hem 500 dollar gegeven. Het was de eerste maar ook de laatste keer dat ik [verdachte] geld had gegeven, dat niet direct te maken had met een positieve verklaring die ik moest krijgen voor een medewerker. Het is wel zo dat ik niet kon weigeren geld aan [verdachte] te geven, want het kan best mogelijk zijn dat ik in de toekomst zijn hulp nodig heb voor een positieve verklaring.

9. proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 10] d.d. 27 augustus 2017 (map 32, p. 83-94), inhoudende als verklaring van medeverdachte [medeverdachte 10]:

Op 3 oktober 2016, om 11:46:52 uur, stuurt [verdachte] jou een bericht met een foto van het positief advies van [bedrijf F].

V: Wat kan je over dit geval verklaren.

A: Dit een soortgelijk geval als die van [bedrijf E]. De eigenaar van [bedrijf F] waren op de hoogte dat ik goede contacten had met minister [verdachte] en heeft mij gevraagd om hem hiermee te helpen.

10. proces-verbaal van bevindingen verdenking [medeverdachte 10] d.d. 21 februari 2017 (map 32, P. 1-19), inhoudende als relaas van de verbalisanten:

Bevindingen tapgesprek TPN2077 d.d. 24 november 2016 te 15:21:21 uur

In dit gesprek komt naar voren dat [MEDEVERDACHTE 10] kopieën van documenten naar [VERDACHTE] heeft gestuurd, waarbij hij tegen [VERDACHTE] heeft dit gezegd dat hij het zeer snel moet hebben.

In dit gesprek vraagt [VERDACHTE] aan [MEDEVERDACHTE 10] om kratten bier van het merk [merk 3] en twee flessen whisky van het merk [merk 1]. [VERDACHTE] zegt tegen [MEDEVERDACHTE 10] dat hij die zelf intien minuten in zijn auto zal komen ophalen.

Bevindingen tapgesprek TPN2085 d.d. 24 november 2016 te 16:30:43 uur

In dit gesprek zegt [VERDACHTE] tegen [MEDEVERDACHTE 10] dat zijn chauffeur binnen is om de twee flessen whisky van het merk [merk 1], twee kratten bier van het merk [merk 3], een krat bier van het merk [merk 2] en zes/zeven zakken met ijs op te halen. In dit gesprek vraagt [MEDEVERDACHTE 10] aan [VERDACHTE] voor de dinges van [bedrijf E], waarop [VERDACHTE] tegen [MEDEVERDACHTE 10] zegt dat hij een bezwaar moet indienen.

Uit het onderzoek naar de DPL documenten blijkt dat [VERDACHTE] in het jaar 2016 ten behoeve van [bedrijf A] ([bedrijf D]) een ontheffing heeft verleend/geaccordeerd, ten behoeve van [bedrijf B] een ontheffing (wijziging) heeft verleend/ geaccordeerd en ten behoeve van [bedrijf E],

ook een ontheffing heeft verleend/geaccordeerd. Hel betreft hier in totaal drie ontheffingsbrieven die "[MEDEVERDACHTE 10]" direct of indirect aan [VERDACHTE] heeft gestuurd, waarop [VERDACHTE] middels het plaatsen van zijn handtekening zijn akkoord heeft gegeven. Al deze brieven zijn voorzien van de dienststempels van het bureau van MSJA.

Casus [medeverdachte 12]

11. proces-verbaal van bevindingen omtrent leveren goederen en gunsten d.d. 17 maart 2017 (map 4, p. 11-13), inhoudende als relaas van de verbalisanten:

Uit onderstaand gesprek gebleken dat [MEDEVERDACHTE 1] om gratis bier aan ene [medewerker 3], medewerker [bedrijf J] vraagt.

"[MEDEVERDACHTE 1]: Ik wil je een gunst vragen. Ik wil weten of je de minister kan helpen Hij was op de dag 7 jarig. Ja? Hij wil vandaag iets vieren, hij vraagt of je met hem kan meewerken [...] met twee kratten van [merk 2]?

[MEDEWERKER 3]: Vervelend! [merk 4]? (gelach)

[MEDEVERDACHTE 1]: Nee, hij drinkt [merk 4] niet. Hij drinkt [merk 2].

"[MEDEWERKER 3]: [...] Wanneer ik jullie voor gunst vraagt, komt hij niet hier.

[MEDEVERDACHTE 1]: Zeker, wanneer jij mij vraagt,

[MEDEWERKER 3]: Vervelend!

[MEDEVERDACHTE 1]: Zeg ik tegen hem en hij helpt jou meteen! [...]

[MEDEWERKER 3]: [...] Volgende keer dat hij komt zeg wel tegen hem om het wel te doen [...]

[MEDEVERDACHTE 1]:Mh.

[MEDEWERKER 3]: Blijf niet draaien [...]

[MEDEVERDACHTE 1]: (gelach)

[MEDEWERKER 3]: Zeg hem voor mij.

[MEDEVERDACHTE 1]: Hij bleef niet draaien [...] Hij heeft het meteen voor mij gedaan. Ik heb jou gezegd!

[MEDEWERKER 3]: Ik heb nog één meer voor jou. Jij...

[MEDEVERDACHTE 1]: Nog één meer

[MEDEWERKER 3]: Gaat voor mij doen.

[MEDEVERDACHTE 1]: Oke.

[MEDEWERKER 3]: Maar je gaat mij ook niet in rekening brengen! Oke?

[MEDEVERDACHTE 1]: Ik breng je nooit in rekening schat!

[MEDEWERKER 3]: Oke, goed.

[MEDEVERDACHTE 1]: Ah.

[MEDEWERKER 3]: Jij...(Gelach) twee kratten van [merk 2]?

[MEDEVERDACHTE 1]: Aha (ja).

Uit onderzoek is gebleken dat met [MEDEWERKER 3] [MEDEVERDACHTE 12], geboren [geboortedatum]

wordt bedoeld en met [bedrijf J] en vermoedelijk [bedrijf J].

Op 11 november 2016 wordt [medeverdachte 1] gebeld door [VERDACHTE].

[MEDEVERDACHTE 1] = Mvd 1

[VERDACHTE] [=Vd]

Vd: Ze zijn het bij jouw thuis komen wassen. Luister eens! Ehhm, heb je de krat voor

mij gekregen?

Mvd 1: Die van [betrokkene 7] moet ik nog gaan halen.

Vd: Eentje?

Mvd 1: Hij heeft mij eentje gegeven, maar ik ben... (wordt door [verdachte] onderbroken)...

Vd: lk ben bezig met [bedrijf J] daar.

Uit het beslag is gebleken dat op 5 juli 2016 ten behoeve van [bedrijf J] door minister [verdachte] een ontheffing voor de arbeidsmarkt is verleend voor [medewerker 4]

12. proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 12] d.d. 2 mei 2017 (map 33, p. 166) inhoudende als verklaring van medeverdachte [medeverdachte 12]:

De kratten bier van het merk [merk 2] werden door [medeverdachte 1] en de Minister opgehaald. De kratten bier waren voor de minister als cadeau omdat hij jarig was en omdat [medeverdachte 1] mij dit vroeg.

Casus [medeverdachte 14]

13. proces-verbaal van bevindingen omtrent leveren goederen en gunsten d.d. 17 maart 2017 (map 46, p. 9-11), inhoudende:

Uit onderzoek binnen het register van de kamer van koophandel is gebleken dat [medeverdachte 14] eigenaar of directeur is van [bedrijf O]

[verdachte] [=Vd]

[medeverdachte 14]=Mvd 14

Op 11 november 2016 uur belt [VERDACHTE] naar [medeverdachte 14]

[Vd]. Nee, maar ik weet. Hey, ik heb twee kratten van [merk 2] nodig.

[Mvd 14]: (Een zucht.) ik heb die zaak van daar niet meer. Ik heb het verhuurd aan,..

Vd: Dat is geen probleem gezien jij de baas bent, jij bent de baas.

[Mvd 14]: De baas?

Vd.' Twee kratten van [merk 2]!

[Mvd 14]: Nee, maar ik heb ze niet.

[Vd]: Ik zal [medeverdachte 1] nu sturen om ze op te halen.

[Mvd 14]: Nee! ik heb geen krattenbier!

[Vd]: Hij staat al daar buiten.

[Mvd 14]: Nee, maar als ik geen bier heb! Ik ben jou aan het zeggen dat ik dat ding heb verhuurd en('onduidelijk).

[Vd].' (onduidelijk) Twee flessen dan van [merk 1] hallo.

[Mvd 14]: (Gelach) Ik heb niks.

Vd: Ja, klote, twee of drie.

Op 15 december 2016 belt [VERDACHTE] naar [medeverdachte 14]

[VERDACHTE] [=Vd]

[medeverdachte 14] = [Mvd 14]

[Vd]: Morgen hebben wij, morgen, hebben wij concert van [concertnaam].

[Mvd 14]: Aha.

[Vd]: Ik heb nodig, ik heb twee krattenbier als donatie.

[Mvd 14]: Mh! Ik heb geen bier daar. Ik heb het bedrijf onder verhuurd. Als wij ontmoeten kan ik twee krattenbier van [merk 3] kopen bij...

[Mvd 14]: Luister! Ik zeg je een ding! Luister! Ik heb iets persoonlijk om met jou te praten.

[Vd]: Oke, maar je zal morgen gaan of niet?

[Mvd 14]: Morgen zal ik gaan. Morgen zal ik gaan omdat ik met [naam collega minister] moet praten, want...

[Vd]: Oke.

[Mvd 14]: Dan wij moeten daar praten! Het moet tussen jij en ik alleen, maar er is iets anders! lk

kan vergunning krijgen. lk zal een grotere bar boven de biljard (onduidelijk) om

vrouwen daarin te zetten. Kan ik vergunning voor twee vrouwen krijgen of niet?

Voor de bar. De bar boven.

[Vd]: Ja, maar laten wij het persoonlijk praten, broer!

[Mvd 14]: Nee, nee, maar dat is persoonlijk. De andere is voor een andere persoon, maar het is iets gemakkelijk. Het is gemakkelijk.

[Vd]: Hee! Wanneer, wanneer zal ik jou zien? Om de twee kratten te kunnen krijgen.

Op 16 december 2016 wordt [MEDEVERDACHTE 1], gebeld door [VERDACHTE]

[MEDEVERDACHTE 1] = [Mvd 1]

[VERDACHTE] [=Vd]

[Mvd 1]: Jeetje! Nu hen ik van de bank weg aan het gaan, broer. Stop met sodemieten.

[Vd]: Bank, bank. Heb je [medeverdachte 14] ontmoet?

[MVD 1]: Jullie doden mij, jullie doden mij. Ja, [medeverdachte 14]! lk heb al die dingen al gedaan!

[Vd]: Oke! Kom terug zodat wij van hier kunnen weggaan.

Uit onderzoek binnen het beslag is onder andere gebleken dat de onderstaande dossiers betrekking hebben op vier aanvragen gedaan door [bedrijf O], gevestigd [adres] [gehucht 2]:

Bedrigsna am

Direekteu r /

bestuurde

Datum aanvraa g

functie

Naam

werknem

er

Advies DPL Dossier.

Ontheffi ng

MInJSA

Afglfte Datum

Aantal

[bedrijf O]

[medeverdachte 14]

[werk

dachte

nemer

Positief

14]

20-1-

1]

Geen

16-12-

12-2-

2015

kok

21,2015

2014

2015

1

[bedrijf O]

[medeverdachte 14]

Negatief

dachte

11-5-

14

[werk

2015

Positief

18-6-

nemer

671.2015

22-5-

14-7-

2015

waitress

2]

2015

2015

1

[bedrijf O]

[medeverdachte 14]

[werk

Negatief

Positief

dachte

18-6-

nemer

11-

22-5-

14-7-

14

2015

kok

3]

5-2015

2015

2015

1

[bedrijf O]

[medeverdachte 14]

Negatief

dachte

29-

14

24-7-

[werknemer

6-2015

Positief

2015

kok

4]

771.2015

3-7-2015

4-8-2016

1

14. proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 14] 2 oktober 2017 (map 46, p. 282) inhoudende als verklaring van medeverdachte [medeverdachte 14]:

V: Wat heb je [verdachte] in rekening gebracht voor de kratten bier en zoete brood?

A: Nee, hoe kan ik hem dat in rekening brengen, hij is een goede vriend van mij. Hij is of ja was namelijk de minister van Arbeid en voor zaken aangaande vergunningen moet je bij hem zijn.

Casus [bedrijf R]

15 proces-verbaal van bevindingen (map 35, p. 1-19), inhoudende:

[MEDEVERDACHTE 4] staat in het register van Kamer van Koophandel geregistreerd als eigenaar van [BEDRIJF Q].

[MEDEVERDACHTE 5] treedt op als tussenpersoon voor de aanvragen van

werkvergunningen en in relatie hiertoe staat hij in direct contact met [verdachte]. Hij doet dit voor de aanvragen namens [BEDRIJF R] en [BEDRIJF S].

[MEDEVERDACHTE 6] is eigenaresse, directrice van het bedrijf [BEDRIJF R]. Gebleken is dat [medeverdachte 6] regelmatig optreed als tussenpersoon tussen [verdachte] in relatie tot vergunningaanvragen.

In totaal werd door [VERDACHTE] in 59 gevallen ontheffing verleend voor de arbeidsmarkt toetsing DPL op aanvragen waarbij [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 6] als contactpersoon/gemachtigde optraden.

16. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [medeverdachte 4] op de terechtzitting d.d. 14 januari 2019, inhoudende:

Als een negatieve verklaring afgegeven werd door DPL dan kon je naar de minister voor een ontheffing van de arbeidsmarkttoets. Als je geld betaalde aan de minister dan kon hij een negatief omzetten naar een positief. Ik weet niet precies hoe hoog het bedrag was, maar in ieder geval veel geld. Dat bedrag werd betaald voor de aanvrager. [medeverdachte 6] wist wat er gebeurde. Ik begreep dat zij op de hoogte was dat het geld naar [verdachte] ging.

17. proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 5] d.d. 2 oktober 2017 (map 36, p. 423- 442), inhoudende als verklaring van medeverdachte [medeverdachte 5]:

Ik denk dat ik in de afgelopen drie en een half jaar tussen 10 en 12 gevallen geld heb gebracht naar [verdachte]. Het zijn allemaal gevallen of personen die via mij zijn gelopen. Van de twee eerste gevallen heb ik al verklaard, hoe ik het geld van [betrokkene 8] en zijn echtgenote [betrokkene 9] heb gekregen. Het geval van [betrokkene 10] was het laatste geval. De andere gevallen betroffen allemaal personeel om bij [bedrijf R] en/of [bedrijf S] te komen werken en ik had hen niets in rekening gebracht, dan het bedrag van Awg. 2500,- bestemd voor [verdachte]. Ik gaf aan hen ook door dat het voor de persoon is, die aan de hand van het bezwaarschrift ervoor zou tekenen om zodoende aan een positieve verklaring van DPL te kunnen komen. Het bedrag van Awg. 2500,- dat ik aan hen vroeg, was voor [verdachte] bestemd omdat [verdachte] mij dit bedrag had doorgegeven. Van de gevallen die via [medeverdachte 4] waren gegaan en geld werd gevraagd van de klanten voor het regelen van de werkvergurming ten name van [bedrijf R] en [bedrijf S], was [medeverdachte 4] degene die liet geld zelf van hen, dus van de personen/werknemers, in ontvangst nam en vervolgens geld naar [verdachte] bracht. Het geld dat [medeverdachte 4] aan [verdachte] gaf was voor elke aanvraag van [bedrijf R] en/of [bedrijf S] dat hij ([verdachte]) tekende.

18. Een geschrift, te weten een op schrift gestelde verklaring van [medeverdachte 4] d.d. 14 januari 2019, inhoudende:

Nadien diende ik verzoeken voor ontheffingen in bij [verdachte]. Ik maakte daarvoor een afspraak en ging daar heen en sprak dan alleen met [verdachte]. Hij nam de papieren aan en vroeg hoeveel er voor hem bij was. Ik vroeg hem hoeveel hij dan wilde hebben en hij zei dan een bedrag: meestal tussen Awg. 1500 en 3000. Ik heb lange tijd bemiddeld voor de werknemers van [bedrijf U]. lk vertelde aan [medeverdachte 9] dat ik - bij weigering van de toelating tot de arbeidsmarkt - kon helpen, maar dat het meer geld zou gaan kosten, want het was extra werk etc. Voor [bedrijf U] heb ik misschien 4 of 5 ontheffingen geregeld. Ik deed ook ontheffingsverzoeken voor [bedrijf R] en [bedrijf S]. Af en toe belde [verdachte] mij op en stuurde hij mij een in een paar gevallen naar iemand.

Casus [medeverdachte 9]

19. proces-verbaal van bevindingen casus [medeverdachte 4], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] d.d. 21 maart 2017 (map 35, p. 1-19), inhoudende als relaas van de verbalisanten:

[medeverdachte 9] is bij de Kamer van Koophandel en Nijverheid op Aruba geregistreerd als belanghebbende bij een twintigtal bedrijven waaronder ook als directeur van [bedrijf U], [bedrijf V] en [bedrijf W]. Het is bij de opsporingsambtenaar van het onderzoeksteam bekend dat [medeverdachte 9] ook wel [ROEPNAAM MEDEVERDACHTE 9] wordt genoemd.

Op 23 december vond telefoongesprek plaats tussen [VERDACHTE] en [MEDEVERDACHTE 5]. Verderop in het gesprek wordt de telefoon overgegeven door [MEDEVERDACHTE 5] aan [MEDEVERDACHTE 4]. Hieronder worden een aantal passages vermeld die voor dit proces-verbaal relevante bleken te zijn;

[Vd =] [verdachte]

[Mvd 4]= [medeverdachte 4]

[Mvd 4]: Maar luister eens Minister. Er is een ander van [roepnaam medeverdachte 9] (noot verbalisant: [roepnaam medeverdachte 9] is vermoedelijk [MEDEVERDACHTE 9],) die in juni al werd ingediend. Maar, hij heeft de

betalingen al gedaan en alles, hij is klaar, maar wat er gaande is, zij misten het

papier van DPL. Dat hebben ze nog niet gekregen.

Vd: (onduidelijk),..

[Mvd 4]: De naam is [naam] (fon) (noot verbalisant: vermoedelijk [medewerker 5])

P: Is goed, ik zat het voor jou regelen,

[Mvd 4]: In juni, Dat heeft Minister al geregeld, ik weet dat alles al klaar is, maar zij misten nog het papier, heb je begrepen?

Vd: OK

(na het gesprek met [verdachte] bleef de telefoon open. [medeverdachte 4] zegt tegen een NN man op de achtergrond)

[Mvd 4]: nu zelf heeft hij vijfduizend gulden gekregen voor [ethniciteit].

NN man: Hij moest het in juni hebben gekregen, volgens mij.

[Mvd 4]: hij zei dat hij de betaling ervoor al heeft gekregen; maar het valt niet daaronder.

20. proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 9] d.d. 14 juni 2017 (map 29, p. 51-63), inhoudende als verklaring van medeverdachte [medeverdachte 9]:

[medeverdachte 4] heeft wel aan mij gezegd dat ik moet betalen. Nogmaals voor eerste aanvraag heeft hij mij Awg. 4000 of Awg. 5.000,= in rekening gebracht.

O: Je hebt zonet hebt zonet verklaard dat jij voor de eerste drie aanvragen, die [tramitador 1] voor jou heelt gehandeld, niets hoefde de betalen, terwijl zodra [medeverdachte 4] voor jou de aanvragen van DPL en ontheffingsbrieven ging regelen om een positieve verklaring te kunnen krijgen, je wel grote geldbedragen aan [medeverdachte 4] hebt betaald. Je verklaarde dat je niet weet aan wie [medeverdachte 4] geld zou hebben betaald voor het regelen en versnellen van een positieve verklaring. Je werd geconfronteerd met het feit dat [medeverdachte 4] de bevoegdheid niet heeft om ontheffingsbrieven te accorderen en positieve verklaringen te kunnen versnellen. Wij hebben de verdenkingen dat jij wel degelijk op de hoogte bent wie [medeverdachte 4] betaald hado m de ontheflingsbrieven van Minister [verdachte] geaccordeerd te kunnen krijgen, zodat de DPL een positieve verklaring kon opmaken ten behoeve van jouw bedrijven c.q. van jou.

V: Wat kan je over onze verdenkingen verklaren?

A: Ik vond dit ook vreemd. Ik begrijp uw verdenkingen. [medeverdachte 4] heeft de positieven snel voor mij geregeld. Ik had toch wel veel negatieve verklaringen ontvangen die in het belang van mijn bedrijven in positieven veranderd moesten worden, zodat ik mensen kon krijgen om in mijn bedrijven te kunnen werken. Ik kan me nu indenken dat hij geld aan bepaalde personen moest hebben betaald om de handtekening van de Minister te kunnen krijgen en de procedure voor de afgifte van een positieve verklaring voor mijn bedrijven te kunnen versnellen.

Casus [betrokkene 1]

21. proces-verbaal van verhoor medeverdachte [betrokkene 1] d.d. 11 april 2017 (map 36, p. 715-720, inhoudende als verklaring van medeverdachte [betrokkene 1]:

Wij hebben twee bedrijven te [gehucht 3], [bedrijf X] en [bedrijf AQ].

Volgens mij had [medeverdachte 4] mij in augustus 2015 benaderd. [medeverdachte 4] zei tegen mij dat indien ik een positieve verklaring wil krijgen voor de aanvragen voor de werkvergunning van [medewerker 6] en [medewerker 7] ik daarvoor per aanvraag een bedrag van Awg. 1500 moet betalen voor een positieve verklaring. [medeverdachte 4] zei tegen mij dat hij namens de minister dit bedrag komt vragen, omdat de minister dit persoonlijk niet kan doen. Ik zag dat [medeverdachte 4] een stukje papier bij zich had, waarop de namen van [medewerker 6] en [medewerker 7] geschreven stonden en dat toen hij de namen noemde, deze vanaf het stukje papier las. Ik was verbaasd, omdat [tramitador 2] inderdaad twee aanvragen voor verlenging van hun werkvergunning ten name van deze twee personen op ons verzoek gedaan had bij DPL. Ik vond het vreemd dat [medeverdachte 4] deze namen bij zich had, maar heb hem niet gevraagd hoe hij aan die namen was gekomen. Ik zei tegen [medeverdachte 4] dat ik de twee werknemers ging vragen of zij bereid waren om het bedrag te betalen. Uiteindelijk zijn de werknemers degenen die in rekening worden gebracht voor aangebonden kosten

voor het verkrijgen van een werkvergunning. Aan [medeverdachte 4] heb ik verder niets meer gezegd of gevraagd. Het enige wat ik tegen [medeverdachte 4] zei was dat ik de werknemers zou gaan vragen. Met betrekking tot de twee aanvragen voor verlenging van de werkvergunning van deze twee slagers werden door DPL positief uitgekomen, waarna ook hun werkvergunningen via DIMAS goed was afgelopen.

[NAAM STICHTING]

22. proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 2] d.d. 10 juli 2017 (map 17, p. 313-330), inhoudende als verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2]:

Bent u bevoegd en bereid om namens de rechtspersonen (Stichting [NAAM STICHTING]) op te treden en een verklaring te of te leggen?

A: De stichting is eigenlijk van de heer [VERDACHTE]. Ik ben ingeschreven maar het is de stichting van de heer [VERDACHTE]. Hij zei, [VERDACHTE], dat dit zijn stichting was.

Hoe ging dat nu precies met het opmaken van een brief?

A: Meestal was het zo dat ik een bedrijf aan schreef maar of een toe vertelde de minister mij dat een bedrijf in aanmerking kwam om een donatie te gaan geven. Ik maakte vervolgens een brief op en dan was het afwachten of er daadwerkelijk een donatie werd gegeven.

Casus [medeverdachte 18]

23. proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 18] d.d. 13 juli 2017 (map 26, p. 52-69), inhoudende als verklaring van medeverdachte [medeverdachte 18]:

V: Van welke bedrijven bent u de eigenaar/directeur?

A: Ik ben de directeur van [naam bedrijf]. Onder deze maatschappij

vallen

verschillende bedrijven, waaronder ook [bedrijf AG].

Ik herinner me dat wij zowel in 2015 en 2016 een tafel voor een kerstevenement hebben gekocht. In 2016 heb ik hiervoor Awg. 2.500,- betaald. In 2015 was het minder. Ik heb in mijn hoofd iets van Awg. 1.700,-. Ik weet dit niet zeker. Dit evenement werd door een stichting van minister [verdachte] georganiseerd. [medeverdachte 2] kwam met een brief waarin om deze donatie werd gevraagd. Wij hebben deze cheque dan ook in ons administratie geboekt als donatie. Deze cheque werd op naam van de stichting van minister [VERDACHTE] uitgeschreven.

Op Aruba is het eenmaal zo dat alle politieke partijen om donaties en/of sponsors vragen. Dus daar heb ik als bedrijf ook aan meegedaan.

O: U zegt op een gegeven moment tegen [medeverdachte 2] met betrekking tot het gedoe over die ene ton van [verdachte] "ja maar ehm, het is natuurlijk, hoeveel is dan redelijk, ik wil daar geen gedoe over hebben", waarop [medeverdachte 2] zegt tegen u dat ze het gewoon van tevoren zullen afspreken.

V: Wat is voor u dan redelijk?

A: Ik bedoel hiermee bijvoorbeeld de tafel voor het kerstevenement van de stichting

van [verdachte]. Ik bedoel hiermee dat ik niet direct tegen [MEDEVERDACHTE 2] heb gezegd dat ik niet wilde meedoen aan het kerstevenement, omdat ik bang was of het vermoeden had dat mijn aanvragen voor werkvergunningen niet zouden worden behandeld. Het is eenmaal zo op Aruba.

24. proces-verbaal van bevindingen verdenking [medeverdachte 18] en [medeverdachte 2] d.d. 21 maart 2017, (map 26, p. 1-21), inhoudende als relaas van verbalisant:

Uit de inbeslaggenomen DPL-dossiers/ documenten van 2015 en 2016 blijkt dat er drie (3) dossiers aanwezig zijn van het bedrijf [bedrijf AG] en dat [bedrijf AG] in het jaar 2016 een drietal positieve ontheffingen heeft gekregen tegen het advies van DPL in.

Casus [betrokkene 4]

25. proces-verbaal van verdenking [betrokkene 4] d.d. 29 juni 2017 (map 41 . p. 321-337), inhoudende als relaas van verbalisant:

Uit de ontvangen bankgegevens van de Stichting [naam stichting] blijkt dat op 24 maart 2017 een storting werd gedaan door het bedrijf [bedrijf AF] De storting bedroeg Awg. 8.750,-

Bevindingen inbeslaggenomen documenten Departemento di Labor DPL In de inbeslaggenomen documenten van de DPL werd onderzoek gedaan of er ontheffingen waren verleend aan het bedrijf [bedrijf AF] of aan [BETROKKENE 4]. Tijdens dit onderzoek werd een dossier aangetroffen van het bedrijf [bedrijf AF]. Dat dossier heeft het DPL nummer 210.2017 en bevat de volgende drie documenten;

- Stempel van Ministerie van Sociale Zaken Jeugd en Arbeid getekend voor akkoord conform gedateerd 03 februari 2017, vermoedelijk door [verdachte];

- Stempel van ministerie van [VERDACHTE] ingekomen stuk gedateerd 15 februari 2017, verzonden naar DPL op dezelfde datum;

- Stempel DPL met opschrift werkvergunning ingekomen stuk 16 februari 2017

DPL aanvraag formulier voor advies toetreding arbeidsmarkt 2017.

  • -

    Werkgever: [bedrijf AF]; Directeur [BETROKKENE 4];

  • -

    Werknemer /vergunningsplichtige: [medewerker 8], geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteland]. Voor de functie van Diesel Monteur;

  • -

    Aanvraag gedateerd 13 -03-20 17 en getekend door [BETROKKENE 4];

  • -

    Datum ingediend bij DPL 20 maart 2017

26. proces-verbaal van bevindingen tapgesprekken [bedrijf AF] d.d. 21 maart 2017 (map 41 p. 338-342), inhoudende als relaas van de verbalisant:

Op 15 maart 2017 Minister [verdachte] belt uit met [betrokkene 4]. Bij het afluisteren van het tapgesprek is onder meer naar voren gekomen dat:

  • -

    Minister [verdachte] aan [betrokkene 4] vraagt of ze iets kunnen afronden voor vandaag of morgen:

  • -

    [betrokkene 4] zegt dat [verdachte] een brief moet sturen en dat [betrokkene 4] het dan doet;

- Minister [verdachte] herinnert [betrokkene 4] dat ze 5 contant en 5 transactie zouden doen. [verdachte] vraagt of [betrokkene 4] met de transfer even wil wachten;

- [ betrokkene 4] zegt dat het omgekeerde het makkelijkst is voor hem, omdat [betrokkene 4] bezig is met verschillende dingen, het restaurant en bar;

- Minister [verdachte] aan [betrokkene 4] vraagt naar zijn e-mail. Dat [betrokkene 4] in 5 minuten een e-mail gaat krijgen van [medeverdachte 2], president van de stichting [naam stichting].

Casus [medeverdachte 16]

27. proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 16] d.d. 25 oktober 2017 (map 34, p. 375-388), inhoudende als verklaring van medeverdachte [medeverdachte 16]:

V: Van welke bedrijven bent u directeur/eigenaar?

A: Ik ben eigenaar van het restaurant [naam bedrijf AB]. Daamaast heb ik geen andere bedrijven.

0: Uit onderzoek is gebleken dat voor de werknemer [medewerker 9], een brief met verzoek om ontheffing aan de arbeidsmarkttoets aan de minister [verdachte] werd gericht, Aan u wordt een kopie afschrift van deze ontheffingsbrief getoond welke ook als bijlage bij dit proces-verbaal is gevoegd.

V: Wat kun u met betrekking tot deze ontheffingsbrief verklaren?

A: Ja, ik ken deze brief. Doormiddel van deze brief hebben wij, daarmee bedoel ik mijn echtgenote en ik, getracht om de aandacht van minister [verdachte] te krijgen zodat hij medeleven kon tonen in het geval van [medewerker 9] en zodoende haar zou kunnen helpen met het verkrijgen van haar werkvergunning.

28. proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 september 2017 (map 44, p. 1220-1227), inhoudende als relaas van de verbalisant:

Ik, verbalisant, heb nader onderzoek verricht naar enkele stortingen die voorkomen in de bankgegevens van stichting [naam stichting]. Uit dit onderzoek gebleken dat op 9 september 2016 het bedrijf [bedrijf AB] een storting heeft gedaan van AWG 1.000 gulden op de bankrekening van de stichting [naam stichting]. Vervolgens heb ik, verbalisant, een onderzoek ingesteld op de web van de Kamer van Koophandel Aruba naar het bedrijf [bedrijf AB]. Hieruit is gebleken dat [bedrijf AB] de bedrijfsnaam is van [bedrijf AB].

Ik, verbalisant, heb in de DPL gegevens gezocht op de eerder genoemde naam [bedrijf AB]. Gebleken is dat in 2016 een aanvraag voor een werkvergunning ingediend was voor een werknemer van het bedrijf [bedrijf AB]) waarbij een van de tussenpersonen [medeverdachte 16] was, dat op 1 september 2016 een aanvraag is ingediend om advies toetreding tot de arbeidsmarkt [medewerker 9].

Bevindingen uit de whatsappgesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte 16]

Op 20 augustus 2016 stuurt [medeverdachte 16] naar [verdachte]:

[verdachte]. Laat [medeverdachte 1] maandag komen voor het geld van de tickets.

Kort na dit bericht, tevens op 20 augustus 2016, stuurt [verdachte] naar [medeverdachte 16]:

Geen probleem broer. Maar kom vandaag even langs.

Op 29 augustus 2016 stuurt [medeverdachte 16] naar [verdachte]:

Goedenmiddag meneer. Heb je de brief voor [medewerker 9] al. [medeverdachte 1] is het cheque niet komen halen.

Groeten.

Casus [medeverdachte 19]

29. proces-verbaal van bevindingen in relatie tot [bedrijf AH] d.d. 17 augustus 2017 (map 41, p. 431450), inhoudende als relaas van de verbalisant:

Uit onderzoek bij de Kamer van Koophandel is gebleken dat als een van de directeuren van [BEDRIJF AH] staat ingeschreven [medeverdachte 19].

Op 10 februari 2017 om 10:39:45 uur stuurde [VERDACHTE], onderstaand Whatsappbericht gestuurd naar [MEDEVERDACHTE 2].

Stel een brief op voor [NAAM STICHTING] aan [medeverdachte 19] van [bedrijf AH] (het Gerecht begrijpt [BEDRIJF AH]).

Uit analyse bleek dat op 8 maart 2017 door [bedrijf AH] een [naam bank] cheque, ter waarde van AWG 1500,- ten gunste van [naam stichting] werd uitgeschreven.

Op 15 februari 201 7om 12:16:28 uur werd vanaf het telefoonnummer + [telefoonnummer 1] in gebruik bij [ambtenaar 5], onderstaand Whatsappbericht gestuurd naar telefoonnummer +[telefoonnummer 2] in gebruik bij [VERDACHTE]:

De afspraak voor [BEDRIJF AH] om 6 applicaties voor hun in te dienen zijn gepland voor vrijdag 9 uur

Op 17 februari 2017 om 10:49:57 uur werd vanaf het telefoonnummer +[telefoonnummer 2] in gebruik bij [VERDACHTE], onderstaand Whatsappbericht gestuurd naar telefoonnummer +[telefoonnummer 3] in gebruik bij [medeverdachte 19]:

Laat me weten hoe het met Dimas is gegaan.

Op 17 februari 2017 om 10:50:26 uur werd vanaf het telefoonnummer +[telefoonnummer 3] in gebruik bij [medeverdachte 19]. onderstaand Whatsappbericht gestuurd naar telefoonnummer +[telefoonnummer 2] in gebruik bij [VERDACHTE]:

Dank je voor de ondersteuning

Op 17 februari 2017 om 10:50:51 uur werd vanaf het telefoonnummer +[telefoonnummer 3] in gebruik bij [medeverdachte 19], onderstaand Whatsappbericht gestuurd naar telefoonnummer +[telefoonnummer 2] in gebruik bij [verdachte]:

Ik stel jouw hulp zeer op prijs

Casus [medeverdachte 17]

30. Proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 17] d.d. 20 oktober 2017 (map 34 p. 557-573), inhoudende als verklaring van medeverdachte [medeverdachte 17]:

V: Van welke bedrijven bent u directeur/eigenaar?

A: [bedrijf AR], [bedrijf AD] en [bedrijf AE], dit bedrijf heeft met

tuinieren te

maken. Sinds een maand ben ik ook directeur van [bedrijf AS].

31. proces-verbaal van bevindingen in relatie tot geldstromen Stichting [naam stichting] (map 43, p. 792-797), inhoudende als relaas van de verbalisant:

  • -

    Op 7 mei 2016 tekent [verdachte] volgens de DPL documenten op deze dag een ontheffing van de arbeidsmarkttoets voor dhr. [medewerker 10] als onderhoudsman bij [bedrijf AD]

  • -

    16 juni 2016 DPL vraagt [VERDACHTE] zijn ontheffing te herzien omdat er bezwaar bestaat tegen toetreding tot de Arubaanse arbeidsmarkt van meneer [medewerker 10], onder andere omdat het onaannemelijk is dat er geen lokaal aanbod voorhanden i

  • -

    11 juli 201 6 de positief verklaring van DPL voor meneer [medewerker 10] is opgemaakt

  • -

    11 juli 2016 een cheque van 2.500 AWW wordt gestort op de rekening van de stichting. Deze cheque is afkomstig van [bedrijf AC / [bedrijf AR]. [MEDEVERDACHTE 17] is directeur van deze onderneming, evenals van [bedrijf AD]

Op 29 oktober 2016 belt [medeverdachte 3] met [MEDEVERDACHTE 17].

Dit gesprek is hieronder weergegeven.

[medeverdachte 17]: Het is alleen maar om jou te vertellen. Het was meer om aan jou te vertellen hoe het met de minister is gegaan en die dingen, bla, bla

[medeverdachte 3]: Luister eens, schat. Ehm, over de andere moet je komen. Maandag is het klaar. Het andere

ding. Ja?

[medeverdachte 17]: Die van, die van [medewerker 11].

[medeverdachte 3]: Het andere ding, aha.

[medeverdachte 17]: OK

[medeverdachte 3]: Nee, dat ene die je aan mij hebt gegeven....

[medeverdachte 17]: Ja, ja, ja, ja

[medeverdachte 3]: Aha

[medeverdachte 17]: Ik weet het, ik weet het

[medeverdachte 3]: En weet je wat ik aan jou wil vragen?

[medeverdachte 17]: Ja?

[medeverdachte 3]: Als je....Kijk, luister eens goed naar mij. Luister goed. Uhm, als die mensen, uhm, hoe zeg

je nou? Als ze ons zullen helpen. Heb je mij begrepen, niet waar?

[medeverdachte 17]: Ja.

[medeverdachte 3]: Heb je mij begrepen, niet waar? Dat Wilde ik ook aan jou vragen. Of ze ons gaan helpen.

Heb je begrepen, suet waar?

[medeverdachte 17]: De mensen. De anderen.

[medeverdachte 17]: Welke anderen?

[medeverdachte 3]: de twee, de twee die wij hebben...umh....voorbereid en klaar waren. Heb je mij begrepen? Sorry, ik heb kauwgum in min mond.

[medeverdachte 17]: OK nee, maar kijk de twee tuinmannen...

[medeverdachte 3]: Uhm....wacht, wacht, wacht, schat!

[medeverdachte 17]: Welke?

[medeverdachte 3]: Wij zijn aan de telefoon! OK? Daarom OK.

[medeverdachte 17]: Daarom, ik zal mijn.... (wordt onderbroken door [medeverdachte 3]).

[medeverdachte 3]: Kijk, de twee producten luister eens naar mij.

[medeverdachte 17]: Ja

[medeverdachte 3]: De twee producten...of je tegen hen hebt gezegd....dat....ze voor de twee producten

moeten betalen. Heb je mij nu begrepen?

[medeverdachte 17]: Die twee, die twee, zij, zij, zij hebben voor die twee producten al betaald.

[medeverdachte 20]

32. Proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 20] d.d. 12 april 2017 (map 33 p. 231 e.v.), inhoudende als verhoor van medeverdachte [medeverdachte 20]:

Mijn vrouw [betrokkene 5] en ik runnen een zaak die wij [bedrijf AI] noemen. Mijn andere bedrijf heet [bedrijf AJ]. Voor buitenlandse werknemers krijgen we soms een negatieve beslissing voor een werkvergunning. Mijn vrouw kwam in 2013 naar mij toe met het idee om met de minister [verdachte] te gaan praten. Via [medeverdachte 3] hebben we een afspraak met de minister gemaakt. De Minister maakte hierna notities op de negatieve verklaringen die wij meegenomen hadden en aan hem hadden getoond. En hij zei hierna tegen ons om hiermee nogmaals naar de DPL te gaan om de procedure bij de DPL nogmaals te beginnen. Wij deden wat de Minister ons vroeg. Na een tijdje kwamen deze negatieve verklaringen, positief uit. Na de afspraak met [verdachte] in 2013 toen hij de ontheffingen had getekend werden wij na een tijdje gebeld en verzocht om naar zijn kantoor in het parlement te komen. Minister [verdachte] deelde ons mede dat wij geroepen werden omdat hij een functie van sociaal beroep heeft en dat hij daardoor verschillende zakenlieden benadert en hun medewerking vraagt om donaties te doen voor de stichtingen. Hiema wees Minister [verdachte] ons op een 'White Board bord tientallen namen van identiteiten/ stichtingen, waar uit wij konden kiezen. Wij kozen de naam van de Stichting [naam stichting 1]. Minister [verdachte] legde uit dat de stichting "[naam stichting 2]" een bedrag van 15000 florin nodig heeft om keukenapparatuur te kunnen kopen. Ik verbaasde me van dit bedrag, maar ik bleef stil en zei niets. Mijn verbaasdheid was natuurlijk een intern gevoel. Ik liet dit gevoel niet laten blijken aan de minister. Ik keek mijn vrouw aan en zij naar mij en wij gingen akkoord. Ik weet dat wij een periode van 5 maanden hadden om het totaal geldbedrag van 15000 florin te verzamelen om te doneren. Ik had een cheque opgemaakt op naam van de Stichting "[naam stichting 1]" en ik had deze cheque iets meer als een meter laten vergroten. Wij hadden deze cheque vervolgens in bijzijn van minister [verdachte] en overige personen waaronder de president van de stichting [naam stichting 1] genaamd [naam president stichting] overhandigd. De dag dat Minister [verdachte] ons de donatie van 15000 florin gevraagd had voor de stichting "[naam stichting 1]" kregen mijn vrouw en ik wel het gevoel dat dit misschien een terugbetaling zou kunnen zijn voor de twee ontheffingen die [verdachte] voor ons getekend had.

33. Proces-verbaal van verhoor [betrokkene 5] d.d. 12 april 2017 (map 33, p. 271 e.v.), inhoudende als verklaring van [betrokkene 5]:

Ik heb ook persoonlijk 2 of 3 keren met Minister [verdachte] gesproken. Twee keren heb ik over de problematiek om vergunningen voor buitenlanders in dienst aan te kunnen nemen, met de Minister gesproken. De derde keer heeft de Minister mij geroepen. Als ik mij niet vergis was het twee jaar geleden. Het was een project waarbij vele zakenlieden werden uitgenodigd door de Minister om diverse stichtingen te sponsoren. Ik had toen Stichting [naam stichting 1] gesponsord, doordat mijn zoon naar [naam stichting 1] ging.

34. Proces-verbaal van verhoor [betrokkene 5] d.d. 13 april 2017 (map 33, p. 284 e.v.), inhoudende als verklaring van [betrokkene 5]:

Ik zei tegen [MEDEVERDACHTE 2] dat het voor mij oke was en dat hij mij de officiele brief moest doen toekomen. Hij zei iets over een bedrag van 5.000,- Florin. Ik overhandig u hierbij kopie van de brieven en cheque met betrekking tot de betaling van Awg. 5.000,-. Zoals u kunt zien werd een bedrag van Awg. 2.500,- per cheque betaald aan de stichting [naam stichting]. Zodoende werd de betaling hiema middels cheque en later contant geld gegeven aan [MEDEVERDACHTE 2]

35. Ander geschrift, tapgesprek d.d. 19 oktober 2016 (map 44, p. 1500) e.v., [verdachte] ([Vd]), [medeverdachte 2] (Mvd 2), inhoudende:

[Mvd 2]: Ik ben net van [betrokkene 5] bij [bedrijf AI] weggegaan. Op dat moment heb ik haar ook voor een "sponsorship" gevraagd. Weet je! Ehm... ik heb haar gezegd van, van vijf, want de dochter was aanwezig. De dochter heeft mij gevraagd of ze het in tweeën kunnen splitsen. Natuurlijk kunnen wij het in tweeën splitsen. Ik dacht dat wij 1 voor [...] Bowling en 1 voor Christmas. Dus dat is het enige ding dat wij moeten doen. lk zal haar een brief van [naam] (fon) sturen, voor 2-5, 2-5. Het moet gewoon gesplitst zijn, maar ze zijn daarmee oke.

Vd: Wij zullen hun ook een tafel geven toch?

[Mvd 2]: Ja, we kunnen hun ook een tafel geven, ja.

Vd: Maar laat dat voor het laatste middel.

36. Ander geschrift, tapgesprek d.d. 24 oktober 2016 (map 44, p. 1502 e.v.), inhoudende:

[verdachte]: [vd]: Luister eens, als je moeilijkheden krijgt met [bedrijf AI], zoek het telefoonnummer van de man voor mij. Zeg tegen hem dat ze moeilijk doen terwijl wij hen altijd hebben geholpen. Laat hem komen zodat ik met hem praat.

37. Proces-verbaal van bevindingen casus [bedrijf AI] (map 44, p. 1478 e.v.), inhoudende als relaas van de verbalisant:

Onderzoek in het handelsregister via de website van de Kamer van Koophandel leerde dat het restaurant [bedrijf AI] sinds 23 juli 2013 onder de handelsnaam "[bedrijf AI]" onder serienummer 43393.0 geregistreerd staat. Onderzoek in het handelsregister via de website van de Kamer van Koophandel leerde dat het restaurant [bedrijf AJ], [BEDRIJF AJ] VBA, sinds 7 november 2014 onder de handelsnaam" [bedrijf AJ]" onder serienurnmer 45000.0 geregistreerd staat. Onderzoek leert dat [betrokkene 5] in 2014, 2015 en 2016 bij DPL een aanvraag tot toetreding tot de Arubaanse arbeidsmarkt heeft ingediend voor personeel ten behoeve van de restaurants [bedrijf AI] en [bedrijf AJ], waarbij DPL- na toetsing aan de arbeidsmarkt-telkens een negatieve verklaring heeft uitgebracht. [VERDACHTE] heeft daarop desondanks ontheffing verleend, waarop DPL alsnog positieve verklaringen heeft uitgebracht. [VERDACHTE] heeft in 2014, 2015 en 2016 ten behoeve van het restaurant [bedrijf AI], respectievelijk 6 (2014), 11(2015) en 9 (2016) ontheffingen verleend. Het betreft hier in totaal 26 ontheffingsbrieven, die [betrokkene 5] (22) en [medeverdachte 20] (4) hebben ondertekend en aan [VERDACHTE] hebben gestuurd, waarop [VERDACHTE] middels het plaatsen van zijn handtekening zijn akkoord heeft gegeven. [VERDACHTE] heeft in 2016, ten behoeve van het restaurant [bedrijf AJ], drie (3) ontheffingen verleend.

[medeverdachte 15]

38. Aanvullend proces-verbaal bevindingen geldstromen Stichting [naam stichting], (map 43, p. 786 e.v.), inhoudende:

[bedrijf AA] is na [bedrijf Y] de grootste betaler aan de Stichting. Uit de bankgegevens van de [naam bank] bank blijkt op 18 juni 2015 een chequestortnig van 4.000 AWG en op 6 december 2016 van 5.000 AWG. In de telefoon in gebruik bij [verdachte] zijn verschillende chats aangetroffen met een van de directeuren van [bedrijf AA] genaamd [medeverdachte 15]. De chats zijn allen uit 2016.

15/2 [medeverdachte 15] naar [verdachte]. Goeden middag minister [verdachte] hoe is het? Ik wilde even checken over de tweede vergunningen van de twee [ethniciteit]. Het is urgent ze zijn al 9 maanden zonder vergunning.

15/2 [verdachte] naar [medeverdachte 15]. Broer hoe is het met jou? Ok geen probleem. Ik ga er achterna.

9/9 [medeverdachte 15] naar [verdachte]. Kan ik het brief bij het kantoor laten? Zodat [verdachte] het stuurt om minister [naam collega minister] te laten ondertekenen. Dit is een medewerker die op het [land van herkomst] vast bleef zitten. Zijn naam stond verkeer geschreven op de vergunning.

9/9 [verdachte] naar [medeverdachte 15]. Ok Breng het om 9 uur naar mij toe.

19/10 [verdachte] naar [medeverdachte 15]. Je verzoek is gisteren geaccordeerd.

16/12 [medeverdachte 15] naar [verdachte]. Naam: [medewerker 12]. [medewerker 13]. [medewerker 14]. Veel dank. Laat het voor mij geregeld worden.

19/12 [verdachte] naar [medeverdachte 15]. Kan je ons helpen met Awg. 1.000?

Uit DPL documenten van 2016 blijkt dat [verdachte] op 7 juni 2016 ontheffing heeft getekend voor [medewerker 12], onderhoudsman bij [bedrijf AA], op 17 maart 2016 voor [medewerker 15], verkoper bij [bedrijf AA], op 17 juni 2016 voor [medewerker 16] en [medewerker 13], onderhoudsman en schoonmaakster bij [bedrijf AA], op 16 december 2014 voor [medewerker 17], helper bakker bij [bedrijf AA] en op 10 februari 2015 voor [medewerker 18], pastry chef bij [bedrijf AA].

39. Proces- verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 15] d.d. 19 april 2018 (los opgenomen), inhoudende:

Ik stel me voor dat de minister een brief zou hebben gekregen van de zaak [bedrijf AA] ([bedrijf AA] BV) voor deze personen om de beslissing te heroverwegen en alsnog een werkvergunning te kunnen krijgen voor deze personen. Het verzoek zou dan zijn om na te gaan waar deze vergunningen zijn vast gezeten. [verdachte] is de minister van arbeid. Zijn werk zou moeten zijn dat hij het kan regelen. lk bedoel namelijk hiermee niet dat het een verplichting is maar dat hij als minister dit kan regelen maar hij kan het ook weigeren. Ik heb inderdaad zo'n twee keer hem geholpen met activiteiten die hij heeft georganiseerd voor zijn politieke campagne. Als ik me niet vergis was het een activiteit bij de bowling en de andere was een activiteit tijdens de kerstperiode. Ik ben zelf niet gegaan. Voor de activiteit van Bowling heb ik namelijk een cheque aan hem laten uitschrijven. Voor de activiteit van kerst heb ik hem geholpen door een tafel te kopen/betalen. Ik neem aan dat ik een brief heb ontvangen met deze details. Dit is namelijk de normale procedure bij het aanvragen van een sponsorship.

[betrokkene 2] en [betrokkene 3]

40. Aanvullend proces-verbaal bevindingen geldstromen Stichting [naam stichting] (map 43, p. 783 e.v.), inhoudende:

In het pv geldstromen is een overzicht van betalers aan de stichting opgenomen, waaruit blijkt dat [bedrijf Y]/[bedrijf Z] de hoogste bijdrage heeft geleverd aan de stichting. Uit dit overzicht blijkt ook dat [bedrijf Y] in het jaar dat zij 10.000 AWG overmaakten aan de stichting twee ontheffingen hebben gekregen van [verdachte]. Een ontheffing wordt getekend kort nadat [bedrijf Y] een donatie doet van 10.000 AWG aan de stichting. Daarnaast heeft [betrokkene 2], de eigenaar van [bedrijf Y] contact met [verdachte] over een inval bij [naam hotel 1] aangaande controle van werkvergunningen. Dit wordt besproken op 29 juli 2016 op de chat. Op 1 augustus komen [betrokkene 2] en [verdachte] bij elkaar, dit is dus kort voor de donatie van [bedrijf Y] aan de stichting. Op 11, 12, en 13 juli 2016 vraagt [betrokkene 3] via Whatsapp om een afspraak met [verdachte]. Gezien de chat vindt deze afspraak plaats op 14 juli 2016 op het bestuurskantoor. Op 19 juli 2016 dient [bedrijf Y] een verzoek tot toetreding arbeidsmarkt in voor een restaurant supervisor. Op 25 juli vraagt [betrokkene 3] weer om een afspraak welke kennelijk op 26 juli plaatsvindt. Op 29 juli vraagt [betrokkene 2] aan [verdachte] " Zou je me een plezier kunnen doen" waarop [verdachte] antwoordt "tell me" en [betrokkene 2] zegt " Een inval bij [naam hotel 1]. Op vergunningen maar groot". [verdachte] antwoordt hierop minuten later: "ik begrijp ook [naam hotel 2]. Will do!" Hierop vraagt [betrokkene 2] "Kan die inval vandaag?" waarop [verdachte] antwoordt: "Instructie verstuurd". Later op die dag vraagt [betrokkene 2] nog meerdere malen naar de inval. Blijkens de chats hebben [betrokkene 2] en [verdachte] op 1 augustus 2016 afgesproken bij [naam etablissement]. Op 2 augustus wordt 10.000 AWG op de bankrekening van de stichting bijgeschreven met bijschrift "[bedrijf Y] holding". OP 17 augustus 2016 zegt [betrokkene 3] tegen [verdachte] "[ambtenaar 7] van DPL had niks meer gehoord over de vergunningen van onze zaken, waarop [verdachte] zegt dat hij morgen terug is op Aruba. Op 10 oktober 2016 geeft DPL: negatief advies voor toetreding tot de arbeidsmarkt voor de restaurant supervisor bij [bedrijf Z]. Op 19 oktober 2016 verzoek van [bedrijf Y] voor ontheffing aan [verdachte] voor de arbeidsmarkttoets voor de restaurant supervisor bij [bedrijf Z]. Op 14 november 2016 accordeert [verdachte] de ontheffing. Op 15 november 2016 vraagt [betrokkene 3] of [verdachte] hem iets kan laten weten over de aanvragen van de vergunningen die pending zijn. [verdachte] antwoordt dat hij de dag ervoor twee verzoeken heeft goedgekeurd.

[medeverdachte 21]

41. Proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 21] d.d. 30 augustus 2017 (map 51, p. 352 e.v.), inhoudende:

[bedrijf AM] is van mij en mijn echtgenoot. Ik regel de nodige vergunningen met betrekking tot buitenlandse werknemers voor mijn bedrijven. Wanneer mijn aanvragen bij de DPL geweigerd werden, ging ik naar minister [VERDACHTE] om hem uit te leggen dat mijn aanvragen werden geweigerd en hem vroeg om mij te helpen. Ik ken [medeverdachte 3] ook al jaren en met haar heb ik een vriendschap. Een ontheffingsbrief ga je direct bij de Minister om de procedure van de vacaturemelding bij de DPL te vermijden. Je vraagt aan de Minister alsnog of hij beslissing daarover kan nemen. Bezwaarbrief is wanneer je de Minister vraagt om de negatieve verklaring van de DPL te herzien. [medeverdachte 3] stelt mij in kennis dat de Minister 10 accordering voor mij heeft getekend zodat de negatief advies positief gaat worden. Deze 10 accordering zijn gestuurd naar de DPL. De Minister verkoopt elk jaar stoelen voor een kerstconcert dat begin december wordt gehouden in het hotel [naam hotel 3], voormalige [naam hotel 2]. Ik koop elk jaar stoelen van de Minister. Ik heb volgens mij 100 dollar betaald per stoel. De Minister heeft een stichting ik herinner nu de naam niet. De stichting organiseert het concert. Bij het Bestuurskantoor heb ik het geld gegeven aan [medeverdachte 3]. Ik heb haar 200 dollar of 350 gulden geven. Als ik tegen [medeverdachte 3] zeg "Luister jij, als ik daar bij jou komt daar moet je me helpen, daar waar jij zit.", bedoel ik dat zij mij moet helpen met de afspraken niet de Minister.

42 Een ander geschrift, tapgesprek (map 51, p. 324-325), inhoudende:

[MEDEVERDACHTE 3]: Ik zal je terugbellen, want je weet wel. Hierbinnen. De baas heeft tien voor jou ondertekend (zachtjes). (...)

[MEDEVERDACHTE 3]: Aha, wat wilde ik jou zeggen?... Aha, zodat je dan weet dat ze onderweg zijn. Oke?

[MEDEVERDACHTE 21]: Oke. Is goed, is goed.

[MEDEVERDACHTE 3]: Aha, ze zijn onderweg en eh, eh, ik bedoel ook met de stoelen, he.

[MEDEVERDACHTE 21]: Uhu, uhu. Daarom zelf.

[MEDEVERDACHTE 3]: En dan...Aha...Het concert, als je mij begrijpt, aha (lachend). En dan...Heel goed, he?

[MEDEVERDACHTE 21]: Nee, daarom zelf. Ik zal je dan later terugbellen.

43 Een ander geschrift, tapgesprek (map 51, p. 332-333), inhoudende:

[VERDACHTE]: En over het ene die ik aan jou heb gezegd, ik bedoelde het niet kwaads. Ik zeg je dat het niet goed is dat op het laatste moment zij tegen jou zeggen "Alleen de helft". Dit omdat, weetje?, voor jou zelf is het ook niet goed. Ten eerste verlies je de hele commissie... '

[MEDEVERDACHTE 3]: Uhu,

[VERDACHTE]: En, en ten tweede... (wordt door [MEDEVERDACHTE 3] onderbroken).

[MEDEVERDACHTE 3]: Ik verlies de commissie niet compleet. Ik verlies de commissie niet. Zoals [medeverdachte 21],..(wordt door [VERDACHTE] onderbroken).

[VERDACHTE]: Zodat ik het weet, niet waar?

[MEDEVERDACHTE 3]: Aha, [medeverdachte 21], nee, Volgens mij heb ik nog twee aan [medeverdachte 21] verkocht. Zij moet betalen, [medeverdachte 2] is hiervan op de hoogte. Twee met [naam persoon].

[VERDACHTE]: Nee, maar ik bedoel we tellen het compleet.. (wordt door [MEDEVERDACHTE 3] onderbroken)...

[MEDEVERDACHTE 3]: Ah, het is zeven.

[VERDACHTE]: Zoals we het vorige keer hebben gedaan. Het is geen probleem. '

[MEDEVERDACHTE 3]: Aha, het is zeven die we hebben verzameld met [medeverdachte 21]... En vanmorgen, je wist niet mijn neef, daarom zeg ik tegen jou, vanmorgen om 10 uur heb ik haar gebeld: "Zorg dat het geld morgen op kantoor is."

[medeverdachte 22]

44 Een ander geschrift, Uittreksel handelsregister, inhoudende:

[bedrijf AO]. Director: [medeverdachte 22].

45. Proces-verbaal van onderzoek en bevindingen casus "[medeverdachte 22/[bedrijf AO]" d.d. 20 maart 2017 met bijlagen (map 51, p. 204-219), inhoudende:

Onderzoek leerde dat de onderneming "[BEDRIJF AO]" in 2016 bij DPL in totaal 9 aanvragen tot toetreding tot de Arubaanse arbeidsmarkt - voor personeel ten behoeve van dit bedrijf - had ingediend. Onderzoek leerde dat DPL - na toetsing van deze aanvragen aan de arbeidsmarkt - voor alle 9 aanvragen negatieve verklaringen had uitgebracht. [VERDACHTE] heeft hierop desondanks ontheffing verleend van toetsing aan de arbeidsmarkt, waardoor DPL alsnog positieve verklaringen heeft uitgebracht.

46. Een ander geschrift, tapgesprek op 6 januari 2017 tussen [bureaumedewerker] (Bm) en [medeverdachte 22] (Mvd 22), inhoudende:

[Bm]: Ja ja, al de acht (8) van jou werden goedgekeurd.

[Mvd 22]; God zij dank.

[Bm]: OK? De minister heeft tegen mij gezegd dat hij ook mei jou heeft gesproken.

[Bm]: Ja, hij zei tegen mij dat dat dat dat, ik heb ook tegen hem gezegd, de vorige keer, dat je je aanbiedt om hem te helpen, met mensen, met stemmen,..

[Mvd 22]: Jazeker. Exact, exact.

[Bm]: Dus...

[Mvd 22]: Ja...

[Bm]: A l die van jouw.

[Mvd 22]: Ja.

[Bm]: Allemaal werden goedgekeurd!

[Mvd 22]: Ja, ja, God zij dank, God zij dank. Ik had ze erg nodig. Ik heb al tegen hem gezegd dat ik volgende week een afspraak met hem zal hebben.

[Bm]: O K OK.

[Mvd 22]: Ja.

[Bm]: Je gaat bij hem zitten praten. Dan zeg je tegen hem, leg je aan hem uit hoe je hem kan helpen,

tussen je mensen, je weet wel

[Mvd 22]: Ja ja ja._

47. Proces-verbaal van verhoor getuige [bureaumedewerker] d.d. 7 november 2017 (map 16, p. 99-118), inhoudende:

A: Ik heb liet gesprek van 6 januari 2017 omstreeks 15.48 uur (TPN875) beluisterd. Het is mij duidelijk en ik herinner mij ook het gesprek. Ik heb [medeverdachte 22] gebeld om haar op de hoogte te stellen dat de acht aanvragen voor verlenging of wijziging waren geaccordeerd, deze mensen waren dus al op Aruba. [medeverdachte 22] bracht naar voren dat ze haar medewerkers ging adviseren voor [verdachte] te gaan stemmen. Nou ik was naar de minister gegaan en heb gezegd dat [medeverdachte 22] er was geweest en dat ze vroeg hoe het ervoor stond met die 8 mensen. Dat ze had gezegd dat ze gingen stemmen op [verdachte] en dat heb ik ook tegen [verdachte] gezegd.

48. proces-verbaal van verdenking contra [bedrijf R] en [BEDRIJF T] d.d. 1 juni 2017 (map 36, p. 643 e.v.), inhoudende als relaas van de verbalisant:

Op dinsdag 28 maart 2017 heeft er onder andere een huiszoeking plaatsgevonden op het adres [adres], zijnde de woning van [medeverdachte 4].

In de processen-verbaal met kenmerk 201703301000.3EV en 2017042411 58.1BN zijn de aantekeningen op deze enveloppen geverbaliseerd. Uit deze processen-verbaal blijkt o.a. het volgende:

- In de voornoemde dozen zijn enveloppen aangetroffen met hierop handgeschreven notities/bedragen. Veelal zijn in de enveloppen DPL/DIMAS aanvragen opgeborgen. Vermoedelijk worden op een aantal enveloppen de betrokken partijen genoteerd en de geldbedragen die met de DPL/DIMAS procedure gemoeid zijn. Bij de bedragen worden onder andere veelal de namen [medeverdachte 5], [medeverdachte 4], [medeverdachte 6], en [verdachte] genoteerd.

Veelal staan er op de enveloppen de volgende bedragen bij namen vermeld:

[medeverdachte 5] de bedragen van 250, 500, 750 en 1000

[medeverdachte 4] de bedragen 250, 500, 750, 1250, 1450 en 1500

[medeverdachte 6] 750

[verdachte] 1000, 2000, 2500, 3000 en 3500

49 Proces-verbaal van bevindingen aanvullend casus

[medeverdachte 5]/[medeverdachte 4]/[medeverdachte 6] m.b.t. [bedrijf R] & [bedrijf S] d.d. 5 december 2017 (map 35, p. 236 e.v.)

In het eerder genoemde proces-verbaal 201705161330JBN wordt omschreven dat blijkens een analyse in de periode 2014 tot en met december 2016 door en/ of namens het bedrijf [BEDRIJF R] in totaal 84 maal een "een aanvraag advies toetreding arbeidsmarkt" bij de DPL werd ingediend (26 ontheffingen voor de arbeidsmarkttoets en 58 reguliere procedures). Van de bovengenoemde 26 ontheffing verleningen door [VERDACHTE] voor het bedrijf [BEDRIJF R] kwamen er 8 daadwerkelijk voor in de bedrijfsadministratie (Payroll) van het bedrijf [BEDRIJF R] en van de 13 ontheffing verleningen voor het bedrijf [BEDRIJF S] kwamen er maar daadwerkelijk 3 personen voor in de bedrijfsadministratie van het bedrijf [BEDRIJF S].

Feit 2; [ambtenaar 1]

50. Proces-verbaal [naam restaurant] d.d. 13 maart 2017 (49, p. 1-37), inhoudende:

tapgesprek tussen [verdachte] en [ambtenaar 1] .d.d. 19 oktober 2016 (p. 4-5)

Vd: Maar ik weet niet of ik jou eerder had gezegd, maar ik wil dat het duidelijk voor

inspectie Arbeid...

[ambtenaar 1]: Aha.

[Vd]: Op het moment dat ze mij in een restaurant ontmoeten...

[ambtenaar 1]: Aha, minister persoonlijk, minister persoonlijk.

[Vd]: Aha. Laten wij zeggen dat ik morgen zit te eten bij...

[ambtenaar 1]: Bij een plaats, bij een plaats.

[Vd]: [naam etablissement]...

[ambtenaar 1]: Aha.

[Vd]: Het hele team van controle komt naar binnen, ik vind het een beetje em,

"Nonchalant".

[ambtenaar 1]: Aha.

[Vd]: Dat, dat rond mij de controle wordt gedaan, dus...

[ambtenaar 1]: Ooooh.

[Vd]: Als je even [ambtenaar 6] instructie kan geven.

[ambtenaar 1]: Instructie, aha.

[Vd]: Laten we zeggen cm...

[ambtenaar 1]: Indien de minister toevallig aanwezig is bij een plaats dat ze gaan controleren.

[Vd]: Correct, juist of indien ik kan doorgeven, bijvoorbeeld. Ik zal vandaag bij een

plaats

zijn...

[ambtenaar 1]: Aha.

[Vd]: In ieder geval als er een controle is, dat ze met mij rekening moeten houden dat ik daar

ben (onduidelijk) vervelend.

[VERDACHTE]: (...) maar zeg alleen tegen [ambtenaar 1]voor mij: Arbeid gaat ze vanavond daar niet controleren.

(...)

[VERDACHTE]: Zeg tegen [ambtenaar 1], zeg niet tegen hem dat ik uitlandig ben, zeg tegen hem dat ik daar zal zijn en hij weet mijn instructie. Als ik daar ben, om niet te controleren

tapgesprek tussen [verdachte] en [bureaumedewerker] d.d. 5 november 2016 (p. 9-11)

[Vd]: Tot nu toe! Het [naam bureaumedewerker]? Als je [ambtenaar 1] voor mij kan informeren, want kijk, er is een situatie

een beetje vervelend bij de restaurant [naam restaurant].

[Vd]: Gisteravond waren ze met een werknemer gegaan. Ik heb vandaag met [naam ambtenaar 8] gesproken, met [achternaam ambtenaar 8].

[Bm]: Mh.

[Vd]: Ik heb ze uitgelegd dat [naam collega minister] en ik een soort special verblijf hadden ondertekend, zodat ze hun dingen kunnen regelen. Volgende week hebben ze allemaal een afspraak bij de Dimas. Dat betekent, ja. probeerde hen al die dingen

uit te leggen, maar goed. Ze zullen een van die kerels verwijderen. Em, zeg tegen...

[Bm]: Ze hebben handtekeningen gekregen of net die ene niet?

[Vd]: Ja, allemaal hebben positief gekregen en deze week heeft DIMAS hun afspraak

gegeven.

Deze week.

Ze hebben al hun proces heel normaal gedaan, maar

hier missen wij echt een beetje medewerking, maar zegt alleen tegen [ambtenaar 1] voor mij:

Arbeid

gaat ze vanavond daar niet controleren!

[Bm]: Arbeid gaat daar vanavond niet controleren?

[Vd]: Nee, laten we zeggen. Indien de taskforce of iets zal gaan...

[Bm]:Aha.

[Vd]: Zeg tegen [ambtenaar 1], zeg niet tegen hem dat ik uitlandig ben, zeg tegen hem dat ik daar zal zijn en hij weet mijninstructie. Wanneer ik daar ben, om niet controleren.

[Bm]: Oke, ik zal hem zeggen dat minister, dat minister heeft mij gezegd dat om Labor vanavond niet te laten gaan controleren.

[Vd]: Correct.

[Bm]: Oke.

[Vd]: Oke? Zeg hem. Hij weet mijn instructie. Ik heb al met hem gesproken, enkele

weken, 2 weken geleden. Ik heb hem gezegd als ik daar ben en dat ik hem bel om

de inspectie van ons niet te laten gaan.

[Bm]: Oke, dat betekent nu. Ik zal [ambtenaar 1] bellen en ik zal tegen [ambtenaar 1] zeggen dat de minister mij

gestuurd heeft om te zeggen om inspectie niet te laten gaan.

[Vd]: Aha, maar, maar laat hem die mensen niet op dat manier laten informeren.

[Bm]: Ja, alleen zeggen dat inspectie zal niet gaan.

[Vd]: Correct. Zeg tegen hem om de andere te controleren, maar die niet.

tapgesprek tussen [verdachte] ([Vd]) en [persoon A] ([PA]) d.d. 6 december 2016 (p. 13)

[PA]: Em wij zijn al verschillende dagen bezig, wij zijn een recapitulatie aan het sluiten, wat er allemaal bij [naam restaurant] zou hebben gebeurd.

[PA]: Heb je begrepen? Het probleem is, zoals je weet. Veel mensen bemoeien daarmee en zeggen dat jij je handen heeft boven hun hoofden.

[Vd]: Mh, ja. Ik ken die vent.

tapgesprek tussen [verdachte] ([Vd]) en de consul van [land] (C) d.d. 8 december 2016 (p. 17)

[Vd]: Goede avond mijn vriend, meneer Consul

[C]: hoe gaat het minister, hoe gaat het met jou.

[Vd]: Hier, goed goed goed. Maar een beetje bezorgd mijn broer.

[C]: Ja zeg mij, tot uw dienst mijn broer.

[Vd]: ik ben een beetje bezorgd voor uw landgenoot, de eigenaar van het restaurant

[naam restaurant].

Feit 2: [ambtenaar 3] (deze bewijsmiddelen behoren ook bij feit 5)

51. Ander geschrift tapgesprek d.d. 30 november 2016 tussen [verdachte] ([Vd]) en [betrokkene 6] (B6) map (54, p. 29-30)

[Vd]: Heel goed. Ik heb goeie nieuws.

[B6]: Aha.

[Vd]: Ahhhh, je kan ontslagnemen van de personen, waar jij nu werkzaam bent.

[Vd]: Als je vandaag beslist dat je naar mijn huis zal verplaatsen. Want zeker weten kan je niet met de vergunning aan het werken zijn, wat jij heeft van toerist. Jij moet hier als toerist zijn, maar als je vandaag wil veranderen, jij komt naar onze huis en de vrouw kan jou niets doen. Zij kan waar dan ook gaan en wat dan ook doen, maar dan beginnen we het proces vanaf vandaag, dat je voor mij werkt, maar zeg niet voor wie je zal werken en niets.

52. Ander geschrift OVC-gesprek d.d. 19 december 2016 Vd=[verdachte] Mvd 1=[medeverdachte 1] (map 54, p. 124)

[Vd];Mevrouw [naam] (fon) u moet mij een foto van uw paspoort en de datum van uw reisroute, van uw vluchtnummer en at

[Vd]:Stuur ze me gelijk en dan heeft u geen probleem om [land van herkomst] te verlaten, wanneer u hier aankomt bent u al klaar.

[Vd]:Zo regelen we dat.

[Vd]:Ok, dat is geregeld [MEDEVERDACHTE 1]. Ik heb met de chef van de immigratie zelf gesproken. Hij zei van nee, gewoon de kopie van de paspoort en reisroute en hij zal haar laten binnenkomen

[Mvd 1]:Ja

[Vd]:immigratie en al dat gedoe

[Mvd 1]:Ja, over afspraak en dat mietje gedoe

[Vd]: Zij moet gewoon voor de vrouw gaan en het papier op haar nu gooien en haar

zeggen wat dacht je dan wel

53. Ander geschrift tapgesprek d.d. 20 december 2016 tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] (map 54, p. 193)

[verdachte] vraagt aan [medeverdachte 1] of hij de vrouw heeft kunnen bereiken.

[medeverdachte 1] zegt dat het vliegtuig 10 minuten geleden pas geland is.

[medeverdachte 1] zegt dat de vrouw hem gebeld heeft.

[medeverdachte 1] zegt dat hij met [verdachte] gebeld heeft zodat [verdachte] met de man kan bellen zodat hij in afwachting blijft.

[verdachte] zegt dat hij hem al gebeld heeft en dat hij gezegd heeft dat het OK is.

[medeverdachte 1] zegt dat het vliegtuig ongeveer 10 minuten geleden geland is, dat hij daar staat.

[verdachte] zegt dat hij [ambtenaar 3] op de hoogte heeft gesteld en dat hij gezegd heeft dat het geregeld is.

[medeverdachte 1] zegt dat het goed is.

[verdachte] zegt tegen [medeverdachte 1] om in afwachting te blijven en om voor wat dan ook, hem een bericht te sturen.

[medeverdachte 1] zegt dat het goed is.

Vervolgens nemen ze afscheid van elkaar.

54. Ander geschrift tapgesprek d.d. 20 december 2016 tussen [verdachte] ([Vd]) en [ambtenaar 3] ([A 3]) (map 54, p. 194)

[A 3]: Ja, hallo.

[Vd]: [AMBTENAAR 3]

[Vd]: Aha.

[Vd]: Ze, goede morgen. Ze zijn de vrouw aan het uitzetten.

[A 3]: Nee, kan niet

[Vd]: Check even voor mij.

[A 3]: Nee, kijk. Wanneer de personen aankomen, moeten ze stoppen met het bellen. Iedereen die een autorisatie krijgt, blijf achterin zitten wachten. Ze attenderen iedereen en daama nemen ze de lijst van autorisatie van de computer

[Vd]: Ang, oke.

[A 3]: Indien ze de mevrouw achterin lieten zitten wachten. Ik heb mij in problemen gekregen met mijn supervisor die.. Iedere keer dat ik bel, zeggen ze mij, om te komen om mijn autorisatie te geven. De autorisatie staat vermeld en zegt tegen de personen om stop met lastig valLen. Dus

Ik zal voor jou nagaan en...Het zit in het systeem vermeld.

[Vd]: Oke, zal je mij terug bellen om mij te bevestigen?

[A 3]: Het is goed.

55. Proces-verbaal van verhoor getuige [ambtenaar 3] d.d. 17 oktober 2017 (map 54, p. 178-187), inhoudende:

Ik werk als hoofd IASA. [verdachte] heeft inderdaad contact met mij opgenomen en gevraagd die mevrouw toe te laten. In dit geval had zij dus geen garantiebrief. Een garantiebrief wordt aangevraagd door degene bij wie de bezoeker komt verblijven. In dit geval dus door [verdachte]. [betrokkene 6] zou in Aruba aankomen Als toerist, met maximaal dertig dagen bij binnenkomst.

56. Proces-verbaal van verhoor getuige [ambtenaar 5] d d 28 februari 2018 ( map 54, p. 222-230), inhoudende:

Volgens het NAVAS-systeem werd in oktober 2016 voor het laatst een aanvraag verlenging toeristisch verblijf voor [betrokkene 6] aangevraagd. Deze aanvraag was geldig tot 10 december 2016. Verder komt in het NAVAS-systeem verwijderd werd. Verder is geen andere registratie meer in het NAVAS-systeem voor deze persoon. Sinds december 2017 is de minister akkoord gegaan dat een inwonende dienstbode/meisje zijn/haar verblijfsvergunning niet in het buitenland hoeft af te wachten. Daarvoor moest dat wel.

57. Proces-verbaal van verhoor [betrokkene 6] d.d. 28 maart 2017 (map 54, p. 86 e.v.), inhoudende:

Op 20 december 2016 verliet ik [hoofdstad land van herkomst]. Ik kwam als tourist met de bedoeling als kinderoppas bij de familie [verdachte] te gaan werken. lk zou bij de familie [verdachte] gaan verblijven. Mijn voornemen was om hier op Aruba te blijven werken. Ik zei tegen de mevrouw [medeverdachte 8], de echtgenote van meneer [verdachte], wat mijn voornemens waren. Ik ben de kinderoppas voor de kinderen van minister [verdachte] en dus ik verbleef daar. [medeverdachte 8] zei tegen mij dat zij een kinderoppas nodig heeft voor haar twee kinderen. Het interview vond plaats voor 10 december 2016. Ik werd Awg. 1.000,00 per maand betaald door [medeverdachte 8], cash. Op 4 december was ik op verzoek van [medeverdachte 8] naar hun huis gegaan. Meneer [verdachte] had een taxi voor mij geregeld. Op 8 en 9 december was ik al bij het huis van de familie [verdachte] geinstalleerd en verbleef aldaar. Mevrouw [medeverdachte 8] die gaf mij instructies van hoe ik met de kinderen moest omgaan. Voor de dagen dat ik werkte tussen 4 en 10 december 2016 werd ik 200 dollars en 100 Florins betaald door mevrouw [medeverdachte 8]. Op 20 december 2016 haalde [medeverdachte 1], de chauffeur van [verdachte] mij op van het vliegveld. Ik werd naar het huis van [verdachte] gebracht alwaar ik als kinderoppas bij de familie [verdachte] begon te werken.

Feit 2 Casus [bedrijf AP]

58. Ander geschrift tapgesprek d.d. 20 april 2015 tussen [verdachte] ([Vd]), [betrokkene 11] ([B 11]) en [ambtenaar 2] (A 2) (map 48, p. 132-133), inhoudende:

[B11]: Ja, een klein probleem, iets kleins. Kijk of je mij kan helpen. Mijn neef.

[Vd]:Aha.

[B 11]:Oke. Kan je met deze meneer voor mij praten die bij de arbeidszaken werkt?

[Vd]:Leg me uit wat het is. ([betrokkene 11] geeft de telefoon aan [AMBTENAAR 2])

[A 2]:Hoe gaat het minister? Met [ambtenaar 2].

[Vd]:[ambtenaar 2] hoe gaat het met jou?

[A 2]:Hier zijn we.

[Vd]:Wat is er met de [ethniciteit] gebeurd (gelach)?

[A 2]: Deze [ethnicieteit], de vent die hij hier heeft.

[Vd]:Aha.

[A 2]:Wij hebben hem gegeven, dit is de tweede waarschuwing

[Vd]:Aha. die wij al aan hem hadden gegeven.

[A 2]:Hij heeft een vergunning voor inwonende dienstbode.

[Vd]:Hij laat hem werken.

[A 2]:Hij laat hem als cassier werken. Hij kwam terug en nu is hij als een toerist

aangekomen.

[Vd]: Hij is weer aan het werken

[A 2]: Vanaf 11 april is hij weer als cassier aan het werken. Hij heeft nog een geldige

verblijfsvergunning van inwonende dienstbode en hij is nog steeds als cassier aan het werken. Ik probeer deze meneer uit te leggen dat wat hij aan het doen is helemaal tegen de wet is en dat dat niet kan.

[Vd]: het is dus een waarschuwing, ja laat het even tot een waarschuwing blijven. Verbind mij door met hem zodat ik hem op zijn donder kan geven.

[B 11]: Ja

[Vd]: je moet kijken, de meneer heeft gelijk. Als je de vergunning van dienstbode hebt, kan de vent niet bij het ding, de kassa werken. Verontschuldig u aan hem en zeg tegen hem dat we zullen proberen om het te regelen. lk zal ze hem laten bellen.

59. Proces-verbaal van verhoor getuige [ambtenaar 2] d.d. 13 oktober 2017 (map 48, p. 302-309), inhoudende:

[AMBTENAAR 2]: "Ik ben bedrijfsinspecteur. Mijn werkzaamheden bestaan uit het controleren van bedrijven. lk heb weleens meegemaakt dat ik tijdens een controle constateerde dat er een [eigenschap] [ethniciteit] jongen van een meter of twee achter de kassa zat. Dat was bij [bedrijf AP] op [gehucht 3]. lk heb toen tegen de vrouwelijke baas gezegd dat dit niet kon en dat hij naar achteren moest. Hij stond namelijk als huisknecht genoteerd in de vergunning. Ik heb ze toen gezegd dat bij een volgende controle een probleem zou ontstaan als ik deze overtreding weer constateerde. Dat ik dan de Warda Nos Costa zou bellen en dat hij meegenomen zou worden. Bij een volgende controle kwam ik bij [bedrijf AP] en zag de eigenaar achter de kassa zitten. Ik zag deze [eigenschap] jongen aan het werk in de supermarkt de schappen vullen. Ik heb de eigenaar toen gezegd dat er een probleem was. Hij begon gelijk te bellen, zei kort iets en toen kreeg ik de telefoon aangereikt. Hij zei dat het [verdachte] was."

VRAAG: "Wat dacht u toen?"

[AMBTENAAR 2]: "Dat het een blaffende hond was. Dat hij blufte."

VRAAG: "En toen?"

[AMBTENAAR 2]: "Toen nam ik de telefoon en kreeg ik inderdaad [verdachte] aan de lijn. Ik was wel verbaasd toen dat gebeurde. Het is de eerste keer dat ik dat meemaakte op deze manier. Dus ik kreeg inderdaad [verdachte] aan de lijn. Hij vroeg mij wat er aan de hand was. Ik heb [verdachte] toen uitgelegd dat ik met een controle bezig was en wat de omstandigheden waren, dus dat ik al gewaarschuwd had enzovoorts. [verdachte] zei mij even te stoppen. Hij zei mij dat hij het wel met de [ethnicieteit] zou oplossen en dat het niet meer zou gebeuren. Toen moest ik de telefoon teruggeven. De [ethniciteit] sprak even met [verdachte] en hing op. Toen sprak die [ethniciteit] de jongen aan die de schappen aan het vullen was en vervolgens verdween die jongen naar achteren. De [ethniciteit] zei mij dat het niet meer zou gebeuren. Daarmee was het voorbij.

VRAAG: "Hoe voelde u zich toen?"

[AMBTENAAR 2]: "Ik voelde mij niet gesteund. Ik dacht echt, waar ben ik mee bezig. Ik werk onder minister [verdachte], doe deze werkzaamheden voor zijn ministerie en vervolgens is er een [ethniciteit] die een telefoontje pleegt en ik kan vertrekken. Ja, ik voelde mij daar niet best onder. Wat betekent ons werk nog?"

Feit 2 casus [betrokkene 7]

60. Proces-verbaal van verhoor getuige [betrokkene 7] d.d. 20 september 2017 (46, p. 252-309), inhoudende:

Wij hebben [bedrijf] al sinds 1989. Het is een familiebedrijf. Het tapgesprek gaat over minister [verdachte]. Ik heb minister [verdachte] een krat bier gegeven voor zijn verjaardag. Nadat dit gesprek had plaatsgevonden is [verdachte] persoonlijk bij mij hij de [bedrijf] langs geweest. Hij vertelde mij dat hij binnenkort jarig is en of ik hem één krat bier zou kunnen schenken. Ook vertelde hij dat zij altijd langskomen aan het einde van het jaar bij de [bedrijf] en of ik hem daarom zou kunnen helpen met bier. Zij, daarmee bedoel ik [medeverdachte 1] en [verdachte], wilden dat ik kratten bier zou geven als donatie. Ik stemde hier absoluut niet mee in. Ik had tegen hun gezegd dat ik éen krat hier kan geven als cadeau.

Ik heb [verdachte] gevraagd of hij mij kon helpen met een terrein. Dat klopt. Ik had de gedachte van misschien als ik [verdachte] een krat zal geven hij mij dan sneller zou helpen in het proces om aan een terrein te kunnen komen. Je kent het wel, je steekt een hand uit om iemand te helpen. Maar nadat ik deze gesprekken lees hoe [verdachte] over mij spreekt dan had ik nooit hem iets gegeven.

tapgesprek d.d. 11 november 2016 [medeverdachte 1] ([Mvd 1]) en [betrokkene 7] ([B 7]) (map 46, p. 254), inhoudende:

[Mvd 1]: Denk je dat je hem met enkele kratten van [merk 2] kan helpen?

[B 7]: Zal hij ze betalen?

[Mvd 1]: Nee! Hij vraagt aan jou om hem ze cadeau te geven. Als je hem als donatie kan geven.

tapgesprek d.d. 11 november 2016 [medeverdachte 1] ([Mvd 1]) en [verdachte] ([Vd]) (map 46, p. 255-256), inhoudende:

[Vd]: Ehm, heb je de krat voor mij gekregen?

[Mvd 1]: Die van [betrokkene 7] moet ik nog gaan halen.

[Vd]: Eentje?

[Mvd 1]:Hij heeft mij eentje gegeven, maar ik ben (wordt door [verdachte] onderbroken)..

[Vd]: Kloten van ellendeling, zijn moeder! Naar de moer van zijn moeder (Tonti su

mama) Zeg tegen hem dat hij dan geen terrein zal krijgen.

Feit 3Verduistering (ook relevant voor feit 4, witwassen)

61. Proces-verbaal van bevindingen geldstromen stichting [naam stichting] (map 41, p. 1-28 met bijlagen), inhoudende:

Stichting [naam stichting] is een stichting met als doel:

HET BIJEENBRENGEN, ADMINISTREREN, BEHEREN EN AANWENDEN VAN DE FONDSEN DIE BESTEMD ZIJN VOOR DE VERKIEZINGSCAMPAGNE TEN BEHOEVE VAN DE PARLEMENTSZETEL VAN DEHEER [VERDACHTE]

aldus de bij de Kamer van Koophandel neergelegde statuten van de stichting. De bij de Kamer van Koophandel ingeschreven bestuurders van de stichting zijn [broer verdachte], de broer van [verdachte], en [medeverdachte 2]. [broer verdachte]

heeft de functie van secretaris volgens de gegevens van de Kamper van Koophandel, [MEDEVERDACHTE 2] staat als algemeen bestuurder ingeschreven. [verdachte] heeft geen enkele formele bemoeienis met de Stichting. De Stichting is opgericht op 27 januari 2012. Op 18 december 2014 is [MEDEVERDACHTE 2], blijkens een benoemingsbrief gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel, door [broer verdachte] benoemd als bestuurder van de Stichting.

De ontvangen transactieoverzichten lopen van 1 januari 2014 tot en met 27 maart 2017. Het totaal van inkomsten betreft AWG 228.587,80 en het totaal van uitgaven in deze periode AWG 229.476,32.

62. Proces-verbaal van bevindingen inzake privé uitgaven via stichting (Ontneming map 4, p. 1364), inhoudende:

Van de navolgende betalingen wordt vermoed dat deze in strijd met de doelstelling van de stichting in privé ten goede zijn gekomen aan [verdachte]:

1. AWG 135,00 Charges & Exchange taks betaling studiefin.

2 2014 3-10-2014 AWG 3.00000 Cheque 232 1

3 2015 28-1-2015 AWG 1.900 00 Cheque 251 [medeverdachte 1] [verdachte] 1

4 2015 4-12-2015 AWG 4.005,00 [medeverdachte 2] 1

5 2015 9-12-2015 AWG 2.505,00 [medeverdachte 2] [kredietkaart] Payment 1

6 2015 21-12-2015 AWG 4.900 00 Cheque 272 Payment Credit Card [verdachte] 1

7 2015 22-12-2015 AWG 6.015,29 Cheque 271 Payment Curacao DUO [verdachte] 1

8 2015 22-12-2015 AWG 3.500,00 Cheque 274 Payment [medeverdachte 1] 1

9 2015 28-12-2015 AWG 1.200,00 Cheque 275 [verdachte] Eyewear 1

10 2015 28-12-2015 AWG 3.500,00 Cheque 277 [verdachte] cc 1

11 2015 29-12-2015 AWG 5.000 00 Cheque 276 [juwelierszaak] I

12 2016 12-1-2016 AWG 3.000 00 Cheque 279 [medeverdachte 1] 1

13 2016 3-8-2016 AWG 5.072,35 [medeverdachte 2] 1

14 2016 11-8-2016 AWG 2.000,00 Cheque 300 [medeverdachte 1] 1

15 2016 26-8-2016 AWG 4.000,00 Cheque 304 [kredietkaart] Min SJA 1

16 2016 5-9-2016 AWG 1.800,00 Cheque 306 [kredietkaart] I
172016 15-11-2016 AWG 2.000,00 Cheque 317 [kredietkaart] 1

18 2016 2-12-2016 AWG 2.000,00 Cheque 326 [kredietkaart] [verdachte] 1

19 2016 12-12-2016 AWG 4.90000 Cheque 334 [kredietkaart] [verdachte] 1

20 2016 16-12-2016 AWG 4.900,00 Cheque 337 [kredietkaart] [verdachte] 1

21 2017 5-1-2017 AWG 3.600,00 Cheque 352 [kredietkaart] [verdachte] 1

22 2017 9-1-2017 AWG 6.210,00 Cheque 351 [bedrijf M] Airco (woonhuis [verdachte]) 1

23 2017 17-1-2017 AWG 2.454,09 Cheque 358 [bouwbedrijf] inzake jobsite [adres] 1

24 2017 27-3-2017 AWG 4.500,00 Cheque 385 [kredietkaart] 1

63. proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 2] d.d. 10 juli 2017 (map 17, p. 313-330), inhoudende als verklaring van medeverdachte [medeverdachte 2]:

V: U vertelde dat u cheques heeft uitgeschreven voor de [kredietkaart] van de minister. Vertelt u daar eens over? Hoe vaak is dat gebeurd en om hoeveel geld gaat het?

A: Misschien acht of negen keer, maar misschien minder. Het ging om bedragen van 4000 gulden per keer. Ik schreef ook cheques uit aan [medeverdachte 1] om dat

[medeverdachte 1] dan met deze cheques naar de bank kon gaan om dan geld op de creditcard van [verdachte] te storten. Ik vroeg niets, ik deed het gewoon als de minister mij iets vroeg.

Feit 4 Witwassen

64. Proces-verbaal, rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling, met bijlagen (Ontneming 1, p. 1-33), inhoudende:

Omdat in het strafrechtelijk onderzoek onvoldoende zicht is verkregen op voordeel uit alle individuele transacties / strafrechtelijke activiteiten, is er bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel voor gekozen om een eenvoudige kasopstelling met betrekking tot de (privé ) uitgaven van [VERDACHTE] en [MEDEVERDACHTE 8] te vervaardigen. Door middel van deze methode van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt nagegaan of, en zo ja, in hoeverre betrokkene meer contante uitgaven heeft gedaan dan via legale bron kunnen worden verantwoord. In deze methode worden de totale contante uitgaven afgezet tegen de beschikbare legale contante gelden.

Beginsaldo

In het kader van het SFO zijn door de banken eveneens gegevens uitgeleverd over december 20139 met betrekking tot de bankrekeningen die op 1 januari 2014 in gebruik waren bij [VERDACHTE] en [MEDEVERDACHTE 8]. Hieruit blijkt dat op 19 en 23 december 2013 in tot aal Awg. 4.000,00 contant is opgenomen. Op 23 januari 2014, is vervolgens weer Awg. 2000,00 opgenomen. Verondersteld wordt dat het bedrag van Awg. 4.000,00 verbruikt is in die tussenliggende periode. In het voordeel van [VERDACHTE] wordt ervan uitgegaan dat het eerst opgenomen bedrag niet direct is besteed, maar tezamen met het tweede opgenomen bedrag is besteed. Dit komt neer op een gemiddelde besteding van:

  • -

    Awg. 2.000,00 besteed tussen 19 december 2013 tot 23 januari 2014 zijnde 36 dagen waarop het geld besteed kan zijn en zodoende een gemiddelde besteding van Awg. 2.000,00 : 36 = Awg. 55,56 per dag.

  • -

    Awg. 2.000,00 besteed tussen 23 december 2013 tot 23 januari 2014 zijnde 32 dagen waarop het geld besteed kan zijn en zodoende een gemiddelde besteding van Awg. 2.000,00 : 32 = Awg. 62,50 per dag

Ervan uitgaande dat deze gemiddelde bedragen zijn besteed op de dagen tot 1 januari 2014 (respectievelijk 13 dagen x Awg. 55,56 (= Awg. 722,28) en 9 dagen x Awg. 62,50 (=Awg. 562,50)) komt dit neer op een totaal besteed bedrag van Awg. 1.284,7810 • Op 1 januari 2014 resteerde zodoende een bedrag van Awg. 2.715,2211

Legale contante ontvangsten

Het bedrag voor contante opnames vanaf de bankrekeningen bij [VERDACHTE] en [MEDEVERDACHTE 8] in gebruik is door mij gesteld op Awg. 480.727,16. Het bedrag voor contante inkomsten is vastgesteld op Awg. 4.950,00 + 824,00 = Awg. 5.774,00. Het totaalsaldo contante ontvangsten is Awg. 486.501,16.

Eindsaldo contant geld

Bij de huiszoeking is $1.500, of omgerekend Awg. 2.655,00 aangetroffen, wat wordt

aangemerkt als eindsaldo contant geld.

Werkelijke contante uitgaven

Het saldo van de werkelijke contante uitgaven is bepaald aan de hand van:

Contante stortingen op bank- en creditcardrekeningen Awg. 311.017,42

Contante uitgaven Awg. 424.182,52

Totaal Awg. 735.199.94

Contante stortingen op bank- en creditcardrekeningen

De transacties op de bank- en creditcardrekeningen zijn door mij, rapporteur, onderzocht. Zoals beschreven in de deelonderzoeken naar de contante stortingen die hebben plaatsgevonden op de creditcards en op de privé bankrekeningen van [VERDACHTE] en [MEDEVERDACHTE 8] zijn de volgende contante stortingen verricht:

- Op bankrekening [nummer] zijn in de onderzoeksperiode contante stortingen verricht voor een totaalbedrag van Awg. 3.500,00

- Op bankrekening [nummer] zijn in de onderzoeksperiode contante stortingen verricht voor een totaalbedrag van Awg. 20,00

  • -

    Op bankrekening [nummer] zijn in de onderzoeksperiode contante stortingen verricht voor een totaalbedrag van Awg. 3.595,80

  • -

    Op bankrekening [nummer] zijn in de onderzoeksperiode contante stortingen verricht voor een totaalbedrag van Awg. 12.150,00

- Op bankrekening [nummer] zijn in de onderzoeksperiode contante stortingen verricht voor een totaalbedrag van Awg. 768,40

Op creditcardrekening [nummer] zijn in de onderzoeksperiode contante stortingen verricht voor een totaalbedrag van Awg. 195.223,65

  • -

    Op creditcardrekening [nummer] zijn in de onderzoeksperiode contante stortingen verricht voor een totaalbedrag van Awg. 4.950,64

  • -

    Op creditcardrekening [nummer] zijn In de onderzoeksperiode contante stortingen verricht voor een totaalbedrag van Awg. 90.808,93

Contante uitgaven

  1. Bouw woning [adres] AWG 229,817,52

  2. Huurwoning AWG 23.100,00

  3. Utilities AWG 37.246,61

  4. Klantenpassen AWG 40.849,00

  5. inbeslaggenomen bonnen en facturen AWG 29.339,64
    G) Aflossing studieschuld via derden AWG 26.025,00

Conclusie

De volgende opstelling kan worden vervaardigd:

Beginsaldo contant geld Awg. 2.715,22 +/+ Legale contante ontvangsten inclusief bankopnamen Awg. 486.501,16

-/-Eindsaldo contant geld Awg. 2.655,00

Beschikbaar voor het doen van uitgaven Awg. 486.561,38 -/- Werkelijk contante uitgaven inclusief bankstortingen Awg. 735.199.94

Verschil (wederrechtelijk verkregen voordeel) Awg. - 248.638,56

Feit 5 Illegale tewerkstelling (zie ook bewijsmiddelen onder feit 2, casus [ambtenaar 3])

65. Proces-verbaal van verhoor [medeverdachte 8] d.d. 23 oktober 2017 (map 54, p. 199 e.v.), inhoudende:

Ik ben met [betrokkene 6] in contact gekomen via een andere vrouw. Ik had op Facebook een advertentie gezet dat ik op zoekl was naar een oppas voor mijn kinderen. Zij had [betrokkene 6] aanbevolen. Ze was alleen daar om op te passen op de kinderen. We waren in het proces om haar werkvergunning aan te vragen. [betrokkene 6] kreeg niet een vast bedrag betaald voor haar diensten. lk heb haar wel geld gegeven. Cash. Ik wist dat [betrokkene 6] niet in het bezit was van een verblijfsvergunning want dat h ebben we haar gevraagd en zij heeft dat gezegd. Mijn echtgenoot en ik hebben samen de brief 'verzoek tot verlenging toeristisch verblijf' opgesteld.

66. Proces-verbaal reisbeweging Y.N. [betrokkene 6] d.d. 11 april 2017 (map 54, p. 234236), inhoudende:

De verkregen documenten van de Grenspolitie en IASA warden onderzocht en het volgende kwam naar voren: De vrouw [betrokkene 6], geboren op [geboortedatum] 1975 te [staat], [land van herkomst] kwam in 2016 drie keer op Aruba te weten op 29 maart 2016, 11 september 2016 en 20 december 2016. Op 11 september 2016 verlbeef zij tot 10 december 2016 (90 dagen) en als verblijfadres staat vermeld [verblijfadres]. Voor laatstgenoemde periode is een verlenging toeristisch verblijf verstrekt. Zij kwam op 20 december 2016 op Aruba en kreeg 30 dagen toegekend om op Aruba als toerist te verblijven. Haar binnenkomst werd kennelijk goedgekeurd door het hoofd van IASA, [ambtenaar 3], want er werd vermeld "Ok [ambtenaar 3]". [betrokkene 6] werd tijdens een huiszoeking op 28 maart 2017 bij het huis van verdachte [verdachte] aangetroffen en zij kon geen geldig document tonen om haar verblijf op Aruba te kunnen rechtvaardigen. Toen zij aangetroffen werd bij het huis van [verdachte] verbleef ze al 100 dagen op Aruba, terwijl uit onderzoek bleek dat aan haar bij binnenkomst op Aruba 30 dagen werden gegeven om als toerist te verblijven. Zij had de aan haar verleende verblijfsdagen overschreden. Naar aanleiding van een bevelschrift tot verwijdering vertrok zij op 30 maart 2017 naar [land van herkomst].

Feit 6, criminele organisatie:

zie bewijsmiddelen met betrekking tot de feiten 1 en 3.