Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2019:105

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
19-02-2019
Datum publicatie
11-03-2019
Zaaknummer
AUA201800962, AUA201800970 en AUA201800971
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende en zijn echtgenote hebben samen aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting 2010. Volgens de aangifte inkomstenbelasting wordt de onderneming voor rekening van belanghebbende gedreven. Maakt een belastingplichtige bezwaar tegen een aanslag die conform zijn aangifte is opgelegd, dan rust op hem de bewijslast. Belanghebbende is niet geslaagd in zijn bewijslast dat de winst uit onderneming bij zijn echtgenote moet worden belast. De winst is terecht bij belanghebbende belast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 19 februari 2019

BBZ nrs. AUA201800962, AUA201800970 en AUA201800971

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening beroep in belastingzaken van:

[ X ], wonende te Aruba,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Aruba,

de Inspecteur.

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende zijn op 31 maart 2016 aanslagen in de inkomstenbelasting, premies AOV/AWW en AZV opgelegd voor het jaar 2010 naar een belastbaar en premie-inkomen van respectievelijk Afl. 56.457, Afl. 54.600 en Afl. 66.015.

1.2

Belanghebbende heeft op 7 maart 2016 tegen bovengenoemde aanslagen bezwaar gemaakt.

1.3

De Inspecteur heeft op 9 februari 2018 de bezwaren afgewezen.

1.4

Belanghebbende is op 9 april 2018 in beroep gekomen. Hierbij is een bedrag aan griffierecht betaald van Afl. 25.

1.5

De Inspecteur heeft op 28 mei 2018 een verweerschrift ingediend.

1.6

Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend. Een afschrift hiervan is aan de Inspecteur verstrekt.

1.7

De zaak is behandeld ter zitting van 31 oktober 2018, waarbij belanghebbende en zijn gemachtigde [ A ] zijn verschenen. Namens de Inspecteur is [ B ] verschenen. Het Gerecht heeft het onderzoek ter zitting tot een nader tijdstip geschorst.

1.8

Belanghebbende heeft op 21 november 2018 een nader stuk ingediend. De Inspecteur heeft op 22 november 2018 daarop gereageerd. Op 3 december 2018 heeft belanghebbende wederom een nader stuk ingediend.

1.9

De nadere zitting heeft plaatsgevonden op 13 december 2018. Belanghebbende is verschenen samen met zijn gemachtigde [ A ] voornoemd en [ C ]. Namens de Inspecteur is verschenen [ B ].

2 FEITEN

2.1

Belanghebbende (geboren op [ geboortedatum ] 1962) is gehuwd met mevrouw

[ LB ] (hierna: mevrouw [ B ]).

2.2

Volgens een verklaring van het Bureau Burgerlijke Stand en Bevolkingsregister (BBSB) heeft belanghebbende zich wegens emigratie naar Nederland op 4 juli 2003 uitgeschreven uit het bevolkingsregister. Belanghebbende is vanaf 2 juli 2010 weer ingeschreven in het bevolkingsregister.

2.3

Tot de gedingstukken behoren onder andere:

- een afschrift van een ministeriële beschikking van 2 februari 2006 waarin is vermeld dat mevrouw [ B ] de vestigingsvergunning van de zaak ‘[ Q ]’, van belanghebbende overneemt en deze voor eigen rekening gaat drijven;

- een overzicht van de Kamer van Koophandel en Nijverheid (hierna: KvK) waarin is vermeld dat ‘[ R ]’ op 7 januari 2014 is opgeheven. Op het overzicht is vermeld dat mevrouw [ B ] vanaf 8 november 2006 de eigenaar/bestuurder is van de onderneming;

- een overzicht van de KvK waarin is vermeld dat de ‘[ R ]’ op 9 november 2011 is opgeheven. Op het overzicht is vermeld dat belanghebbende en zijn echtgenote vanaf 28 november 2006 de eigenaar/bestuurder zijn van de onderneming;

- een formulier registratie van de Belastingdienst van 16 januari 2012 waarin staat dat mevrouw [ B ] zich als ondernemer van ‘[ R ]’ registreert.

2.4

Belanghebbende en zijn echtgenote hebben op 23 mei 2012 samen aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting 2010. Volgens de aangifte geniet belanghebbende winst uit onderneming. Zijn echtgenote heeft volgens de aangifte geen onderneming en ook geen andere bron van inkomen. Belanghebbende heeft een bedrag van Afl. 68.414 aan winst uit onderneming aangegeven ([ S ]: Afl. 34.535 en [ Q ]: Afl. 33.879). De aanslag is overeenkomst de aangifte opgelegd.

2.5

Belanghebbende heeft over het jaar 2010 maandelijks aangiften BBO gedaan. Het totaal bedrag van de aangegeven omzet voor de BBO bedroeg Afl. 261.454.

3 GESCHIL EN STANDPUNTEN PARTIJEN

In geschil is of de aanslagen terecht en naar de juiste bedragen zijn vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

4 BEOORDELING VAN HET BEROEP

inkomstenbelasting

4.1

Belanghebbende stelt dat de winst uit onderneming niet bij hem maar bij zijn echtgenote belast moet worden en dat de aanslag daarom moet vervallen. Daartoe heeft hij – samengevat - aangevoerd dat hij in het jaar 2010 voor een deel van het jaar in het buitenland woonde en ook heeft hij onder andere gewezen op de in 2.4 vermelde ministeriele beschikking van 2 februari 2006. Volgens hem heeft de administrateur ([ Z ] N.V.) het aangiftebiljet verkeerd ingevuld.

4.2

Voor het antwoord op de vraag bij wie de winst belast moet worden is doorslaggevend voor wiens rekening en risico de onderneming feitelijk werd gedreven. Volgens de aangifte inkomstenbelasting wordt de onderneming voor rekening van belanghebbende gedreven. Maakt een belastingplichtige bezwaar tegen een aanslag die conform zijn aangifte is opgelegd, dan rust op hem de bewijslast (vgl. HR 11 november 1964, nr. 15.267, ECLI:NL:HR:1964: AX7205; GEA Sint Maarten 10 oktober 2018, nr. SXM201600044, ECLI:NL:OGEAM:2018:97). Van de Inspecteur kan immers niet het bewijs worden verlangd dat de aangifte juist was. Deze bewijslastverdeling brengt mee dat indien er twijfel bestaat over het door belanghebbende gestelde, dit ten nadele werkt van belanghebbende.

4.3

Met hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd is hij niet in zijn bewijslast geslaagd. Dat hij voor een deel van het jaar niet in Aruba heeft gewoond en de vestigingsvergunning niet op zijn naam staat, verhinderd niet dat de onderneming voor zijn rekening en risico werd gedreven. Aan de door hem overgelegde overzichten van het KVK (zie 2.4) – waaruit overigens blijkt dat hij in het onderhavige jaar geregistreerd stond als eigenaar van ‘[ R ]’ - kan ook niet de conclusie worden verbonden dat hij geen onderneming dreef. Het Gerecht neemt voorts het volgende in overweging. In tegenstelling tot zijn echtgenote was belanghebbende in het onderhavige jaar voor de ondernemingen wel bij de Belastingdienst geregistreerd, ook in de aangiften BBO heeft hij omzet van de ondernemingen aangegeven en in zijn bezwaarschrift (29 februari 2016) tegen de aanslag heeft hij niet vermeld dat de winst uit onderneming bij zijn echtgenote moest worden belast. Het voorgaande leidt het Gerecht tot de conclusie dat de winst terecht bij belanghebbende is belast.

4.4

Belanghebbende heeft subsidiar aangevoerd dat de aanslag tot een te hoog bedrag is vastgesteld. Hij is in de gelegenheid gesteld om zijn stelling te onderbouwen doch is niet daarin geslaagd. Uit de overgelegde jaarrekening volgt dat de winst uit onderneming Afl. 68.414 bedraagt. De Inspecteur is bij de vaststelling van de aanslag ook van dit bedrag uitgegaan. Al hetgeen belanghebbende nog heeft aangevoerd leidt het Gerecht niet tot een ander oordeel. Ter zitting heeft belanghebbende nog aangevoerd dat een verschil (Afl. 38.292) bestaat tussen de aangegeven omzet volgens de aangiftebiljetten BBO (Afl. 261.454) en de in de jaarrekening (Afl. 299.746) vermelde omzet en dat dit dus moet leiden tot een lagere winst uit onderneming. Ook heeft hij aangevoerd, naar het Gerecht begrijpt, dat een aantal kostenposten niet in de jaarrekening is verwerkt. Het Gerecht merkt deze nieuwe stellingen van belanghebbende - die ter zitting voor het eerst zijn aangevoerd - aan als tardief en laat ze buiten beschouwing.

premies AOV/AWW en AZV

4.5

Niet in geschil is dat belanghebbende zich in juli van het jaar 2010 zich (weer) in Aruba heeft gevestigd. Ook is niet in geschil dat hij dientengevolge verzekerd was op basis van de Landsverordening algemene ouderdomsverzekering (LAOV), de Landsverordening algemene weduwen- en wezenverzekering (LAWW) en de Landsverordening algemene ziektekostenverzekering (LAZV). Ingevolge de artikelen 26 LAOV, 29 LAWW en 38b LAZV wordt de premie geheven van het door de premieplichtige in het kalenderjaar genoten premie-inkomen. Ten aanzien van degene die slechts een gedeelte van een kalenderjaar verzekerd is geweest, treedt voor de berekening van de premie dit gedeelte voor het kalenderjaar in de plaats. De aanslagen zijn gebaseerd op het door belanghebbende in het (gehele) kalenderjaar genoten premie-inkomen en zijn derhalve te hoog. Ter zitting heeft de Inspecteur erkend dat de aanslag AOV/AWW dient te worden vastgesteld op Afl.3.686 (Afl.7.371:/: 2) en de aanslag AZV op Afl. 3.136 (Afl. 6.271 :/: 2). In zoverre is het beroep gegrond.

5 PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT

5.1

Ingevolge artikel 15, lid 1 van de Landsverordening beroep in belastingzaken (LBB) worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De regels over de (hoogte van de) vergoeding zijn neergelegd in het Landsbesluit proceskostenvergoeding in belastingzaken.

5.2

In artikel 1 van dit Landsbesluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op Afl. 1.400 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt Afl. 700, wegingsfactor 1).

5.3

Verder dient de Inspecteur op grond van artikel 18, lid 4, LBB, het betaalde griffierecht van Afl. 25 aan belanghebbende te vergoeden.

6 DE BESLISSING

Het Gerecht:

 verklaart het beroep inzake de aanslag inkomstenbelasting ongegrond;

 verklaart het beroep inzake de aanslagen premies AOV/AWW en AZV gegrond;

 vernietigt de uitspraken op bezwaar inzake de aanslagen premies AOV/AWW en AZV;

 vermindert de aanslag premies AOV/AWW tot een bedrag van Afl. 3.686;

 vermindert de aanslag premies AZV tot een bedrag van Afl. 3.136;

 veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van Afl. 1400; en

 draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van

 Afl. 25 te vergoeden.

Deze uitspraak is gegeven door mr. D.J. Jansen, rechter in dit Gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 februari 2019, in tegenwoordigheid van de griffier N.N. Noël- van der Biezen BSc.

De griffier, De rechter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………….. aan partijen verzonden.

HOGER BEROEP

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)

J.G. Emanstraat 51

Oranjestad

Aruba

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener,

b. de dagtekening,

c. waartegen u in beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie: belastinggriffie@caribjustitia.org.

Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:

-natuurlijke personen: Afl. 75

-personenvennootschappen en rechtspersonen: Afl. 300