Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2019:320

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
27-05-2019
Datum publicatie
07-06-2019
Zaaknummer
AUA201802798
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In voornoemde rapporten is verder vastgesteld dat op het terrein mogelijk asbesthoudende (isolatie)materialen aan de buitenlucht worden blootgesteld. Tijdens de inspectie is besproken dat deze materialen nader moeten worden onderzocht en, indien deze materialen asbest bevatten, de nodige maatregelen getroffen moeten worden. Niet gebleken is dat nader onderzoek naar deze mogelijk asbesthoudende materialen daadwerkelijk is verricht. Voorts heeft DNM gerapporteerd dat een periodieke controle moet plaatsvinden naar mogelijke erosie van de afdeklaag. Gesteld noch gebleken is dat een periodiek controleprogramma is opgesteld en wordt uitgevoerd. Gelet op het ontbreken van het nader onderzoek en een periodiek controleprogramma is het gerecht van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat uit onderzoek van DNM is gebleken dat er geen sprake is van een gevaarlijke situatie voor de nabije omgeving. Het bestreden besluit is in zoverre niet deugdelijk gemotiveerd. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is onrechtmatig en zal moeten worden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 27 mei 2019

Lar nr. AUA201802798

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

[appellanten],

wonende in Aruba,

APPELLANTEN,

procederende in persoon,

gericht tegen:

De minister van Justitie, Veiligheid en Integratie,

zetelende in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. A. Lumenier.

PROCESVERLOOP

Bij brieven van 4 oktober 2016 en van 17 oktober 2016 hebben appellanten aan verweerder verzocht om handhavend op te treden in verband met het illegaal storten van asbesthoudend afval op het terrein van de raffinaderij.

Op 23 januari 2017 hebben appellanten bezwaar aangetekend tegen het uitblijven van een beslissing van verweerder.

Tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar hebben appellanten op 4 juli 2017 beroep ingesteld bij dit gerecht.

Bij uitspraak van dit gerecht van 5 maart 2018 heeft het gerecht verweerder opgedragen binnen 3 maanden een reële beslissing te nemen op het bezwaar van appellanten.

Bij beschikking van 7 juni 2018 heeft verweerder op het bezwaar van appellanten van 23 januari 2017 beslist (het bestreden besluit).

Op 16 juli 2018 hebben appellanten een bezwaarschrift ingediend tegen het besluit van 7 juni 2018.

Op 7 september 2018 hebben appellanten een beroepschrift ingediend tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar van 16 juli 2018.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het gerecht heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 april 2019, alwaar appellanten in persoon, bijgestaan door ir. ing. L.R. Henriquez en verweerder, vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde, zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

Juridisch kader

De toepasselijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

Feiten

1.1

Appellanten zijn woonachtig in de directe nabijheid van het terrein van de raffinaderij te Lago Heights, San Nicolas.

1.2

Bij Ministeriele beschikking van 11 juli 1990 is aan Coastal Aruba Refining Co. N.V ingevolge de Hinderverordening een vergunning met nummer CBJAZ/2389 verleend voor het oprichten van een olieraffinaderij met bijbehorende nevenactiviteiten gelegen te San Nicolas.

1.3.

Bij schrijven van 20 oktober 2016 heeft ir [X], directeur Natuur en Milieu, verweerder bericht dat het de intentie is op het terrein van de raffinaderij conform het conceptrapport Asbestos Containing Material (ACM) Consolidation and Cell Closure Work Plan Valero Refining Company-Aruba N.V., 4000 kubieke meters asbesthoudend materiaal (verpakt in 50 shipping containers) te verplaatsen en in te graven. Aangezien gevaarlijk materiaal wordt ingegraven in de vorm van afvalverwerking wenst de Directie Natuur en Milieu (DNM) informatie/opdracht omtrent de milieucondities en onderhoudsbesluit van de levenscyclus van deze asbestcell.

1.4

Blijkens een rapport van 16 november 2016, ondertekend door [Y], 1ste inspecteur DNM (hierna [Y]), heeft op 1 november 2016 een controle plaatsgevonden bij de asbestopslag van de raffinaderij. In dit rapport worden de werkzaamheden met betrekking tot het bergen van de asbest beschreven. De 55 zeecontainers die asbest bevatten worden leeggehaald waarna het asbest wordt begraven en afgedekt met zand en gesteente.

1.5

Per brief van 6 december 2016 informeert verweerder appellanten dat volgens informatie van de directeur van de Dienst Technische Inspectie het asbest volgens internationale normen wordt opgeruimd.

1.6

Op 4 januari 2017 vindt in verband met de oplevering van de asbestopslag een controle plaats. In het rapport van 4 januari 2017 opgesteld door [Y], wordt vermeld dat alle met asbest gevulde containers gevuld geruimd waren. Op het stuk grond waar de opengebroken containers lagen, zijn losse brokken stukken asbest aangetroffen die moeizaam verwijderd konden worden. Over de brokken asbest is een vloeibaar bindmiddel Bitumen(tar) gespoten en vervolgens is het stuk grond, met een oppervlakte van 4000m², afgedekt met cement. Bij de opslag van asbest is gekozen deze af te dekken met gesteente.

1.7

Op 20 april 2018 heeft [Y] een algemeen rapport opgemaakt betreffende de stand van zaken van de berging asbest op het terrein van de raffinaderij.

1.8

Op 4 mei 2018 is op verzoek van het Openbaar Ministerie een multidepartementale controle uitgevoerd op het terrein van de raffinaderij. Blijkens het rapport van 7 mei 2018, opgemaakt door [Y], heeft DNM bij deze controle medegedeeld dat voor de asbeststortplaats geen monitoringsprogramma is. Verder zijn verschillende stukken zeil, metalen, hout en isolatiemateriaal tussen het afdekmateriaal waargenomen. Het gevonden isolatiemateriaal werd verdacht asbesthoudend te zijn. DNM heeft toegezegd het gevonden isolatiemateriaal te laten onderzoeken op asbestvezels en de stortplaats te laten inspecteren op de aanwezigheid van meer asbestverdacht isolatiemateriaal. Op sommige plekken was erosie te zien. Het verpakte asbest was niet blootgesteld aan de buitenlucht.

1.9

De advocaat-generaal [A] heeft op 27 juni 2018 een verslag opgemaakt van het locatiebezoek van 4 mei 2018. In dit verslag wordt vermeld dat uit onderzoek is gebleken dat het in 2016 gestorte asbesthoudend materiaal zelf vooralsnog veilig is opgeborgen. Wel dient volgens DNM halfjaarlijks een follow-up onderzoek plaats te vinden. In zo’n periodiek onderzoek is nog niet voorzien. Verder is gebleken dat voorwerpen, die mogelijk asbesthoudend zijn, aan de buitenlucht blootgesteld worden. Een onderzoek of deze materialen asbest bevatten, dient per ommegaande plaats te vinden en zou bij bevestiging van het vermoeden ook per direct tot het nemen van maatregelen moeten leiden.

Standpunten van partijen

2.1

Appellanten vrezen waardevermindering van hun woning en aantasting van hun gezondheid als gevolg van het bergen van asbesthoudend materiaal op het terrein van de raffinaderij. Verweerder heeft ten onrechte geconcludeerd dat er geen gevaar meer bestaat dat asbest vrij kan komen en dat de situatie dus geen gevaar meer vormt voor de nabije omgeving. Appellanten verzoeken verweerder de Hindervergunning, afgegeven op 11 juli 1990, n. CBJAZ/2389 aan de raffinaderij te San Nicolas Aruba, op grond van voorwaarde 4 in te trekken en de wijziging van de situatie ongedaan te maken door het terrein te saneren en het asbesthoudend afval af te voeren op een wijze waarop dit geen enkel risico oplevert. Appellanten stellen zich op het standpunt dat de vergunning nog steeds geldig is voor de rechtverkrijgenden van Coastal Aruba Refining Co. N.V, te weten Valero Aruba. Voorts voert appellanten aan dat verweerder in de beschikking van 7 juni 2018 niet in is gegaan op alle verzoeken van appellanten.

2.2.

Verweerder heeft de verzoeken van appellanten afgewezen omdat Valero geen vergunninghouder is. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de Hindervergunning per 2014 is komen te vervallen omdat de inrichting meer dan twee jaren heeft stilgestaan en voorts dat uit onderzoek van de DNM ter plaatse is gebleken dat er geen sprake is van een gevaarlijke situatie voor de nabije omgeving.

Beoordeling

3.1

Appellanten hebben op 16 juli 2018 een bezwaarschrift ingediend gericht tegen het schrijven van verweerder van 7 juni 2018. Het gerecht merkt dit bezwaarschrift aan als een beroepschrift nu het schrijven van verweerder van 7 juni 2018, gelet op de aanhef en inhoud van dit schrijven, als een beslissing op het bezwaarschrift van 23 januari 2017 moet worden aangemerkt.

3.2

Het beroep van 7 september 2018 gericht tegen het uitblijven van een beslissing is gelet op het voorgaande niet-ontvankelijk.

3.3

Het gerecht ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of het bergen en ingraven van asbesthoudend materiaal op het terrein van de raffinaderij valt onder het bereik van de Hinderverordening. Het gerecht beantwoordt die vraag bevestigend. Ingevolge artikel 1 van de Hinderverordening is het immers verboden zonder vergunning van de minister van Justitie en Publieke Werken inrichtingen, die hetzij door de verspreiding van stank, rook of dampen, hetzij door geraas of gedruis, hetzij anderszins, voor de omgeving hinder, schade of gevaar kunnen veroorzaken, op te richten. De werkzaamheden met betrekking tot het bergen van asbest en de daaruit ontstane gevolgen, zoals beschreven onder 1.4, kunnen immers gevaar of schade voor de omgeving veroorzaken.

3.4

Appellanten betogen dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat de Hindervergunning niet kan worden ingetrokken omdat Valero geen vergunninghouder is. Het gerecht stelt vast dat bij Ministeriële Beschikking van 11 juli 1990 (nr CBJAZ/238) aan Coastal Aruba Refining CO, N.V. en diens rechtsverkrijgenden een Hindervergunning is verleend voor het oprichten van een olieraffinaderij met bijbehorende nevenactiviteiten. Nu tussen partijen onweersproken is dat Valero de rechtsopvolger van Coastal Aruba Refining is, beschikt Valero over de voornoemde Hindervergunning. Het betoog van appellanten slaagt.

3.5

Verweerder heeft het verzoek van appellanten om handhavend op te treden voorts afgewezen omdat de verleende hindervergunning ex artikel 15 van de Hinderverordening is komen te vervallen wegens het meer dan twee jaar stilstaan van de inrichting. Appellanten stellen dat verweerder dit standpunt niet aan de weigering om handhavend op te treden ten grondslag kan leggen. Dit betoog slaagt eveneens. Zoals reeds onder 3.4 is overwogen valt het bergen van asbest met de daaruit voortvloeiende gevolgen onder de bepaling van artikel 1 van de Hinderverordening. Het standpunt van verweerder dat de vergunning op grond van tijdsverloop is komen te vervallen, wat daar ook van zij, zou dan juist moeten leiden tot de conclusie dat er sprake is van overtreding van artikel 1 van de Hinderverordening. In zoverre is het besluit onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd.

3.6

Met betrekking tot het standpunt van verweerder dat niet tot handhavend optreden hoeft te worden overgegaan omdat uit het onderzoek van DNM ter plaatse is gebleken dat er geen sprake is van een gevaarlijke situatie voor de nabije omgeving, overweegt het gerecht als volgt. DNM heeft naar aanleiding van controle en inspectie van de asbestwerkzaamheden op het terrein van de raffinaderij meerdere rapporten opgesteld. Het gerecht heeft geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de verslagen en de op de waarnemingen gebaseerde conclusies. De rapporten van DNM zijn begrijpelijk, consistent en worden bevestigd in het rapport van advocaat-generaal [A]. Verweerder kan de bevindingen van DNM dan ook ten grondslag leggen aan zijn beslissing om handhavend op te treden. Gelet op de conclusie van DNM dat de asbestwerkzaamheden conform internationale normen zijn uitgevoerd en het gestorte asbest niet was blootgesteld aan de buitenlucht, heeft verweerder het verzoek van appellanten om handhavend op te treden in de zin dat de situatie ongedaan wordt gemaakt door het terrein te saneren en het asbesthoudend afval af te voeren op een wijze waarop dit geen enkel risico oplevert, kunnen afwijzen.

3.7

In voornoemde rapporten is verder vastgesteld dat op het terrein mogelijk asbesthoudende (isolatie)materialen aan de buitenlucht worden blootgesteld. Tijdens de inspectie is besproken dat deze materialen nader moeten worden onderzocht en, indien deze materialen asbest bevatten, de nodige maatregelen getroffen moeten worden. Niet gebleken is dat nader onderzoek naar deze mogelijk asbesthoudende materialen daadwerkelijk is verricht. Voorts heeft DNM gerapporteerd dat een periodieke controle moet plaatsvinden naar mogelijke erosie van de afdeklaag. Gesteld noch gebleken is dat een periodiek controleprogramma is opgesteld en wordt uitgevoerd. Gelet op het ontbreken van het nader onderzoek en een periodiek controleprogramma is het gerecht van oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat uit onderzoek van DNM is gebleken dat er geen sprake is van een gevaarlijke situatie voor de nabije omgeving. Het bestreden besluit is in zoverre niet deugdelijk gemotiveerd.

4. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is onrechtmatig en zal moeten worden vernietigd. Verweerder dient het verzoek om handhavend op te treden opnieuw te beoordelen met in achtneming van hetgeen onder 3.8. is overwogen.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

  • -

    verklaart het beroep van 7 september 2018 niet-ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep van 16 juli 2018 gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit\van 7 juni 2018;

  • -

    draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met in achtneming van deze uitspraak;

  • -

    gelast dat het door appellanten gestorte griffierecht van Afl. 25 aan hen wordt terugbetaald.

Deze beslissing is gegeven door mr. M. Soffers, rechter in dit gerecht, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op maandag, 27 mei 2019, in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na dagtekening van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (LAR-zaken).

Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij de griffie van dit Gerecht.

U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,

b. de dag van ondertekening,

c. waartegen u in hoger beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voor het instellen van hoger beroep is een griffierecht van Afl. 75 verschuldigd.

BIJLAGE

Hinderverordening:

Artikel 1 Het is verboden zonder vergunning van de minister van Justitie en Publieke Werken inrichtingen, die hetzij door de verspreiding van stank, rook of dampen, hetzij door geraas of gedruis, hetzij anderszins, voor de omgeving hinder, schade of gevaar kunnen veroorzaken, op te richten.

2. Een zelfde vergunning wordt vereist om zodanige inrichtingen uit te breiden, van aard te veranderen of te verplaatsen.

Artikel 13 1. De minister van Justitie en Publieke Werken kan de houder ener vergunning nieuwe voorwaarden opleggen, indien de ondervinding de noodzakelijkheid daarvan mocht aantonen. Iedere belanghebbenden kan de minister van Justitie en Publieke Werken het met reden omkleed verzoek daartoe doen. 2. Geen nieuwe voorwaarden worden opgelegd dan bij met redenen omkleed besluit, de houder der vergunning gehoord of behoorlijk opgeroepen. In het besluit wordt een termijn gesteld, binnen welke door de vergunninghouder aan de daarbij opgelegde voorwaarden moet zijn voldaan. 3. De minister van Justitie en Publieke werken geeft van zijn beslissing terstond kennis aan degene, die het verzoek tot oplegging van nieuwe voorwaarden deed.

Artikel 14 Worden de gestelde voorwaarden niet nageleefd, dan kan de minister van Justitie en Publieke Werken de vergunning bij met redenen omkleed besluit intrekken.

Artikel 15 Een nieuwe vergunning is nodig om een inrichting, die langer dan twee jaren heeft stilgestaan, opnieuw in werking te brengen.

Hindervergunning van 11 juli 1990 (nr CBJAZ/2389)

Voorwaarden

4: Het lossen of afvoeren van rook, dampen vloeistoffen of vaste stoffen in de grond, zee of lucht die schade aan de gezondheid van de mens, dier of plant kan veroorzaken dient te worden voorkomen.

6. De olieraffinaderij met alle toebehoren en alle op het terrein bevindende uitrusting e.d. moeten om veiligheids- en gezondheidsredenen, voorzover er daarvoor geen geldende regelingen of voorschriften zijn, steeds voldoen aan de met de Dienst voor Technische Inspecties schriftelijk overeen te komen veiligheidsnormen, welke tenminste gelijk zijn aan erkende standaarden, internationaal dan wel Amerikaanse normen.