Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2019:273

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
15-05-2019
Datum publicatie
20-05-2019
Zaaknummer
AUA201901076
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Civiel. KG. De vordering tot afgifte van de administratie over de jaren 2012 tot en met 2017 is onvoldoende aannemelijk gemaakt. Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis in kort geding van 15 mei 2019

Behorend bij AUA201901076

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

PRO CARE SERVICES N.V.,

te Aruba,

hierna ook te noemen: Pro Care,

gemachtigde: advocaat mr. M.B. Boyce,

tegen:

[Gedaagde],

te Aruba,

hierna ook te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: advocaat mr. P.R.C. Brown.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties, ingediend op 3 april 2019;

- de brief van Pro Care d.d. 24 april 2019 met producties;

- de brief van [gedaagde] d.d. 24 april 2019 met producties;

- de mondelinge behandeling van 25 april 2019, waar partijen aan de hand van een overgelegde pleitnota hun standpunten nader hebben toegelicht.

1.2

Aan partijen is meegedeeld dat vandaag vonnis wordt gewezen.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Pro Care drijft een onderneming die diensten verricht aan bedrijven op het gebied van schoonmaak en catering.

2.2. [

gedaagde] is in 2012 in dienst getreden van Pro Care in de functie van administrateur. Van de werkzaamheden die tot haar functie behoorden is een ‘job description’ d.d. 1 juni 2012 opgemaakt (prod. 1 van [gedaagde]).

2.3.

In februari 2017 zijn de aandelen in Pro Care gekocht door de heer [ex-directeur] (hierna: [ex-directeur]). [gedaagde] heeft tot 2011 een relatie gehad met [ex-directeur] en ze hebben twee kinderen met elkaar. Vanaf 2013 is [gedaagde] met een andere man gehuwd.

2.4.

In een brief van 5 april 2017 heeft [ex-directeur] onder meer het volgende bericht aan [gedaagde] (verzoekschrift, prod. 3):

“Cu esaki mi kier a informa bo locual cu nos a palabra: cu door e oficina ta un gasto demasiado halto pa awor aki pa Pro care, mi a dicidi di termina e contract pa cu e oficina. Esaki ta comienzo di mei 2017. Bo a bai di acuerdo cu tanten tur e oficionan cu bo ta haci lo wordu haci na na bo domicilio(cas). (…)”

2.5.

In de periode 2014 tot augustus 2017 heeft [ex-directeur] fraude gepleegd bij zijn toenmalige werkgever AruTram N.V. (hierna: AruTram). Deze fraude hield in dat [ex-directeur] valse facturen, onder meer op naam van Pro Care, had gemaakt en deze had ingediend bij AruTram en aan zichzelf had laten uitbetalen.

2.6.

In de tweede helft van 2017 heeft [ex-directeur] de aandelen in Pro Care overgedragen aan de heer [directeur]. Nadat Pro Care door [directeur] was overgenomen, heeft [gedaagde] 2 dan wel 3 ordners met administratie aan [directeur] overhandigd.

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1.

Pro Care vordert dat het gerecht bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad,

1) [gedaagde] beveelt om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de gehele administratie 2012 – 2017 af te geven;

2) het gevorderde onder 1) op straffe van een dwangsom van Afl. 5.000,00 per dag voor iedere dag of dagdeel dat gedaagde niet (geheel) aan deze verplichting voldoet;

3) met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.

3.2. [

gedaagde] voert verweer. Het gerecht zal hierna bij de beoordeling van het geschil ingaan op de grondslagen van de vordering en het daartegen gevoerde verweer.

4 DE BEOORDELING

4.1.

Gezien de aard van de vordering is van een spoedeisend belang voldoende gebleken.

4.2.

De door Pro Care ingestelde vordering is toewijsbaar indien zij voorshands voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in een eventuele bodemprocedure de vordering tot afgifte van de administratie over de jaren 2012 tot en met 2017 toewijsbaar is.

4.3.

Aan haar vordering heeft Pro Care, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd:

- [ gedaagde] was als enige verantwoordelijk voor de administratie van Pro Care (verzoekschrift, 1; pleitnota, 3);

- uit hoofde van haar functie was [gedaagde] in de periode 2012 – 2017 verantwoordelijk voor de jaarlijkse eindverwerking van de administratie voor het doen van aangifte van premies en belastingen (verzoekschrift, 4);

- blijkens een verklaring van 5 april 2017 van [ex-directeur], heeft [gedaagde] met ingang van genoemde datum toestemming verkregen om thuis te werken, waaruit volgt dat zij de administratie (thuis) onder zich heeft (verzoekschrift, 2);

- nadat [gedaagde] als administratief assistent was begonnen in 2012, heeft zij op een gegeven moment de leidinggevende functie van general manager verkregen en in die functie had zij de administratie zowel in hardcopy als digitaal onder zich (pleitnota, 2);

- [ ex-directeur] heeft jegens de huidige aandeelhouder van Pro Care verklaard dat [gedaagde] de administratie onder zicht heeft (verzoekschrift, 4);

- vermoedelijk is de reden voor [gedaagde] om te weigeren om de administratie af te geven de omstandigheid dat zij betrokken is bij een fraude die in de periode 2014 – 2017 is gepleegd door [ex-directeur] ten laste van AruTram en waarvoor de administratie van Pro Care is gebruikt (verzoekschrift, 7 – 9; pleitnota, 8 en 9);

- [ gedaagde] handelt onrechtmatig jegens Pro Care en de huidige directeuren van Pro Care door de administratie niet aan Pro Care af te geven.

4.4. [

gedaagde] voert het volgende verweer.

- Vanaf 2012 werkte [gedaagde] als administrateur voor Pro Care. Haar werkzaamheden waren niet alleen administratief van aard en zij was niet verantwoordelijk voor alle administratieve werkzaamheden. Haar administratieve werkzaamheden waren de facturering aan klanten en het aanleveren van gegevens aan het accountantskantoor [accountantskantoor] (hierna:[accountantskantoor) die maandelijks de payroll verzorgde. Zij was niet belast met het bijhouden van de administratie of boekhouding en zij was evenmin belast met de maandelijkse afdracht van premies, loonbelasting en omzetbelasting (pleitnota, 2). Zij heeft hiervoor verwezen naar een functieomschrijving d.d. 1 juni 2012 (prod. 1 [gedaagde]), een verklaring van [ex-directeur] (prod. 2 [gedaagde]) en kopieën van jaaropgaven en salarisstroken (prod. 3 [gedaagde]).

- Nadat [ex-directeur] de aandelen in Pro Care had overgenomen, heeft hij de kantoorlocatie per 1 mei 2017 opgezegd, omdat Pro Care de huur niet langer kon betalen. In verband hiermee is aan [gedaagde] in een brief van 5 april 2017 medegedeeld dat zij de werkzaamheden voortaan vanuit huis moest verrichten. Uit de brief volgt niet dat zij de volledige administratie mee naar huis moest nemen en dat heeft ze ook niet gedaan (pleitnota, 4 en 5).

- [ gedaagde] heeft de administratie van Pro Care ook nu niet onder zich.

- [ ex-directeur] heeft bij de ontruiming van de kantoorruimte alle goederen van Pro Care in een container geplaatst; aangenomen moet worden dat de administratie daar ook onderdeel van was (pleitnota, 6).

- [ gedaagde] was niet betrokken bij de fraude die [ex-directeur] heeft gepleegd. [ex-directeur] heeft in het kader van die fraude kennelijk valse facturen van Pro Care, gericht aan AruTram, opgemaakt, maar deze valse facturen zijn niet verwerkt in de administratie van Pro Care. [gedaagde] is in de strafzaak tegen [ex-directeur] als getuige gehoord, maar is nooit verdachte geweest (pleitnota, 12).

4.5.

Blijkens het voorgaande heeft [gedaagde], onder verwijzing naar haar functieomschrijving, gemotiveerd betwist dat zij slechts administratieve werkzaamheden voor Pro Care verrichtte. Ook heeft zij gemotiveerd betwist dat zij als enige voor alle administratieve werkzaamheden van Pro Care verantwoordelijk was. Haar stelling dat HCC verantwoordelijk was voor de maandelijks payroll en de afdracht van loonbelasting en premies, vindt steun in de door haar overgelegde salarisstroken en loonopgaven. Pro Care heeft deze gemotiveerde betwisting onvoldoende weerlegd. Het gerecht neemt dan ook voorshands aan dat een deel van de administratieve werkzaamheden was uitbesteed aan HCC.

Uit de taakomschrijving van [gedaagde], die meebracht dat zij slechts verantwoordelijk was voor een deel van de administratie, volgt dus niet dat [gedaagde] noodzakelijk de volledige administratie onder zich had.

4.6.

Dat betekent dat ook de omstandigheid dat zij vanaf 1 mei 2017 noodgedwongen de werkzaamheden vanuit haar eigen woning is gaan verrichten, niet meebrengt dat zij noodzakelijk de volledige administratie (voortdurend) thuis tot haar beschikking had. Daar komt bij dat van de zijde van [gedaagde] terecht is opgemerkt dat Pro Care in deze procedure de afgifte van de volledige administratie vordert over de periode 2012 tot en met 2017, terwijl zij pas vanaf medio 2017 vanuit huis is gaan werken. Zonder nadere toelichting, die van de zijde van Pro Care niet is gegeven, is niet duidelijk waarom uit de omstandigheid dat [gedaagde] vanaf 2017 haar beperkte administratieve taken vanuit huis is gaan uitvoeren, noodzakelijkerwijs mee zou brengen dat [gedaagde] de volledige administratie vanaf 2012 mee naar huis heeft genomen.

4.7.

Andere feiten en omstandigheden waaruit noodzakelijkerwijs volgt dat [gedaagde] de volledige administratie van Pro Care over de periode 2012 tot en met 2017 onder zich heeft, zijn niet gesteld of gebleken. Uit het vorenstaande volgt dan ook dat voorshands onvoldoende aannemelijk is geworden dat [gedaagde] de volledige administratie over de jaren 2012 tot en met 2017 onder zich heeft, zodat de vordering om die volledige administratie af te geven, moet worden afgewezen.

4.8.

Pro Care heeft ter zitting, hoewel daar expliciet naar werd gevraagd, ook niet ten aanzien van een deel van de administratie over de periode 2012 tot en met 2017 gemotiveerd onderbouwd dat [gedaagde] die onder zich heeft. Gezien de aard van de administratieve werkzaamheden die [gedaagde] vanaf mei 2017 vanuit huis heeft verricht en gezien de stukken die zij, zoals tussen partijen vast staat, wel heeft overhandigd aan Pro Care, had het voor Pro Care mogelijk moeten zijn om een gespecificeerde opgave te doen van de bescheiden die [gedaagde] voor het uitvoeren van haar taken vanaf mei 2017 onder zich moet hebben gehad en die niet door haar zijn afgegeven. Nu aldus ook niet ten aanzien van een deel van de administratie voorshands voldoende aannemelijk is geworden dat [gedaagde] deze onder zich heeft, is voor een toewijzing van een deel van het gevorderde ook geen plaats.

4.9.

Ten overvloede overweegt het gerecht dat voorshands ook onvoldoende aannemelijk is geworden dat het verhullen van haar (door Pro Care gestelde) deelname aan de door [ex-directeur] gepleegde fraude een motief zou zijn voor [gedaagde] om de administratie niet af te geven. Uit de door Pro Care overgelegde beschikking van dit gerecht d.d. 3 juli 2018 in de zaak van AruTram tegen [ex-directeur] (verzoekschrift, prod. 6) volgt dat vast staat dat [ex-directeur] gebruik maakte van fictieve facturen van Pro Care om daarmee de factuurbedragen rechtstreeks aan hemzelf uit te betalen (r.o. 4.3 van de beschikking). Daarmee is voorshands voldoende aannemelijk geworden dat, zoals van de zijde van [gedaagde] is gesteld, de valse facturen niet waren verwerkt in de administratie van Pro Care en dat [gedaagde] als werkneemster van Pro Care daar ook niet bij betrokken was. Ook heeft Pro Care niet het verweer van [gedaagde] betwist dat zij in de strafzaak tegen [ex-directeur] wel als getuige is gehoord, maar dat zij nimmer als verdachte is aangemerkt.

4.10.

De conclusie van het bovenstaande is dan ook dat de vorderingen zullen worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal Pro Care worden veroordeeld in de kosten van de procedure, die aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op Afl. 1.500,00 aan salaris advocaat.

5 DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt Pro Care in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van [gedaagde] worden begroot op Afl. 1.500,00 aan salaris van de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Verhoeven, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 15 mei 2019 in aanwezigheid van de griffier.