Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2019:235

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
17-04-2019
Datum publicatie
30-04-2019
Zaaknummer
AUA201900607
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

civiel-kg-niet aannemelijk is geworden dat er sprake is van een franchiseovereenkomst- verzoek om in de vordering een duurovereenkomst te lezen, is niet mogelijk - de vordering wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis in kort geding van 17 april 2019

Behorend bij K.G. AUA201900607

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

de naamloze vennootschap MARIBOMBIQUE N.V.,

gevestigd te Aruba,

hierna te noemen: “Maribombique”,

gemachtigde: de advocaat mr. G. de Hoogd,

tegen:

1 de vennootschap naar vreemd recht HUGO BOSS AG,

gevestigd in Duitsland,

2. de vennootschap naar vreemd recht HUGO BOSS MEXICO S.A. DE CV,

gevestigd in Mexico,

hierna ook gezamenlijk te noemen: “Hugo Boss”,

gemachtigde: de advocaat mr. M.A. Kock.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift;

- de pleitaantekeningen van partijen.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 28 maart 2019.

1.2

Aan partijen is meegedeeld dat vandaag vonnis zou worden gewezen.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Gedaagde sub 2 is een dochteronderneming van gedaagde sub 1, die eigenaar is van het kledingmerk Hugo Boss. Gedaagde sub 2 draagt zorg voor de distributie van Hugo Boss kleding in Latijns-Amerika en de Caribische regio.

2.2

Maribombique en gedaagde sub 1 zijn in 2003 een tweetal franchiseovereenkomsten (één voor herenkleding en één voor dameskleding) aangegaan voor de duur van vier jaar met betrekking tot de verkoop van Hugo Boss artikelen door Maribombique.

2.3

Maribombique heeft bij aanvang van de franchiseovereenkomsten in overleg met gedaagde sub 1 meubilair aangeschaft.

2.4

Maribombique en gedaagde sub 1 hebben in juli/augustus 2007 een tweetal beëindigingsovereenkomsten ondertekend, waarbij voornoemde franchiseovereenkomsten met wederzijds goedvinden werden beëindigd met ingang van 30 juni 2007.

Artikel 3 van deze beëindigingsovereenkomsten luidt:

This Termination Agreement contains the entire agreement between the parties hereto with respect to the subject matter hereof and supersedes and cancels all previous written or oral understandings, negotiations, commitments, and any other writings or communications with respect to such subject matter, except for clause 17. of the Partnership Agreement.

Clause 17 van de “Partnership Agreements” gaat over “Term and Termination”.

2.5

Vanaf 2007 heeft gedaagde sub 2 zonder schriftelijke overeenkomst op bestelling Hugo Boss kleding aan Maribombique verkocht en geleverd.

2.6

In 2009 of 2010 is Maribombique in betalingsproblemen geraakt en sindsdien zijn verschillende betalingsregelingen getroffen tussen Maribombique en gedaagde sub 2. In 2017 was de betalingsschuld door Maribombique afbetaald, maar in 2017 ontstond een nieuwe schuld die in 2018 werd afbetaald. Maribombique kon daarna alleen nog op cash basis Hugo Boss artikelen afnemen.

2.7

Op 29 januari 2019 berichtte gedaagde sub 2 telefonisch aan Maribombique dat het contract met Maribombique werd beëindigd.

3 DE VORDERING EN STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1

Maribombique vordert – kort gezegd – in kort geding dat het gerecht, uitvoerbaar bij voorraad:

1. Hugo Boss veroordeelt de met Maribombique gesloten franchiseovereenkomst na te komen, met dien verstande dat Maribombique per direct toegelaten blijft tot deelname aan de door Maribombique in Aruba geëxploiteerde franchiseformule, waaronder handhaving van Maribombique in de online database van Hugo Boss, zulks totdat de franchiseovereenkomst op een rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd,

2. Hugo Boss veroordeelt zich te onthouden van het doen van mededelingen aan derden, als gevolg waarvan de reputatie van Maribombique schade op kan lopen, waaronder begrepen uitlatingen met betrekking tot de kwaliteit van dienstverlening en de financiële positie van Maribombique,

3. Hugo Boss veroordeelt zich te onthouden van het doen van mondelinge of schriftelijke (lasterlijke) uitlatingen met betrekking tot Maribombique dan wel haar medewerkers,

het onder 1, 2 en 3 gevorderde op straffe van een dwangsom,

4. Hugo Boss veroordeelt in de proceskosten.

3.2

Hugo Boss voert hiertegen verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van Maribombique in de proceskosten.

3.3

Op de stellingen van partijen zal voor zover nodig in het hiernavolgende worden ingegaan.

4 DE BEOORDELING

4.1

Het spoedeisend belang ligt besloten in de aard van de vordering. Partijen zijn het er voorts over eens dat de Arubaanse rechter in kort geding bevoegd is om van dit geschil kennis te nemen.

4.2

Hugo Boss heeft gemotiveerd weersproken dat er sinds de beëindiging met wederzijds goedvinden in 2007 nog sprake is geweest van een franchiseovereenkomst. Hugo Boss stelt dat er sindsdien alleen nog sprake is van een (niet-schriftelijke) distributie (duur)overeenkomst met gedaagde sub 2, waarbij op ‘wholesale’ basis Hugo Boss artikelen worden verkocht aan Maribombique. Maribombique heeft haar stelling dat de twee franchiseovereenkomsten na de beëindiging daarvan in 2007 op mondelinge basis zijn voortgezet met gedaagde sub 2 in kort geding onvoldoende aannemelijk gemaakt. De franchiseovereenkomsten werden aangegaan met gedaagde sub 1. Maribombique stelt dat die overeenkomsten, ondanks de uitdrukkelijke beëindiging door gedaagde sub 1 en Maribombique, werden voortgezet met een andere contractspartij, gedaagde sub 2. Zonder nadere toelichting die is uitgebleven valt dit niet goed in te zien. Zo is niet duidelijk hoe en waarom gedaagde sub 1 daar dan is uitgevallen. Daarbij komt dat Maribombique niet heeft weersproken dat zij thans ook een ander merk dan Hugo Boss ([merk]) in haar winkel verkoopt en dat het meubilair, beeld- en ander(e) winkelmateriaal van Hugo Boss na de initiële aanschaf niet meer is vernieuwd. Deze feiten en omstandigheden duiden niet op het voortbestaan van een franchiseovereenkomst. De wijze waarop Maribombique de laatste jaren zaken heeft gedaan met gedaagde sub 2, zoals dit uit de door partijen ingenomen stellingen en overgelegde producties naar voren komt, duidt naar het voorshandse oordeel van het gerecht eerder op het bestaan van een distributieovereenkomst, zoals door Hugo Boss is gesteld.

4.3

De vordering onder 1 ziet op de nakoming van een franchiseovereenkomst, inclusief deelname aan een franchiseformule. Uit het voorgaande vloeit voort dat het (voort)bestaan van een franchiseovereenkomst niet aannemelijk is geworden, waardoor de vordering niet toewijsbaar is. Maribombique heeft nog wel subsidiair verzocht om in de vordering onder 1 een duurovereenkomst te lezen, waartegen Hugo Boss bezwaar heeft gemaakt, maar dit is niet mogelijk. De gemachtigde van Maribombique heeft het primaire standpunt dat er sprake is van een franchiseovereenkomst uitdrukkelijk gehandhaafd. Zonder eiswijziging, die ingevolge artikel 109 lid 1 schriftelijk bij akte moet geschieden en die is uitgebleven, is er geen subsidiaire vordering waarop het gerecht kan beslissen.

4.4

Maribombique heeft haar vorderingen onder 2 en 3 onvoldoende onderbouwd. Zij heeft niet voldoende concreet gesteld dat Hugo Boss recentelijk bedoelde uitlatingen over Maribombique heeft gedaan of daarmee heeft gedreigd, terwijl het ook niet aannemelijk is geworden dat Maribombique een gerechtvaardigde vrees heeft dat Hugo Boss dit zal gaan doen. Maribombique heeft dan ook onvoldoende belang bij het onder 2 en 3 gevorderde.

4.5

De conclusie uit het voorgaande is dat de vorderingen afgewezen dienen te worden.

4.6

Als de in het ongelijk te stellen partij zal Maribombique de proceskosten van Hugo Boss moeten vergoeden.

5 DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:

5.1

wijst het gevorderde af;

5.2

veroordeelt Maribombique in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van Hugo Boss worden begroot op Afl. 1.500, aan salaris van de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Schoemaker, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 17 april 2019 in aanwezigheid van de griffier.