Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2019:118

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
12-02-2019
Datum publicatie
11-03-2019
Zaaknummer
AUA20080004
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel, nalatenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2019/94
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 13 februari 2019

Behorend bij AR no. AUA20080004

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS in de zaak van:

1 [Verzoekster 1],

2. [Verzoekster 2],

3. [Verzoeker 3],

4. [Verzoekster 4],

5. [Verzoekster 5],

zijnde deelgenoten in de nalatenschap van wijlen [Naam oorspronkelijk eiser] (oorspronkelijk eiser),

allen wonende te Aruba,

eisers sub 1 t/m 5,

hierna te noemen: “[verzoekers]”,

gemachtigden: mrs. E.J.M. Lotter Homan,

en

6 de vennootschap naar vreemd recht PINOLE HOLDING INC.,

gevestigd te Panama,

eiseres sub 6 na tussenkomst,

hierna te noemen: “Pinole”,

gemachtigden: mrs. E.J.M. Lotter Homan,

tegen:

[Gedaagde],

wonende in Aruba,

gedaagde,

hierna te noemen: “[gedaagde]”,

gemachtigde: thans mr. G.W. Rep.

1. DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure tot en met 2 mei 2018 blijkt uit het tussenvonnis van die datum. Op 11 juni 2018 heeft een enquête aan de zijde van [verzoekers] plaatsgevonden. [gedaagde] heeft afgezien van contra-enquête. Partijen hebben geconcludeerd na enquête.

1.2

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 DE VERDERE BEOORDELING

De gevorderde (terug)levering van de woningen te [adres 1], [adres 2] en [adres 3]

2.1

Zoals reeds bij tussenvonnis van 10 februari 2016 werd overwogen, zal de

gevorderde levering van de woningen worden toegewezen.

De gevorderde afdracht van huurpenningen en geinde geldleningen

2.2.1 [

verzoekers] hebben gesteld dat [gedaagde] tijdens de detentie van erflater huurpenningen heeft geïncasseerd en dat [gedaagde] die huurpenningen alsnog dient af te dragen aan thans [verzoekers] [gedaagde] heeft erkend huurpenningen te hebben geïncasseerd.

2.2.2 [

gedaagde] stelde zich voor het tussenvonnis van 10 februari 2016 op het standpunt dat zij met de ontvangen huurpenningen en aflossingen op geldleningen onder meer had betaald de toenmalige advocaat van erflater, van [gedaagde] zelf en een dienstmeisje, de elektriciteitsrekeningen van de woningen in de periode juni 2005 t/m april 2008, reparatiekosten, kosten van levensonderhoud van haarzelf en [kind gedaagde] vanaf juli 2005 t/m december 2007, kosten van psychiatrische behandeling van [kind gedaagde] en administratiekosten van dhr. [naam X] ten bedrage van ongeveer Afl. 30.000,00. Het Gerecht heeft [gedaagde] bij tussenvonnis van 10 februari 2016 in de gelegenheid gesteld om bij akte middels een afzonderlijke productie een duidelijk gespecificeerd overzicht met bijbehorende, gerangschikte bijlagen, te verstrekken van enerzijds de ontvangen huurpenningen en aflossingen op geldleningen en anderzijds de betaalde onkosten, uitgesplitst naar perceel en periode. [verzoekers] hadden reeds erkend dat de gemaakte advocaatkosten, accountantskosten en stortingen bij KIA tot een totaalbedrag van Afl. 31.827,50 op de vordering in mindering strekken (zie de vordering onder XI).

[adres 4] appartementen

2.2.3 [

gedaagde] heeft bij akte van 7 december 2016 een Excel-sheet overgelegd met bewijzen van inkomsten en uitgaven voor de periode juli 2005 t/m januari 2008. Zij stelt dat zij de huurinkomsten heeft geïnd tot een bedrag van Afl. 113.308,31 en dat zij Afl. 53.117,70 aan kosten heeft uitgegeven, zodat een saldo van Afl. 60.190,61 resteert (productie 16).

[adres 4] woonhuis

2.2.4 [

gedaagde] heeft bij akte van 7 december 2016 een Excel-sheet overgelegd met bewijzen van inkomsten en uitgaven voor de periode april 2007 t/m augustus 2007. Zij stelt dat zij de huurinkomsten heeft geïnd tot een bedrag van Afl. 21.404,50 en dat zij Afl. 1.534,40, Afl. 2.489,71 en Afl. 5.698,45 aan kosten heeft uitgegeven, zodat een saldo van Afl. 9.722,56 resteert (productie 17).

[adres 1]

2.2.5 [

gedaagde] heeft bij akte van 7 december 2016 een Excel-sheet overgelegd met bewijzen van inkomsten en uitgaven voor de periode november 2006 t/m augustus 2007. Zij stelt dat zij de huurinkomsten heeft geïnd tot een bedrag van Afl. 29.144,53 en dat zij Afl. 7.558,67 aan kosten heeft uitgegeven, zodat een saldo van Afl. 21.585,86 resteert (productie 18).

[adres 5]

2.2.6 [

gedaagde] heeft bij akte van 7 december 2016 een Excel-sheet overgelegd met bewijzen van inkomsten en uitgaven voor de periode augustus 2005 t/m september 2007. Zij stelt dat zij de huurinkomsten heeft geïnd tot een bedrag van Afl. 36.000,- en dat zij Afl. 11.976,33 aan kosten heeft uitgegeven, zodat een saldo van Afl. 24.023,67 resteert (productie 19).

2.2.7 [

verzoekers] hebben in hun reactie volstaan met verwijzing naar een aanvullend rapport van de door hun ingeschakelde registeraccountant en de stelling dat hij heeft geconstateerd dat [gedaagde] geen nadere contracten of gegevens heeft verstrekt en de overgelegde huuradministratie verre van compleet is. De registeraccountant komt tot een aangepast bedrag van Afl. 171.480,14 aan geschatte netto huurinkomsten ter zake van [adres 4], [adres 1] en [adres 5]. Het is evenwel aan [verzoekers] om hun stelling dat [gedaagde] dit netto bedrag aan huurinkomsten heeft ontvangen voldoende te onderbouwen. Het Gerecht is van oordeel dat [verzoekers], in het licht van de gemotiveerde betwisting van [gedaagde] aan de hand van de door haar verstrekte informatie, dit niet hebben gedaan aan de hand van de enkele overlegging van het rapport van hun accountant, waarin ook nog eens geschatte bedragen staan opgenomen. Het Gerecht zal dan ook uitgaan van de door [gedaagde] erkende bedragen, derhalve in totaal een bedrag van Afl. 115.522,70 (Afl. 60.190,61 + Afl. 9.722,56 + Afl. 21.585,86 + Afl. 24.023,67).

2.3.1 [

gedaagde] is tevens in de gelegenheid gesteld om bij akte alsnog middels een afzonderlijke productie een duidelijk gespecificeerd overzicht met bijbehorende, gerangschikte bijlagen, te verstrekken van de enerzijds ontvangen huurpenningen en anderzijds betaalde onkosten, uitgesplitst naar perceel en periode betreffende de woningen te [adres 2], [adres 3] en [adres 1].

[adres 2] en [adres 3]

2.3.2 [

gedaagde] heeft bij akte van 7 december 2016 een Excel-sheet overgelegd van huurinkomsten voor de periode juli 2005 t/m april 2006 tot een bedrag van Afl. 10.800,- betreffende [adres 2] (productie 14). Voorts heeft [gedaagde] een Excel-sheet van huurinkomsten verminderd met uitgaven voor dezelfde periode overgelegd betreffende [adres 3] tot een bedrag Afl. 24.520,25 (productie 15). [verzoekers] hebben ook wat betreft deze huurinkomsten onvoldoende gemotiveerd gesteld dat [gedaagde] een hoger bedrag aan (netto) huurinkomsten ter zake deze woning heeft ontvangen, zodat het Gerecht van deze bedragen zal uitgaan. [gedaagde] heeft gesteld dat zij de huurinkomsten heeft geïnd tot aan het moment dat het openbaar ministerie beslag heeft gelegd. Dit is niet weersproken door [verzoekers]

2.3.3 [

gedaagde] heeft gesteld dat het openbaar ministerie in mei 2006 beslag heeft gelegd, waardoor zij vanaf dat moment geen huurinkomsten meer heeft geïncasseerd. [verzoekers] erkennen dit maar stellen dat [gedaagde] een groot deel van deze huurpenningen na opheffing van het beslag heeft terugontvangen middels verrekening met belastingaanslagen. Zij hebben een document, kennelijk afkomstig van het openbaar ministerie, overgelegd waarin staat vermeld dat Afl. 60.160,82 ten behoeve van [gedaagde] werd verrekend, Afl. 39.996,- ten behoeve van wijlen [verzoekers] werd verrekend en Afl. 27.626,60 ten behoeve van [gedaagde] en wijlen [verzoekers] samen werd verrekend. [gedaagde] heeft dit onvoldoende gemotiveerd en stellig betwist in haar akte uitlating producties van 7 juni 2017. Het Gerecht zal [gedaagde] dan ook veroordelen om een bedrag van Afl. 73.974,12 (Afl. 60.160,82 + (27.626,60 /2 )) af te dragen.

[adres 1]

2.3.4 [

gedaagde] heeft bij akte van 7 december 2016 gesteld dat zij sinds november 2005 zelf in de woning heeft gewoond. Zij betwist dat zij de woning heeft verhuurd en huurpenningen heeft geïnd. [verzoekers] hebben in hun antwoordakte kennelijk de stelling dat [gedaagde] de woning heeft verhuurd niet langer gehandhaafd. [verzoekers] hebben wel gesteld dat bij de woning (in de akte staat “[adres 3]”, maar het Gerecht begrijpt dat [verzoekers] “[adres 1]” bedoelen) ook een appartement hoort en dat [gedaagde] dat appartement wel heeft verhuurd. [gedaagde] heeft dit niet betwist in haar akte uitlating producties van 7 juni 2017. Evenwel hebben [verzoekers] niet gesteld welk (netto) bedrag aan huurinkomsten [gedaagde] heeft geïncasseerd betreffende het appartement, zodat het Gerecht wegens gebrek aan onderbouwing aan de stelling voorbij zal gaan en dit deel van de vordering zal afwijzen.

2.4.1 [

gedaagde] is ook in de gelegenheid gesteld om de overige gestelde kosten (advocaatkosten, elektriciteitsrekeningen, reparatiekosten, kosten van levensonderhoud van haarzelf en [kind gedaagde]], kosten van psychiatrische behandeling van [kind gedaagde]] en administratiekosten van dhr. [naam X]) nader te onderbouwen. In haar akte van 7 december 2016 heeft zij gesteld dat zij in totaal Afl. 341.609,95 aan kosten heeft gehad en zij heeft ter onderbouwing diverse stukken in het geding gebracht.

Advocaatkosten

2.4.2 [

gedaagde] heeft gesteld dat zij in totaal Afl. 93.896,45 aan advocaatkosten heeft betaald. Zij heeft ter onderbouwing kwitanties van het betreffende advocatenkantoor overgelegd. [verzoekers] hebben het door [gedaagde] gestelde en onderbouwde bedrag onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat het Gerecht van dit bedrag uit zal gaan.

Kosten AMTR

2.4.3 [

gedaagde] heeft voor het eerst in haar akte van 7 december 2016 vermeld dat zij ook kosten van AMTR betreffende Pine Holding heeft betaald. [verzoekers] hebben deze stelling betwist. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat [gedaagde] deze kosten heeft betaald, terwijl een verdere onderbouwing van deze kostenpost ontbreekt. Het Gerecht zal deze kostenpost dan ook verder buiten beschouwing laten.

Rekeningen Web en Elmar

2.4.4 [

gedaagde] heeft gesteld dat zij betreffende de woning [adres 1] de volgende kosten heeft moeten maken: Web Afl. 17.246,60 en Elmar Afl. 18.278,30. Zij heeft evenwel niet onderbouwd op grond waarvan zij deze kosten in mindering kan brengen op de vordering van [verzoekers], nu [gedaagde] geen huurinkomsten betreffende deze woning dient af te gedragen. Het Gerecht zal de door [gedaagde] genoemde bedragen dan ook verder buiten beschouwing laten.

[naam X]

2.4.5 [

gedaagde] heeft gesteld dat zij Afl. 7.275,- aan [naam X] heeft betaald. Zij heeft ter onderbouwing facturen van [naam X] met betaalbewijzen en specificaties overgelegd. [verzoekers] hebben deze kostenpost onvoldoende gemotiveerd betwist. Het Gerecht zal het door [gedaagde] genoemde bedrag dan ook meenemen in de afrekening.

Onderhoudskosten

2.4.6 [

gedaagde] heeft een bedrag van Adfl. 75.000,- aan onderhoudskosten voor de (destijds) minderjarige [kind gedaagde]] en tevens een bedrag van Afl. 126.000,- aan onderhoudskosten betreffende [gedaagde] zelf opgevoerd. Het gaat voor wat betreft de kosten van [kind gedaagde] volgens [gedaagde] niet om kinderalimentatie maar om daadwerkelijke kosten van verzorging en opvoeding, mede op basis van de huwelijkse voorwaarden. Voor wat betreft de onderhoudskosten van [gedaagde] heeft [gedaagde] gesteld dat zij naar aanleiding van wijlen [Naam oorspronkelijke eiser]’s detentie is ontslagen en geen inkomen meer had. Voorts is in het genoemde bedrag opgenomen de kosten van een inwonend dienstmeisje ad Afl. 1.200,- x 30 maanden. [verzoekers] hebben deze kostenposten betwist. Het Gerecht zal bij gebrek aan onderbouwing geen rekening houden met deze kostenposten. [gedaagde] heeft onvoldoende onderbouwd gesteld dat zij daadwerkelijk maandelijks Afl. 1.500,- aan onderhoudskosten ten behoeve van [kind gedaagde] heeft gemaakt en dat deze kosten volledig voor rekening kwamen van wijlen [Naam oorspronkelijke eiser]. Hierbij is mede van belang dat [verzoekers] bij antwoordakte van 12 april 2017 hebben gesteld dat [gedaagde] een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van [kind gedaagde] van de biologische vader van [kind gedaagde] ontving. [gedaagde] heeft deze stelling niet betwist. [gedaagde] heeft voorts onvoldoende onderbouwd gesteld dat zij daadwerkelijk de gestelde kosten voor een dienstmeisje heeft gemaakt, zodat het Gerecht daaraan voorbij zal gaan. Voor wat betreft de kosten van levensonderhoud van [gedaagde] zelf geldt dat zij volgens haar eigen stellingen per 1 januari 2007 werd ontslagen, zodat niet valt in te zien op grond waarvan zij meent over de periode vóór 1 januari 2007 kosten van levensonderhoud ten laste van wijlen [Naam oorspronkelijke eiser] te kunnen brengen. Ook overigens heeft [gedaagde] onvoldoende grondslag aangevoerd voor haar stelling dat zij haar onderhoudskosten kan verrekenen met de door haar geïncasseerde gelden. De enkele stelling dat zij door aan het licht gekomen strafbare feiten betreffende wijlen [Naam oorspronkelijke eiser] haar baan is verloren is daarvoor niet voldoende.

2.4.7

In totaal dient [gedaagde] Afl. 123.645,62 ((Afl. 115.522,70 + Afl. 10.800,- + Afl. 24.520,25 + Afl. 73.974,12) -/- (93.896,45 + 7.275,-)) aan de nalatenschap te voldoen.

Geldleningen

2.5.1

Bij tussenvonnis van 10 februari 2016 heeft het Gerecht reeds beslist dat [gedaagde] de ‘overig geinde geldbedragen’ (zie r.o. 4.12) aan [verzoekers] dient af te dragen. Dit betreft een bedrag van Afl. 74.340,- ( 138.840 -/- Afl. 28.000, Afl. 20.500,-, Afl. 15.000,- en Afl. 1.000,-). [gedaagde] heeft betwist gelden te hebben ontvangen van [Naam Y] (Afl. 28.000,-), [Naam Z] (Afl. 20.500,-), [Naam W] (Afl. 15.000,-) en [Naam U] (Afl. 1.000,-). [verzoekers] zijn in de gelegenheid gesteld om getuigenbewijs te leveren van hun stelling dat [gedaagde] deze gelden uit hoofde van de lastgeving heeft geïncasseerd. Er zijn twee getuigen gehoord, te weten [Naam Y] en [Naam Z], hiervoor genoemd. [verzoekers] hebben afgezien van bewijslevering ten aanzien van [Naam W] en [Naam U].

2.5.2 [

Naam Y] heeft kort samengevat onder ede verklaard dat hij Afl. 28.000,- had geleend van wijlen Koc. Hij heeft verklaard dat hij het geld in twee gedeeltes aan [gedaagde] heeft terugbetaald. Er werd niks op papier gezet.

2.5.3 [

Naam Z] heeft kort samengevat onder ede verklaard dat hij tussen Afl. 25.000,- en Afl. 35.000,- had geleend van zijn broer, wijlen [Naam oorspronkelijke eiser]. Hij zou het geleende geld in gedeeltes hebben terugbetaald aan [gedaagde] en ook aan wijlen Koc zonder daar ooit een kwitantie voor ontvangen te hebben. Hij kon zich niet herinneren hoeveel hij aan [gedaagde] en hoeveel hij aan wijlen Koc heeft terugbetaald. Hij dacht wel het meeste aan [gedaagde] terugbetaald te hebben.

2.5.4 [

gedaagde] heeft in haar antwoordconclusie na enquête erkend een bedrag van Afl. 1.500,- te hebben ontvangen van [Naam Z], alsmede een bedrag van Afl. 28.000,- van [Naam Y]. Voor wat betreft de betaling van [Naam Y] heeft [gedaagde] in die akte betwist dat er sprake was van een geldleningsovereenkomst en gesteld dat de transactie te maken had met het witwassen van drugsgelden, waardoor er sprake was van een nietige overeenkomst en de gevolgen van die overeenkomst wegens strijd met de wet in rechte niet afdwingbaar zijn. Het Gerecht zal niet ingaan op deze nieuwe stellingen van [gedaagde] en verwijst voor de motivering daarvan naar de overwegingen in het tussenvonnis van 2 mei 2018 genoemd. Het Gerecht overweegt ten overvloede wel dat de enkele geponeerde vermoedens van [gedaagde] onvoldoende zijn om aan te nemen dat er sprake is geweest van een nietige overeenkomst. [gedaagde] dient beide bedragen (Afl. 1.500,- en Afl. 28.000,-) te voldoen aan de gezamenlijke deelgenoten in de nalatenschap van erflater.

2.5.5

Het Gerecht is van oordeel dat [verzoekers] aan de hand van de gehoorde getuigen onvoldoende bewijs hebben aangedragen van hun stelling dat de door [gedaagde] betwiste afbetalingen aan [gedaagde] hebben plaatsgevonden. De verklaringen van deze twee getuigen, zijnde de debiteuren zelf, hebben daarvoor naar het oordeel van het Gerecht onvoldoende bewijskracht. Te meer daar zij er een belang bij kunnen hebben om te verklaren dat zij hun leningen aan [gedaagde] hebben afbetaald, hetgeen afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen, terwijl voldoende aanvullend bewijs ontbreekt. Het Gerecht acht het bewijs derhalve niet geleverd.

2.5.6 [

gedaagde] zal veroordeeld worden om Afl. 103.840,- (Afl. 74.340,- + Afl. 1.500,- + Afl. 28.000,-) aan de nalatenschap te betalen ter zake de geïncasseerde gelden uit hoofde van door wijlen [Naam oorspronkelijke eiser] verstrekte geldleningen.

Verkoopopbrengst van [adres 6]

2.6 [

verzoekers] hebben bij akte op de stelling van [gedaagde], dat met de verkoopopbrengst van [adres 6] de woning te [adres 2] werd aangekocht, kunnen reageren. Zij stellen dat de door hun ingeschakelde accountant heeft gerapporteerd dat de verkoopopbrengst niet is aangewend ten behoeve van de aankoop van [adres 2]. Echter, valt op pagina 6 van het door [verzoekers] in het geding gebrachte rapport te lezen: “(..) aangenomen kan worden dat vanuit bovengenoemd spaarbankboekje van de dochter van [gedaagde] de aankoop van [adres 2] is gefinancierd voor een bedrag van Afl. 184.118,10 (bedrag nota/afrekening notaris [notaris naam]).” De stelling van [verzoekers] is dan ook niet begrijpelijk. Zij hebben de stelling van [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd weersproken. In navolging op het tussenvonnis van 10 februari 2016, zal het Gerecht bepalen dat [gedaagde] de verkoopopbrengst van [adres 6] vermeerderd met aanwas doch verminderd met voornoemde koopsom van Afl. 184.118,10 aan de nalatenschap dient te voldoen. Op 3 juli 2003 bedroeg het saldo van de termijndeposito Afl. 382.541,67. [gedaagde] heeft vervolgens twee bedragen opgenomen: Afl. 127.892,88 en Afl. 255.000,-. [gedaagde] heeft niet (tijdig) onderbouwd gesteld wat zij met het bedrag van Afl. 127.892,88 heeft gedaan. In navolging op het tussenvonnis van 10 februari 2016 zal [gedaagde] veroordeeld worden dit bedrag aan de nalatenschap te voldoen. Het bedrag van Afl. 255.000,- werd op een spaarbankboekje gezet. Blijkens de door [gedaagde] in het geding gebrachte pagina uit het spaarbankboekje (productie 11 bij akte van 7 december 2016) bedroeg het saldo op 8 maart 2004 Afl. 342.000,-, waarna een bedrag van Afl. 184.168,10 werd opgenomen. Zoals hiervoor overwogen staat op de cheque en de afrekening van de notaris als datum vermeld 5 maart 2004, zodat het Gerecht ervan uitgaat dat het bedrag van Afl. 184.168,10 op 5 maart 2004 werd opgenomen voor de aankoop van [adres 2]. [gedaagde] dient een bedrag van Afl. 342.000,- verminderd met Afl. 184.168,10, derhalve Afl. 157.831,90 aan de nalatenschap te voldoen. In totaal dient [gedaagde] derhalve Afl. 285.724,78 (127.892,88 + Afl. 157.831,90) aan de nalatenschap te voldoen. Voorts dient [gedaagde] in navolging op het tussenvonnis van 10 februari 2016 een rendementsvergoeding van 3% over het bedrag Afl. 157.831,90 vanaf 5 maart 2004 tot 29 april 2005 (datum akte wijziging eis zijdens [verzoekers]) aan de nalatenschap te voldoen.

De gevorderde afgifte van documenten

2.7

Zoals het Gerecht in r.o. 2.6 van het tussenvonnis van 2 mei 2018 al heeft overwogen, zal niet meer worden beslist op de aanvankelijke vordering ter zake de afgifte van de timeshare-documenten, nu [verzoekers] die vordering niet hebben gehandhaafd.

2.8 [

gedaagde] heeft, zoals onder rechtsoverwegingen 2.2.1 tot en met 2.3.4 besproken, naar aanleiding van het tussenvonnis van 10 februari 2016 verschillende documenten betreffende de geïncasseerde huurpenningen in het geding gebracht. [verzoekers] hebben onvoldoende aangetoond dat [gedaagde] nog meer huuradministratie onder zich heeft en ter zake ook geen voldoende concreet bewijsaanbod gedaan. De vordering tot afgifte van de huuradministratie zal dan ook worden afgewezen.

De gevorderde terugbetaling van de aankoopsom van de auto en persoonlijke bezittingen

2.9

Aangezien [verzoekers] hebben afgezien van bewijslevering ten aanzien van de auto en persoonlijke bezittingen, zullen de onderliggende vorderingen worden afgewezen.

De gevorderde terugbetaling van de ontvangen AOV premies

2.10

Het Gerecht heeft bij tussenvonnis van 10 februari 2016 al overwogen dat de vordering ter zake van de door [gedaagde] ontvangen AOV premies die toekwamen aan wijlen [Naam oorspronkelijke eiser] zal worden toegewezen.

Wettelijke rente

2.11

De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 20 juni 2008, zijnde de datum van indiening van de eis in de hoofdzaak.

Proceskosten

2.12.1

Aangezien de vordering van Pinole afgewezen dient te worden, zal Pinole in de door [gedaagde] gemaakte proceskosten worden veroordeeld, zowel in de incidenten als in de hoofdzaak. Deze worden begroot op Afl. 2.500,- aan gemachtigdensalaris in de incidenten (1 punt bij tarief 6) en op Afl. 1.250,- aan gemachtigdensalaris in de hoofdzaak (1 punt bij tarief 6 / 2). Aangezien het verweer in de hoofdzaak ten aanzien van Pinole in overwegende mate op dezelfde stellingen is gebaseerd als het verweer ten aanzien van [verzoekers] (voor wat betreft het overlappende deel van de vorderingen van Pinole en [verzoekers]) is de puntentelling in de hoofdzaak gehalveerd.

2.12.2 [

gedaagde] dient als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [verzoekers] veroordeeld te worden. Deze worden begroot op Afl. 7.500,- aan griffiegelden, Afl. 1.176,65 aan beslagkosten en Afl. 20.000,- (5 punten bij tarief 9). Voor de enquête en conclusie na enquête zijn geen punten toegekend, nu het deel van de vordering waarop de bewijslevering betrekking had zal worden afgewezen.

Uitvoerbaar bij voorraad

2.13 [

gedaagde] heeft verzocht om dit vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Het Gerecht ziet voldoende aanleiding om dit verzoek te honoreren en een uitvoerbaar bij voorraad verklaring achterwege te laten en wel om de navolgende redenen. [gedaagde] heeft na het tussenvonnis van 10 februari 2016 een grotendeels nieuw verweer gevoerd dat door het Gerecht terzijde is geschoven wegens strijd met een goede procesorde. Het ligt in lijn der verwachting dat in geval van hoger beroep wel op dit nieuwe verweer zal worden beslist. Daarnaast heeft dit vonnis verstrekkende goederenrechtelijke gevolgen, nu de levering van diverse onroerende zaken en de betaling van grote geldsommen aan de gezamenlijke deelgenoten in de nalatenschap van erflater wordt toegewezen. Het zal tot onwenselijke situaties kunnen leiden indien die beslissingen in hoger beroep niet in stand blijven, terwijl zij hangende het hoger beroep reeds geëxecuteerd zijn. Dit zal dan tot aanzienlijke schadeposten kunnen leiden. Daarbij is tevens in aanmerking genomen dat deze procedure zich al vele jaren heeft voortgesleept.

5 DE BESLISSING

het Gerecht:

Ten aanzien van de vorderingen van [verzoekers]

5.1

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de gezamenlijke deelgenoten in de nalatenschap van erflater te betalen het bedrag van Afl. 123.645,62 (ter zake van niet afgedragen huurpenningen na aftrek van kosten), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 juni 2008 tot aan de dag van algehele voldoening;

5.2

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de gezamenlijke deelgenoten in de nalatenschap van erflater te betalen het bedrag van Afl. 60.491,00 (ter zake van ontvangen AOV-premies), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 juni 2008 tot aan de dag van algehele voldoening;

5.3

veroordeelt [gedaagde] om aan de gezamenlijke deelgenoten in de nalatenschap van erflater te betalen het bedrag van Afl. 103.840,- (ter zake van geinde doch niet afgedragen aflossingen op geldleningen), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 juni 2008 tot aan de dag van algehele voldoening;

5.4 [

gedaagde] veroordeelt om binnen twee weken na betekening van dit vonnis medewerking te verlenen aan de notariële overdracht van de percelen gelegen te [adres 1], [adres 2] en [adres 3] aan de gezamenlijke deelgenoten in de nalatenschap van erflater onder het verlenen van kwijting ten aanzien van de koopprijs;

5.5

bepaalt dat indien [gedaagde] weigert aan het onder 5.4 bedoelde te voldoen, dit vonnis in de plaats zal treden van de benodigde notariële akten van levering;

5.6

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de gezamenlijke deelgenoten in de nalatenschap van erflater te betalen het bedrag van Afl. Afl. 285.724,78 (ter zake de verkoopopbrengst van [adres 6]), alsmede een rendementsvergoeding van 3% over het bedrag Afl. 157.831,90 vanaf 5 maart 2004 tot 29 april 2005 (ter zake de aanwas betreffende de verkoopopbrengst van [adres 6]), dit alles vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 juni 2008 tot aan de dag van algehele voldoening.

5.7

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten gevallen aan de zijde van [verzoekers], tot op heden begroot op Afl. 7.500,- aan griffiegeld, Afl. 1.176,65 aan beslagkosten en Afl. 20.000,00 aan gemachtigdensalaris;

5.8

wijst af het meer of anders gevorderde;

Ten aanzien van de vordering van Pinole

5.9

wijst af de vordering van Pinole;

5.10

veroordeelt Pinole in de proceskosten gevallen aan de zijde van [gedaagde], tot op heden begroot op Afl. 2.500, aan gemachtigdensalaris in de incidenten en Afl. 1.250,- aan gemachtigdensalaris in de hoofdzaak.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Schoemaker, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 13 februari 2019 in aanwezigheid van de griffier.