Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2019:282

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
17-05-2019
Datum publicatie
03-06-2019
Zaaknummer
144 van 2019 en 204 van 2019
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het Gerecht in eerste aanleg van Aruba heeft verdachte voor een gewapende overval (zaak A), alsmede een woninginbraak (zaak B) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummers: P-2018/11924 en P-2018/10080

Zaaknummers: 144 van 2019 en 204 van 2019

Uitspraak: 17 mei 2019 Tegenspraak

Vonnis van dit Gerecht

in de gevoegde strafzaken tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] in [geboorteland],

wonende in [woonplaats],

thans gedetineerd in het huis van bewaring in Aruba.

1 Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2019. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadslieden, mrs. S.A. Kock (in de zaak met parketnummer P-2018/11924) en D.G. Illes (in de zaak met parketnummer P-2018/10080), advocaten in Aruba. De zaken onder bovenvermelde parketnummers zijn ter terechtzitting gevoegd.

De benadeelde partij in de zaak met parketnummer P-2018/10080, [benadeelde partij 2], heeft zich ter terechtzitting in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding.

De officier van justitie, mr. T. Akkerman, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het in de zaak met parketnummer P-2018/11924 (nader aangeduid met zaak A) en in de zaak met parketnummer P-2018/10080 (hierna: zaak B) ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en aftrek van voorarrest. Zijn vordering behelst voorts de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van Afl. 2.500,- als voorschot voor de door hem geleden materiële schade, alsmede de niet-ontvankelijkverklaring van die benadeelde partij in hetgeen hij overigens heeft gevorderd en de oplegging van een bij de toewijsbare vordering behorende schadevergoedingsmaatregel.

De raadsvrouw heeft ter zake van zaak A het woord tot verdediging gevoerd. Ter zake van zaak B heeft de raadsman vrijspraak bepleit van het in die zaak ten laste gelegde.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd:

Zaak A

dat hij op of omstreeks 1 juli 2018 in Aruba,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

een plastic snoepgoeddoosje inhoudende ongeveer afl. 300,=, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte,

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 1],

gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of bij betrapping op heterdaad aan zichzelf, hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welke geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte,

- met bedekt gezicht en voorzien van een (kap)mes [bedrijfsnaam] is binnengegaan en/of

- ( vervolgens) een klant van voornoemde minimarket opzij had geduwd en/of

- ( vervolgens) dat (kap)mes aan die [benadeelde partij 1] heeft getoond;

(artikel 2:291 van het Wetboek van Strafrecht)

Zaak B

dat hij op of omstreeks 16 september 2018 in Aruba met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning of op een bij een woning behorend besloten erf, te weten [adres], terwijl verdachte opzettelijk en wederrechtelijk in die woning/op dat erf, in gebruik bij [benadeelde partij 2], vertoefde, onder meer heeft weggenomen een of meer laptops en/of een horloge en/of een mobiele telefoon en/of een of meer rugtassen en/of een koptelefoon,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde partij 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of het/de weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming en/of een valse sleutel;

(artikel 2:290 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht)

3 Formele voorvragen

Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Bewezenverklaring

Het Gerecht acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is ten laste gelegd, met dien verstande dat:

Zaak A

dat hij op of omstreeks 1 juli 2018 in Aruba, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een plastic snoepgoeddoosje inhoudende ongeveer afl. 300,=, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte,

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijker te maken en/of bij betrapping op heterdaad aan zichzelf, hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welke welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte,

- met bedekt gezicht en voorzien van een (kap)mes [bedrijfsnaam] is binnengegaan en/of

- (vervolgens) een klant van voornoemde minimarket opzij had geduwd en/of

- (vervolgens) dat (kap)mes aan die [benadeelde partij 1] heeft getoond;

Zaak B

dat hij op of omstreeks 16 september 2018 in Aruba met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een woning of op een bij een woning behorend besloten erf, te weten [adres], terwijl verdachte opzettelijk en wederrechtelijk in die woning/op dat erf, in gebruik bij [benadeelde partij 2], vertoefde, onder meer heeft weggenomen een of meer meerdere laptops en/of een horloge en/of een mobiele telefoon en/of een of meer meerdere rugtassen en/of een koptelefoon,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde partij 2], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of het/de weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van /of verbreking en/of inklimming en/of een valse sleutel.

Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

5 Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door het Gerecht gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het vonnis. Deze aanvulling zal vervolgens aan het vonnis worden gehecht.

6 Bewijsoverwegingen

Zaak B

De verdediging heeft aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, aangezien niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte deze diefstal heeft gepleegd. Er is geen direct bewijs waaruit de betrokkenheid van de verdachte blijkt. Hij heeft daartoe – samengevat – aangevoerd dat er onvoldoende bewijs in het dossier voorhanden is, nu bij de verdachte geen goederen zijn aangetroffen die uit de onderhavige woning zijn weggenomen. Evenmin is er een (vergelijkend) dactyloscopisch onderzoek verricht. Voorts is de raadsman van mening dat de herkenning van de verdachte door de desbetreffende opsporingsambtenaren niet deugdelijk is geweest, omdat zij niet hebben aangegeven op basis van welke specifieke kenmerken zij de verdachte hebben herkend. Het gerecht overweegt als volgt.

Op 16 september 2018 is een woninginbraak te [adres] gepleegd. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de woning voorzien was van beveiligingscamera’s en dat die camera’s beelden van de inbreker hebben opgenomen. Van de beelden werd (tenminste) één foto van de dader gemaakt. De beelden en de foto werden op Facebook geplaatst en aan de politie toegezonden. Bij verdachtes aanhouding op 2 oktober 2018 is door de arresterende opsporingsambtenaren geconstateerd dat de verdachte dezelfde persoon is als degene die op de foto van de inbraak te zien is. Deze constatering door twee opsporingsambtenaren staat niet op zichzelf, maar wordt ondersteund door de verklaring van aangeefster/getuige [aangeefster/getuige] van 21 september 2018, inhoudende dat een buurtbewoonster, tevens Facebook-gebruikster, had bericht dat zij de inbreker op de beelden die op Facebook werden geplaatst, had herkend als de man die zij op Facebook als vriend heeft met de naam [verdachte] en dat deze persoon ook in hun omgeving woont. Dit is een spontane herkenning. Aangeefster/getuige [aangeefster/getuige] heeft bovendien in een nadere verklaring verklaard dat zij op 22 september 2018 een man langs de weg had zien lopen en deze man herkende als de man genaamd [verdachte] over wie zij het in haar vorige verklaring had en die zeer waarschijnlijk de inbraak had gepleegd.
Deze man droeg ook een rugtas van het merk “[merknaam]”, die de getuige gelijk herkende als zijnde één van de gestolen rugtassen. Ook de aangeefster/getuige heeft de verdachte derhalve naar aanleiding van de videobeelden en/of foto herkend.

Het Gerecht concludeert dat er op basis van de gebezigde bewijsmiddelen voldoende wettig en ook overtuigend bewijs voorhanden is om vast te stellen dat de verdachte degene is geweest die op 16 september 2018 de ten laste gelegde diefstal heeft gepleegd. Het verweer van de verdediging wordt daarom verworpen.

7 Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Zaak A

Diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijker te maken,

strafbaar gesteld bij artikel 2:291, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht van Aruba.

Zaak B

Diefstal in een woning, door iemand die artikel 2:65 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba heeft overtreden, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming,

strafbaar gesteld bij artikel 2:290 juncto artikel 2:289, aanhef en onder b, van het Wetboek van Strafrecht van Aruba.

Het bewezenverklaarde is strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid ervan opheffen of uitsluiten.

8 Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

9 Oplegging van straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte zijn te verwijten en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een gewapende overval. Hij is met bedekt gezicht en voorzien van een kapmes een minimarkt binnengegaan. Hij heeft een aldaar aanwezige klant opzij geduwd en, onder het tonen van het kapmes aan de eigenaar van de minimarkt, heeft hij ongeveer Afl. 300,- van die eigenaar weggenomen. De verdachte heeft het slachtoffer in deze niet alleen financiële schade toegebracht, maar vooral ook grote angst en leed. Slachtoffers van dergelijke feiten kunnen nog langdurig lijden onder de (psychische) gevolgen daarvan. De verdachte heeft met zijn handelen ook de rechtsorde ernstig geschokt en gezorgd voor gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een woninginbraak. De verdachte heeft zich gedurende de nachtelijke uren toegang tot een woning verschaft door het (glas van het) keukenraam te verwijderen en in te klimmen, terwijl de bewoners lagen te slapen. Hij heeft daarbij een groot aantal goederen weggenomen. Hij heeft daarmee niet alleen schade en hinder toegebracht en inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van anderen, maar vooral bijgedragen aan gevoelens van onveiligheid bij de bewoners. Slachtoffers van dergelijke feiten lijden vaak langdurig onder de geestelijke gevolgen daarvan, hetgeen ook uit de toelichting van de benadeelde partij op de vordering tot schadevergoeding ter terechtzitting naar voren is gekomen. De verdachte heeft ook met dit feit gezorgd voor gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

De verdachte is, zo blijkt uit zijn uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 8 maart 2019, niet eerder onherroepelijk veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het Gerecht zal echter een deel van deze straf voorwaardelijk opleggen. Dit voorwaardelijke strafdeel dient er toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

Het Gerecht is, na dit een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat na te noemen straf, zoals door de officier van justitie gevorderd, passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.

10 Schadevergoeding

Zaak B

De benadeelde partij in zaak B, de heer [benadeelde partij 2], heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding voor een totaalbedrag van Afl. 22.360,50 bestaande uit Afl. 8.696,50 aan materiële schade en Afl. 13.664,- aan immateriële schade.

De verdediging heeft de vordering betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het Gerecht genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot een bedrag van Afl. 2.500,-. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Het Gerecht is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet van zo eenvoudige aard is dat deze zich leent voor beslissing in de strafzaak. De benadeelde partij kan daarom in zoverre niet worden ontvangen en dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het Gerecht ziet aanleiding daarbij een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 1:78 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba aan de verdachte op te leggen. Voor het geval volledige betaling of volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet volgt, zal vervangende hechtenis van na te melden duur worden opgelegd, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de betalingsverplichting niet opheft. Het Gerecht bepaalt voorts dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan het Land Aruba en dat betalingen aan het Land Aruba in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Het Gerecht zal de verdachte ook veroordelen in de proceskosten van de benadeelde partij. Door de benadeelde partij is echter niet naar voren gebracht dat zulke kosten zijn gemaakt, zodat die kosten dienen te worden begroot op nihil.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:19, 1:20, 1:21, 1:62 en 1:136 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba.

BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in zaak A en in zaak B ten laste gelegde feit, zoals hiervoor bewezen geacht, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de zesendertig (36) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van deze straf, groot twaalf (12) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van twee (2) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij, de heer [benadeelde partij 2], geleden schade toe tot een bedrag van Afl. 2.500,- (zegge: tweeduizendvijfhonderd florin) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij, de heer [benadeelde partij 2], de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van Afl. 2.500,- (zegge: tweeduizendvijfhonderd gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door vijftig (50) dagen hechtenis;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan het Land daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan het Land in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. M. Schoemaker, bijgestaan door mw. M.E. Kelly, (zittingsgriffier), en op 17 mei 2019 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Aruba.

uitspraakgriffier: