Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2019:206

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
25-03-2019
Datum publicatie
15-04-2019
Zaaknummer
AUA201900391
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

voorziening bij voorraad - Niet in geschil is dat verzoeker de opleiding van kommies der invoerrechten en accijnzen niet met goed gevolg heeft afgerond en het diploma niet heeft behaald. De voorzieningenrechter overweegt dat hiermee voldaan is aan de voorwaarde voor ontslag. Het is in strijd met de rechtszekerheid om een ambtenaar te ontslaan met ingang van een datum gelegen vóór het ontslagbesluit. In zoverre zal het verzoek worden toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 25 maart 2019

GAZA nr. AUA201900391

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het verzoek tot het treffen van een voorziening bij voorraad als bedoeld in

artikel 94 van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:

[verzoeker],

wonend te Aruba,

VERZOEKER,

gemachtigde: mr. E. Duijneveld.

tegen:

de Gouverneur van Aruba,

zetelend te Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. C. Geerman (DWJZ).

PROCESVERLOOP

Bij Landsbesluit van 20 december 2018, no. 1 (het bestreden Landsbesluit) heeft verweerder besloten aan verzoeker met ingang van 22 september 2018, vanwege het niet behalen van de opleiding kommies der invoerrechten en accijnzen, ontslag uit overheidsdienst te verlenen.

Op 7 februari 2019 heeft verzoeker hiertegen bezwaar gemaakt bij dit gerecht.

Verzoeker heeft zich op 8 februari 2019 tevens tot het gerecht gewend met het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.

Het verzoek is op 27 februari 2019 in raadkamer behandeld, alwaar zijn verschenen verzoeker bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd, en verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd.

OVERWEGINGEN

1. Ingevolge artikel 94 van de La kan een ambtenaar bij een met redenen omkleed verzoekschrift aan het gerecht in ambtenarenzaken een beslissing bij voorraad vragen in alle gevallen waarin een bezwaarschrift op grond van deze landsverordening kan worden ingediend, doch waarin ter voorkoming van onevenredig nadeel voor de ambtenaar, een onverwijlde voorziening wenselijk is.

Voor zover de toetsing aan het in artikel 94 van de La neergelegde criterium meebrengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van het gerecht een voorlopig karakter en is dat niet bindend in de bodemprocedure.

2. Ingevolge artikel 41, eerste lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (hierna: de La), dient het bezwaarschrift te worden ingediend binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de aangevallen beschikking is uitgesproken. Het derde lid van voornoemd artikel van de La bepaalt dat, indien het bezwaar na de daarvoor bepaalde termijn is ingediend, de indiener niet op grond daarvan niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien hij ten genoegen van de rechter aantoont het bezwaar te hebben ingebracht binnen dertig dagen na de dag waarop hij van de aangevallen beschikking heeft kunnen kennis dragen.

Verzoeker heeft onweersproken gesteld dat hij de bestreden beslissing op 14

januari 2019 heeft ontvangen. Gelet hierop heeft verzoeker zijn bezwaarschrift binnen de in artikel 41, derde lid, van de La bepaalde uiterlijke indieningsdatum ingediend en is hij derhalve ontvankelijk in zijn bezwaar en zijn onderhavig verzoek.

3. Het gerecht gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

3.1

Bij Ministeriële Beschikking van 22 augustus 2017 (hierna: de MB) is bij de Departamento di Aduana (hierna: de Douane) een (herziene) opleiding Kommies der Invoerrechten en Accijnzen ingesteld.

3.2

Bij Landsbesluit van 30 oktober 2018 is verzoeker met ingang van 28 augustus 2017 aangesteld als ambtenaar in tijdelijke dienst bij de Douane in de rang van hulpkommies der invoerrechten en accijnzen, met de bepaling dat het dienstverband is aangegaan voor de duur van de opleiding tot kommies der invoerrechten en accijnzen, met dien verstande dat ontslag zal worden verleend indien het diploma niet behaald wordt, met toepassing van artikel 5, vijfde lid van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (Lma).

3.3

Verzoeker heeft op 28 augustus 2017 zijn werkzaamheden bij de Douane aangevangen en heeft deelgenomen aan voormelde opleiding. Bij brief van 21 september 2018 heeft de directeur van de Douane hem bericht dat hij in verband met zijn behaalde tentamenresultaten ingevolge artikel 10, lid 1 van de MB niet meer kan slagen voor de opleiding en dat de examencommissie heeft besloten hem te verwijderen van de opleiding in afwachting van de beëindiging van het dienstverband.

3.4

Verzoeker heeft de Minister van Financiën (de minister) bij brief van 25 september 2018 verzocht om voor de drie door hem niet behaalde vakken, een extra hertentamen te mogen doen, daarbij verwijzend naar verschillende collega’s die in het verleden meerdere hertentamens hebben mogen doen.

3.5

Bij brief van 30 oktober 2018 heeft de minister verzoeker bericht dat het al dan niet laten maken van extra hertentamens niet aan haar oordeel dient te worden overgelaten en hem voorts erop gewezen dat zijn dienstverband is aangegaan onder de voorwaarde dat hij de opleiding behaalt.

3.6

Bij uitspraak van 3 januari 2019 (GAZA AUA201803920) heeft de voorzieningenrechter doorbetaling van verzoekers bezoldiging (vanaf oktober 2018) gelast, omdat niet was gebleken dat hij bij landsbesluit was ontslagen.

3.7

Bij het bestreden Landsbesluit is verzoeker met ingang van 22 september 2018 uit overheidsdienst ontslagen.

4. Niet in geschil is dat verzoeker de opleiding van kommies der invoerrechten en accijnzen niet met goed gevolg heeft afgerond en het diploma niet heeft behaald. De voorzieningenrechter overweegt dat hiermee voldaan is aan de voorwaarde voor ontslag.

5.1

Klager betoogt dat het bestreden Landsbesluit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, nu collega’s die in 2002 en 2009 de opleiding niet hadden behaald toch in dienst zijn gebleven als hulp-kommies en de kans hebben gekregen om extra herexamens te doen.

5.2

De voorzieningenrechter stelt voorop dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel slechts kan slagen indien blijkt dat gelijke gevallen, ongelijk zijn behandeld. Verzoeker heeft, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, onvoldoende onderbouwd dat de door hem genoemde gevallen gelijk zijn aan zijn geval. Onder meer is niet gebleken dat die collega’s samen met verzoeker als ambtenaren in tijdelijke dienst zijn aangesteld om op basis van de MB de opleiding te gaan volgen. Ter zitting is gebleken dat verzoeker als enige de opleiding op basis van de MB niet heeft behaald.

5.3

De voorzieningenrechter overweegt dat zelfs indien verweerder in het verleden in geval van een collega een uitzondering op de voorwaarde van het behalen van het diploma heeft gemaakt, dit niet betekent dat hij gehouden is om deze uitzondering (ook in het geval van verzoeker) te herhalen.

5.4

Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat vooralsnog niet is gebleken dat het beroep op het gelijkheidsbeginsels tot een gegrond bezwaar zal leiden.

6.1

Voorts is in geschil of verweerder terecht aan het bij bestreden Landbesluit van 20 december 2018 aan verzoeker gegeven ontslag terugwerkende kracht heeft gegeven.

6.2

De voorzieningenrechter overweegt dat hetgeen verzoeker hier tegenin heeft gebracht, kans van slagen heeft. Het is immers in strijd met de rechtszekerheid om een ambtenaar te ontslaan met ingang van een datum gelegen vóór het ontslagbesluit. In zoverre zal het verzoek worden toegewezen.

7. Gelet op het voorgaande, is er grond voor schorsing van het bestreden Landsbesluit, voor zover aan het gegeven ontslag terugwerkende kracht is verleend. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

schorst het bestreden Landsbesluit wat betreft de ingangsdatum van het gegeven ontslag voor zover deze gelegen is voor 20 december 2018;

wijst het verzoek voor het overige af.

Deze beslissing is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken op 25 maart 2019, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.