Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2019:168

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
26-03-2019
Datum publicatie
10-04-2019
Zaaknummer
AUA201800562
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

EJ, belangen afweging, geen vervangende toestemming verlenen om te verhuizen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 26 maart 2019

Behorend bij EJ nr. AUA201800562

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

op het verzoek van

[Verzoekster] ,

wonende in Nederland,

VERZOEKSTER, hierna de moeder,

gemachtigde: de advocaat mr. G.L. Griffith,

tegen

[Verweerder] ,

wonende in Aruba,

VERWEERDER, hierna de vader,

gemachtigde: de advocaat mr. C.J. Hart.

Belanghebbende:

[Naam minderjarige], de minderjarige.

1 DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit de tussenbeschikking van dit gerecht van 15 mei 2018. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 8 oktober 2018, ingediend op 21 november 2018;

  • -

    het rapport van de Voogdijraad, ingediend op 29 oktober 2018;

  • -

    de producties zijdens de moeder, ingediend op 6 februari 2019;

  • -

    de prodcuties zijdens de vader, ingediend op 11 februari 2019;

  • -

    de mondelinge behandeling achter gesloten deuren op 12 februari 2019, waaruit blijkt dat zijn verschenen de moeder en de vader in persoon bijgestaan door hun gemachtigden.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 DE VERDERE BEOORDELING

2.1

In het verzoekschrift d.d. 13 februari 2018 heeft de moeder vervangende toestemming verzocht om met de minderjarige naar Nederland te verhuizen. De vader is het hiermee niet eens. Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van één van hen aan de rechter worden voorgelegd.

2.2

Na de echtscheiding hebben de vader en de moeder gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] behouden. Een hoofdverblijfplaats is toen niet bepaald. Zolang de moeder nog in Aruba woonde, werden de zorgtaken feitelijk door de ouders gezamenlijk verricht. Het verzoek van de moeder om met de minderjarige naar Nederland te mogen reizen, is feitelijk een verzoek om te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] voortaan bij de moeder in Nederland zal zijn. Het gerecht gaat om die reden voorbij aan de opmerking van de zijde van de (gemachtigde van de) vader dat de Voogdijraad in haar rapport ten onrechte de vraag heeft beantwoord welk hoofdverblijf geschikter is voor de minderjarige, in plaats van zich te beperken tot de vraag of er toestemming aan de moeder moet worden verleend om met [de minderjarige] naar Nederland te reizen.

2.3.

De gezamenlijke gezagsuitoefening van partijen brengt mee dat de moeder voor het wijzigen van de woonplaats van de minderjarige toestemming van de vader behoeft. Indien de ouders het hierover niet eens worden zal de rechter hierover een beslissing nemen. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt. Uit vaste jurisprudentie volgt dat, hoezeer het belang van het kind een overweging van de eerste orde dient te zijn bij de te verrichten afweging van belangen, andere belangen zwaarder kunnen wegen.

2.4

Het gerecht zal bij zijn beslissing alle omstandigheden van het geval in acht dienen te nemen, en daarbij onder meer de volgende aspecten betrekken:

- bij welke ouder heeft de minderjarige haar feitelijke verblijfplaats tot nog toe gehad en wat is de rol van de moeder als verhuizende ouder in de verzorging en opvoeding van de minderjarige;

- de noodzaak om te verhuizen,

- de mate waarin de verhuizing is doordacht en voorbereid,

- de door de verhuizende ouder geboden alternatieven en maatregelen om de gevolgen van de verhuizing voor de minderjarige en de andere ouder te verzachten en/of te compenseren,

- de mate waarin de ouders in staat zijn tot onderlinge communicatie en overleg,

- de rechten van de andere ouder en de minderjarige op onverminderd contact met elkaar in een vertrouwde omgeving,

- de verdeling van de zorgtaken en de continuïteit van de zorg,

- de frequentie van het contact tussen de minderjarige en de andere ouder voor en na de verhuizing,

- de leeftijd van de minderjarige, haar mening en de mate waarin de minderjarige geworteld is in zijn omgeving of juist extra gewend is aan verhuizingen,

- de (extra) kosten van de omgang na de verhuizing.

2.5.

Voor de beoordeling van het verzoek van de vrouw is in deze zaak, mede gezien hetgeen hiervoor onder 2.4. is overwogen, het volgende van belang. De ouders zijn gehuwd in Aruba op 22 juli 2011. Al voor het huwelijk op [datum] 2010 is [de minderjarige] geboren. Zij is het enige kind dat uit de relatie van de ouders is geboren. In 2013 is de moeder alleen naar Nederland vertrokken om daar met een studie wiskunde te beginnen. De bedoeling was dat de vader met [de minderjarige] niet lang daarna ook naar Nederland zou verhuizen. Omdat de vader nadien besloot om in Aruba te blijven wonen, is de moeder nog in 2013 naar Aruba teruggekeerd. Tijdens dat eerste verblijf van de moeder in Nederland, verbleef [de minderjarige] bij de vader in Aruba. In 2015 zijn partijen gescheiden. In de echtscheidingsbeschikking d.d. 28 september 2015 is beslist dat de vader en de moeder gezamenlijk belast blijven met het ouderlijk gezag. Omtrent de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] is geen beslissing genomen. De vader en [de minderjarige] woonden na de scheiding in een appartement op het terrein van de ouders van de vader (hierna: grootouders v/z dan wel grootmoeder v/z). De moeder werkte in die periode in de avonduren van 18:00 tot 02:00 uur in het Ritz-Carlton Hotel. Zij nam een groot deel van de zorg voor [de minderjarige] voor haar rekening. Daartoe ging zij in de ochtend naar het appartement van de vader, waar zij ontbijt maakte voor [de minderjarige], zij bracht [de minderjarige] naar school, haalde haar van school op, lunchte met haar en hielp haar bij het maken van huiswerk.

In 2017 heeft de moeder besloten om opnieuw naar Nederland te gaan om alsnog een studie wiskunde te volgen. In het vonnis in kort geding van 4 augustus 2017 heeft dit gerecht het de moeder verboden om [de minderjarige] op dat moment mee te nemen naar Nederland. De moeder is daarop zonder [de minderjarige] naar Nederland vertrokken. In Nederland is de moeder in 2018 bevallen van een zoon (uit een andere relatie). Zij bewoont in Rotterdam een appartement met meerdere slaapkamers. Sinds het vertrek van de moeder in 2017 is de vader verantwoordelijk voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige]. Zij wonen nog steeds in een appartement bij de woning van de grootouders v/z. De vader wordt bij de verzorging ondersteund door grootmoeder v/z. [de minderjarige] is actief lid van een turnvereniging in Aruba en neemt met de vereniging deel aan toernooien in het buitenland.

2.6.1.

In verband met het uitbrengen van zijn advies aan het gerecht, heeft de Voogdijraad aan de Raad voor de Kinderbescherming in Nederland verzocht om een rapport uit te brengen over de leefsituatie van de moeder en in hoeverre deze tegemoet komt aan de belangen van [de minderjarige]. De Raad voor de Kinderbescherming oordeelt in zijn rapport, onder meer, dat het een positief beeld heeft verkregen van de leefomgeving van de moeder en daarover geen zorgen heeft. De moeder heeft in Nederland voldoende financiële middelen om te voorzien in de verzorging en opvoeding van [de minderjarige]. De moeder heeft aan de Raad voor de Kinderbescherming te kennen gegeven om bereid te zijn om na afronding van haar studie terug te keren naar Aruba, als blijkt dat [de minderjarige] niet kan wennen aan de leefomgeving in Nederland.

2.6.2.

De Voogdijraad heeft in haar rapportage, onder meer, de volgende bevindingen geformuleerd:

“Uit de verkregen informatie komt naar voren dat:

  • -

    Beide ouders een stabiele woonsituatie hebben;

  • -

    Beide ouders betrokken naar de minderjarige toe zijn;

  • -

    De minderjarige goed verzorgd door beide ouders werd/wordt;

  • -

    Moeder altijd de hoofdverzorger is geweest;

  • -

    Er geen zorgen zijn dat de ontwikkelingen van de minderjarige gevaar zou lopen bij moeder;

  • -

    Op Aruba gaat de minderjarige naar een naschoolse opvang;

  • -

    In Nederland zou de minderjarige samen met haar broertje bij een gastouder na school kunnen blijven;

  • -

    Vader misleidend was naar de rechter toe en belemmert de omgang tussen minderjarige en moeder;

  • -

    De minderjarige onder veel spanning lijdt gezien zij geen voorkeur wil tonen tussen ouders;

  • -

    De minderjarige zelf bij moeder wil gaan wonen en op vakantie bij vader wil komen;

Het onderzoek heeft kunnen aantonen dat er thans geen feiten of zorgwekkende omstandigheden aanwezig zijn die een bepaling van de hoofdverblijfplaats bij de moeder kunnen belemmeren. Bij vader zijn er zorgen dat vader omgang tussen moeder en de minderjarige niet zou aanmoedigen en het zou blijven belemmeren gezien hij al misleidend is geweest tegen de rechter in het Kortgeding. Derhalve adviseert de DVR dat de hoofdverblijfplaats bij de moeder bepaald dient te worden.”

2.7.

Bij de beoordeling van het verzoek van de vrouw stelt het gerecht voorop dat zowel uit het rapport van de Voogdijraad als uit het behandelde ter zitting volgt dat beide ouders in beginsel goed in staat zijn om de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] op zich te nemen en om haar een stabiele en veilige woonomgeving te bieden. Verder blijkt uit hetgeen tussen partijen vaststaat dat voorafgaand aan het vertrek van de moeder beide ouders een substantiële rol speelden in de verzorging en opvoeding van [de minderjarige]. De feitelijke verblijfplaats was weliswaar bij de vader (en de grootouders v/z), maar de moeder verleende een aanzienlijke bijdrage in de dagelijkse verzorging van [de minderjarige]. De verhuizing van de moeder naar Nederland heeft meegebracht dat aan die gedeelde rol in de opvoeding van [de minderjarige] een einde is gekomen. [de minderjarige] zal haar hoofdverblijfplaats in het vervolg noodzakelijkerwijs uitsluitend bij ofwel de moeder ofwel de vader hebben en de ouder bij wie zij haar hoofdverblijfplaats heeft, zal voortaan ook als enige de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] op zich nemen. Bij de beantwoording van de vraag voor welke hoofdverblijfplaats moet worden gekozen, spelen uitsluitend de belangen van [de minderjarige] een rol. Andere belangen zijn niet relevant.

2.8.1.

Momenteel biedt de vader hier in Aruba een stabiele en veilige woonomgeving aan [de minderjarige]. Vanaf de scheiding van de ouders in 2015 verblijft [de minderjarige] feitelijk met haar vader in een appartement bij de woning van grootouders v/z. Zij woont al haar gehele leven in Aruba, zodat haar familieleven en sociale leven zich al die tijd ook hier hebben afgespeeld. Een vertrek naar Nederland naar haar moeder en halfbroertje zal een ingrijpende gebeurtenis voor haar zijn. Niet zozeer omdat Nederland kouder is dan Aruba, zoals ze in een gesprek met haar moeder heeft aangegeven, maar vooral omdat het een afscheid is van haar familie, vriend(inn)en en klasgenoten in Aruba en ook de leden van de turnvereniging met wie ze altijd is opgetrokken. In Nederland (Rotterdam) zal zij geen bekende familie en/of vrienden in haar nabijheid hebben. Een dergelijke ingrijpende wijziging in de leefomstandigheden van [de minderjarige] is alleen op haar plaats, indien moet worden geoordeeld dat de hoofdverblijfplaats bij de moeder voor [de minderjarige] zoveel gunstiger is dan de hoofdverblijfplaats bij de vader, dat de voordelen van het bepalen van de hoofdverblijfplaats bij de moeder opwegen tegen de nadelen die een verhuizing van [de minderjarige] naar Nederland zullen meebrengen. Naar het oordeel van het gerecht is daarvan geen sprake. Daartoe geldt het volgende.

2.8.2.

Een belangrijke reden voor de Voogdijraad om de hoofdverblijfplaats bij de moeder te adviseren, is dat volgens de Voogdijraad de vader de omgang tussen de moeder en de minderjarige belemmert. Dit oordeel van de Voogdijraad is, blijkens het rapport, gebaseerd op de constatering van de Voogdijraad dat de vader misleidend is geweest naar de rechter in kort geding. Tijdens de behandeling van die zaak had de vader volgens de Voogdijraad te kennen gegeven dat hij toestemming zou verlenen om [de minderjarige] met de UM-service van de KLM naar Nederland te laten gaan voor vakantie bij haar moeder, terwijl de vader die medewerking uiteindelijk niet heeft gegeven. De vader heeft echter een plausibele verklaring gegeven waarom [de minderjarige] uiteindelijk in december 2017 niet op vakantie naar Nederland is gegaan. De vader heeft op dit punt verklaard dat hij zich gedwongen voelde op de zitting in kort geding om die toezegging te doen, maar dat hij [de minderjarige] alleen naar Nederland wil laten reizen met iemand in wie hij vertrouwen heeft en niet met een onbekende medewerkster van de KLM (zie de weergave van de verklaring van vader in het rapport van de Voogdijraad op pag. 5). Daarnaast heeft de vader gesteld (pleitnotities onder 14) dat de moeder verlangde dat hij de helft van het ticket zou betalen, waarvoor hij geen geld had. De moeder heeft deze verklaring niet betwist. Naar het oordeel van het gerecht mag daarom uit de omstandigheid dat [de minderjarige] in december 2017 niet op vakantie is geweest bij de moeder in Nederland, niet een algemene en vergaande conclusie worden getrokken dat de vader de omgang tussen [de minderjarige] en de moeder belemmert en dat hij in de toekomst zal verhinderen dat [de minderjarige] naar haar moeder in Nederland op vakantie zal kunnen gaan. Een groot deel van de geregelde omgang tussen [de minderjarige] en de moeder zal in de toekomst bovendien plaatsvinden via communicatiemiddelen zoals Skype danwel FaceTime. Dat de vader deze wijze van contact heeft belemmerd of zal belemmeren, is wel gesteld door de moeder, maar wordt niet onderschreven door het rapport van de Voogdijraad. Ook blijkt uit de processtukken dat de moeder tijdens haar bezoeken aan Aruba omgang heeft met [de minderjarige] en dat de vader deze omgang dus niet belemmert.

2.8.3.

In het rapport van de Voogdijraad wordt (onder de kop ‘Visie minderjarige’) vermeld dat [de minderjarige] zelf tijdens een gesprek met de Voogdijraad meerdere keren heeft laten weten dat zij bij haar moeder wil gaan wonen. Uit het verslag van de Voogdijraad blijkt echter niet wat de redenen voor [de minderjarige] voor die keuze zijn, hoe bestendig die keuze is (de moeder was ten tijde van het gesprek met de Voogdijraad net in Aruba geweest), of [de minderjarige] zich bewust is van de ingrijpende veranderingen die zich in haar leven zullen voltrekken bij een vertrek naar Nederland en dat zij de invloed van die veranderingen in haar keuze heeft betrokken. Nu hieromtrent in het rapport van de Voogdijraad niets is vermeld, acht het gerecht het niet waarschijnlijk dat [de minderjarige] (thans 8 jaar) hieromtrent een weloverwogen keuze heeft kunnen maken. Het gerecht gaat om die reden voorbij aan de uitlating(en) van [de minderjarige] dat zij bij haar moeder in Nederland wil wonen.

2.8.4.

Daar komt bij dat uit het rapport van de Voogdijraad blijkt dat de moeder in Nederland een beperkt netwerk heeft bij wie ze in geval van problemen terecht kan en waarmee zij en [de minderjarige] in de vrije tijd kunnen optrekken. Dat aspect vormt een contra-indicatie voor het bepalen van het hoofdverblijf bij de moeder.

2.8.5.

Tot slot. Uit de processtukken volgt dat de ouders in de periode direct na de echtscheiding (toen beiden in Aruba woonden) een goede communicatie met elkaar hadden over [de minderjarige] en dat er geen wezenlijke problemen waren tussen hen omtrent de verdeling van de zorgtaken en de omgang van ieder van hen met [de minderjarige]. Het gerecht sluit niet uit dat het vertrek van de moeder naar Nederland en de onzekerheid van beide ouders over het toekomstige hoofdverblijf van [de minderjarige] de verhouding tussen de ouders onder druk heeft gezet en dat dit heeft geleid tot enerzijds ongelukkige telefoongesprekken van de moeder met [de minderjarige] (zie pleitnota d.d. 12-02-2019 van de gemachtigde van de vader onder 22 en het rapport van de Voogdijraad, pag. 6) en anderzijds (indien de stellingen van de vrouw op dit veronderstellenderwijs voor juist worden gehouden) een terughoudende reactie van de vader om [de minderjarige] telefonisch contact te laten hebben met de moeder. Het gerecht gaat er vanuit dat duidelijkheid over de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] ertoe leidt dat er een normaal en frequent contact mogelijk is tussen de ouders en daarmee ook tussen [de minderjarige] en haar moeder via de telefoon, Skype, FaceTime of anderszins en dat de vader deze wijze van omgang niet zal belemmeren.

2.9.

De conclusie van het voorgaande is dat het gerecht geen vervangende toestemming zal verlenen aan de moeder om met [de minderjarige] naar Nederland te verhuizen. Het daartoe strekkende verzoek zal dus worden afgewezen. Het gerecht zal de kosten van de procedure compenseren in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

3 DE BESLISSING

Het gerecht:

wijst het verzoek af;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.J. Verhoeven, rechter in dit gerecht, ter zitting van dinsdag 26 maart 2019 in aanwezigheid van de griffier.