Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2019:40

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
16-01-2019
Datum publicatie
18-01-2019
Zaaknummer
AUA201803956
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

KG, vordering afgewezen. Formele relatie: ECLI:NL:OGHACMB:2020:159 (Bekrachtiging/bevestiging).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PR-Updates.nl PR-2019-0017
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 16 januari 2019

Behorend bij K.G. no. AUA201803956

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[Eiseres],

wonende in Aruba,

eiseres,

hierna ook te noemen: [eiseres],

gemachtigden: de advocaten mrs. L.A.M. Leeuwe en M.A. Kock,

tegen:

de stichting

FONDO NACIONAL DI GARANTIA PA VIVIENDA,

gevestigd in Aruba,

gedaagde,

hierna ook te noemen: FNGV,

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties;

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van de zaak ter terechtzitting van 20 december 2018.

1.2 [

eiseres] is ter zitting verschenen samen met haar gemachtigden. FNGV is verschenen bij haar gemachtigde, die werd vergezeld door dhr. [directeur](directeur van FNGV). Partijen hebben in twee termijnen het woord gevoerd, beiden mede aan de hand van een overgelegde en voorgedragen pleitnota voorzien van toegelaten (nadere) producties, en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen.

1.3

Vonnis is bepaald op heden.

2 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

2.1 [

eiseres] vordert dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

a. FNGV veroordeelt om aan [eiseres] haar loon ad Afl. 5.135,-- plus alle emolumenten (door) te betalen gerekend vanaf 21 oktober 2018 totdat de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd, achterstallig loon te vermeerderen met de wettelijke verhoging en met wettelijke rente gerekend vanaf de dag der opeisbaarheid daarvan tot aan de dag der algehele voldoening;

b. FNGV beveelt om [eiseres] met onmiddellijke ingang tewerk te stellen, zulks op straffe van een dwangsom van Afl. 5.000,-- voor iedere dag dat FNGV dat bevel niet opvolgt;

c. FNGV veroordeelt in de proceskosten.

2.2

FNGV voert verweer en concludeert tot afwijzing van het door [eiseres] verzochte, uitvoerbaar bij voorraad te verklaren kosten rechtens.

2.3

Voor zover van belang voor de beslissing worden de stellingen van partijen hierna besproken.

3 DE BEOORDELING

3.1

Het spoedeisend belang van [eiseres] bij haar vordering ligt besloten in de aard van die vordering en de daaraan ten gronde gelegde stellingen. Het verweer van FNGV op dit onderdeel wordt verworpen.

3.2.1

Vast staat tussen partijen in elk geval het volgende. [eiseres] is in februari 1997 als arbeidscontractant in loondienst getreden van het Land Aruba. Op 1 april 2002 is [eiseres] krachtens een daartoe tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in loondienst getreden van FNGV in de functie van administratief medewerkster, en verdiende laatstelijk een bruto maandloon van Afl. 5.135,--. Gelet op de geboortedatum van eiseres, te weten 21 oktober 1953, zou zij conform de voor haar geldende regeling op 21 oktober 2013 met pensioen zijn gegaan. Vanaf 2013 tot en met 2017 heeft [eiseres] op jaarlijkse schriftelijke aanvraag haar pensioendatum met instemming van haar pensioenfonds en FNGV telkens met één jaar uitgesteld. Op 19 april 2017 heeft [eiseres] verzocht om haar pensioendatum nogmaals met één jaar uit te stellen en daarbij aangegeven dat 21 oktober 2018 als haar pensioendatum heeft te gelden. Na deze door haar pensioenfonds en FNGV ingewilligde aanvraag heeft [eiseres] geen verdere aanvraag tot uitstel van haar pensioen meer ingediend.

3.2.2

Per brief van 1 oktober 2018 heeft FNGV [eiseres] eervol ontslag verleend met ingang van 21 oktober 2018 in verband met het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Per brief van 3 oktober 2018 heeft [eiseres] FNGV te kennen gegeven dat het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd geen grond oplevert voor ontslag, en heeft [eiseres] de nietigheid van het ontslag ingeroepen en verklaard bereid te zijn tot het verrichten van de bedongen werkzaamheden.

3.2.3

De aan [eiseres] gerichte brief van (de gemachtigde van) FNGV van 22 oktober 2018 vermeldt onder meer het volgende: “Zoals bekend is tussen partijen afgesproken dat u per 21 oktober 2018 met uw welverdiende pensioen zou gaan. In verband daarmede heeft cliënte, in samenspraak met u ook alle voorbereidingen getroffen om een vervanger in te werken. Recentelijk heeft u cliënte evenwel verzocht om uw pensioendatum met een jaar te verlengen, doch dit verzoek is niet ingewilligd. Uw reactie was om te stellen dat u niet meer op de afgesproken datum met pensioen zou gaan.

U kunt evenwel niet eenzijdig de gemaakte afspraken wijzigen en cliënte is ook niet bereid om daarin mee te gaan. Dit betekent dan ook dat het dienstverband conform afspraak op 21 oktober 2018 is geëindigd. Als gevolg hiervan is uw aanwezigheid vandaag op het werk ongeoorloofd temeer nu cliënte u uitdrukkelijk afgelopen vrijdag heeft aangegeven dat die dag 19 oktober 2018 uw laatste werkdag was.

Bij deze geef ik u schriftelijk aan dat u het kantoor van de FNGV onmiddellijk dient te verlaten, bij gebreke waarvan u cliënte zal verplichten vergaande maatregelen te treffen om dit te bewerkstelligen.”.

3.3

Met [eiseres] is het Gerecht voorshands van oordeel dat het enkele bereiken door [eiseres] van haar pensioengerechtigde leeftijd nog niet met zich brengt dat daardoor een einde komt aan haar dienstverband met FNGV. Kernvraag in dit geschil is of partijen al dan niet zijn overeengekomen of hebben afgesproken dat de arbeidsovereenkomst van [eiseres] bij het bereiken door [eiseres] van de 65-jarige (pensioengerechtigde) leeftijd op 21 oktober 2018 met wederzijds goedvinden zou eindigen, althans of FNGV er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat dit het geval was. Anders dan [eiseres] stelt FNGV dat dit alles niet het geval is. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

3.4.1

FNGV heeft diverse door collega’s van [eiseres] afgelegde verklaringen overgelegd. De verklaring van [collega 1]vermeldt onder meer:

“(…).

Vorige jaar (2017) heeft zij aangegeven dat 2018 haar laatste jaar zal zijn omdat zij met pensioen gaat. Wij moesten zoveel mogelijk van haar leren voor wat betreft het screenen van garanties. Vooral tegen mij collega [collega 2] heeft zij dit telkens herhaald omdat [collega 2] de prescreening voor haar deed. (…) En telkens herhaalde zij weer het volgende: “denk eraan, volgende jaar ben ik er niet meer, en moeten jullie het gaan doen.

(…)”.

3.4.2

De verklaring van [collega 2] Kock vermeldt onder meer:

(…).

Ondergetekende verklaart hierbij dat Mevr. [eiseres]vanaf vorige jaar al aangaf dat zij dit jaar in oktober met pensioen gaat. Zij is verantwoordelijk voor het screenen van garantie verzoeken die door mij worden geregistreerd. Tijdens het screenen werd ik vaak door haar geattendeerd dat ik meer aandacht moest schenken bij het doornemen van het applicatieformulier van sommige banken die altijd proberen bepaalde dingen te passeren (fastball). “Omdat ik volgend jaar niet meer zal zijn” was telkens haar woorden. Mevr. [eiseres]zei vaak dat zij volgend jaar niet meer zal zijn en dat mijn persoon en mijn collega zullen blijven.

(…).”.

3.4.3

Vorenstaande verklaringen oordeelt het Gerecht voorshands betrouwbaar, mede omdat zij steun vinden in de vaststaande omstandigheid dat [eiseres] op 19 april 2017 heeft aangevraagd haar pensioendatum nogmaals met één jaar uit te stellen, waarbij zij heeft aangegeven dat 21 oktober 2018 als haar pensioendatum heeft te gelden in verbinding met de omstandigheid dat [eiseres] daarna geen verdere aanvraag tot uitstel van haar pensioendatum heeft ingediend.

3.5

Vorenstaande verklaringen ondersteunen op hun beurt de verklaring van de Directeur van FNGV [directeur]. Die daarom naar het voorlopig oordeel van het Gerecht eveneens betrouwbaar geoordeelde verklaring vermeldt onder meer:

“(…).

Sinds mijn intrede als directeur van (…) FNGV werd mij door de vertrekkende directeur verteld, dat mevr. [eiseres] sinds 2013 een pensioenuitkering van SVB ontvangt en dat zij een uitstel van pensioen heeft van APFA tot 65 jaar en dat de FNGV hiermee akkoord is gegaan. Zij zou in oktober 2018 haar pensioengerechtigde leeftijd bereiken en moet intussen van APFA elk jaar vanaf 2013 een uitstelformulier voor telkens 1 jaar inleveren. Op grond van deze afspraak heb ik als directeur jaarlijks op verzoek van mevrouw [eiseres] het document vanaf 2015 t/m 2017 medeondertekend.

Intussen liet zij op verschillende momenten weten dat dit (2018) haar laatste jaar is en dat haar collega’s ervoor moesten zorgen om zoveel mogelijk vragen te stellen en de werkzaamheden van haar over te nemen.

(…).”.

3.6

In het licht van vorenstaande verklaringen in verbinding met de omstandigheid dat [eiseres] na haar aanvraag van 19 april 2017 geen verdere aanvraag tot uitstel van de door zichzelf bij die aanvraag op (het bereiken van) 65 jaar gestelde pensioenleeftijd heeft ingediend, heeft [eiseres] naar het oordeel van het Gerecht de stelling van FNGV, dat partijen hebben afgesproken dat het dienstverband van [eiseres] met FNGV zou eindigen bij het bereiken van haar 65-jarige leeftijd althans dat FNGV er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat dit het geval zou zijn, onvoldoende onderbouwd bestreden.

3.7

De hiervoor geschetste stand van zaken brengt mee dat niet met grote mate van zekerheid valt te verwachten dat in een bodemprocedure de vorderingen van [eiseres] zullen worden toegewezen. De thans door [eiseres] verzochte voorzieningen moeten daarom worden afgewezen.

3.8

Afweging van de belangen van partijen maakt vorenstaande niet anders, nu het Gerecht geen zwaarwegender belangen ziet aan de zijde van [eiseres] bij toewijzing van het door haar verzochte ten opzichte van de belangen van FNGV bij afwijzing daarvan.

3.9 [

eiseres] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van FNGV, tot aan deze procedure begroot op Afl. 1.500,-- aan salaris voor de gemachtigden.

4 DE BESLISSING

Het Gerecht, rechtdoende in kort geding:

-wijst af het door [eiseres] verzochte;

-veroordeelt [eiseres] in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van FNGV, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 1.500,-- aan salaris voor de gemachtigde;

-verklaart voormelde kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op woensdag 16 januari 2019.