Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2019:101

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
20-02-2019
Datum publicatie
11-03-2019
Zaaknummer
AUA201800899
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel. Verklaring voor recht dat de overeenkomst tussen partijen voortduurt tot de datum waarop die van rechtswege zou eindigen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 20 februari 2019

Behorend bij A.R. AUA201800899

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

[…] VBA,

te Aruba,

EISERES, hierna ook te noemen: [VBA],

gemachtigde: mr. D.G. Kock,

tegen:

OPENBARE RECHTSPERSOON HET LAND ARUBA,

te Aruba,

GEDAAGDE, hierna ook te noemen: het Land,

gemachtigde: DWJZ.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift;

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek;

1.2

De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Op 14 februari 2017 heeft [VBA] met het Land, vertegenwoordigd door de toenmalige Minister van Toerisme een overeenkomst voor enkele diensten gesloten. In de daaraan gekoppelde ministeriële beschikking van dezelfde datum is opgenomen dat “uit de bijzondere aard van de werkzaamheden en de samenwerking voortvloeit dat de Minister vertrouwen moet hebben dat de samenwerking met de betrokken deskundige goed zal verlopen.” Het Land heeft op dat moment afgezien van een openbare of onderhandse aanbesteding en is met [VBA] de overeenkomst aangegaan voor de duur van twee jaren met ingang van 1 februari 2017 voor een vast bedrag van Afl. 15.000,- per maand. In de overeenkomst is niet opgenomen welke diensten voor het Land zullen worden verricht. In de overeenkomst is geen mogelijkheid opgenomen van tussentijdse beëindiging, maar die is ook niet uitgesloten.

2.2

Bij beslissing 3 januari 2018 heeft het Land de overeenkomst met [VBA] opgezegd tegen 31 maart 2018. In de opzegging is verwezen naar de in de overeenkomst en de Ministeriële Beschikking van 14 februari 2017 opgenomen passage, zoals weergegeven onder 2.1.

2.3

Sedert de regeringswisseling tot het moment van opzegging heeft [VBA] geen adviezen uitgebracht aan het Land c.q. de thans fungerende Minister van Toerisme.

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1 [

VBA] vordert een verklaring voor recht dat de overeenkomst tussen partijen voortduurt tot de datum waarop die van rechtswege zou eindigen, te weten op 1 februari 2019 en subsidiair dat de opzegging de maatstaf van redelijkheid en billijkheid niet kan doorstaan en dat het Land gehouden is tot betaling van de door [VBA] geleden schade, alsmede de betaling van een bedrag van Afl. 150.000,- zijnde de termijnen die vallen na de datum waartegen is opgezegd met veroordeling van het Land in de kosten van de procedure.

3.2 [

VBA] legt aan haar vordering ten grondslag dat de overeenkomst niet tussentijds kan worden opgezegd, nu daarin niet is voorzien en bovendien dat het gebruikelijk is dat overeenkomsten met het Land niet tussentijds worden beëindigd. Ook ontbreekt een redelijk belang bij het land.

3.3

Het Land voert hiertegen gemotiveerd verweer.

3.4

Het gerecht zal op de standpunten van partijen, hierna waar nodig nader ingaan.

4 DE BEOORDELING

4.1

Het Land heeft de overeenkomst opgezegd op basis van het bepaalde in art. 7:408 BW. Nu de overeenkomst geen beding bevat op basis waarvan geoordeeld moet worden dat tussentijdse opzegging niet mogelijk is, mocht het Land gebruik maken van deze op de wet gebaseerde opzegbevoegdheid. Hierbij mocht een rol spelen dat de aanstelling destijds is aangegaan wegens de noodzakelijke basis van vertrouwen met de toenmalige Minister van Toerisme, zoals ook is opgenomen in de opzeggingsbeslissing. Niet gezegd kan worden dat het Land wegens gewekt vertrouwen of bij afweging van de in aanmerking komende belangen niet tot opzegging mocht overgaan. Het betrof immers een overeenkomst zonder duidelijke taakomschrijving of omvang van de te verrichten werkzaamheden en [VBA] heeft niet gesteld dat zij met een bepaalde opdracht bezig was die tussentijdse beëindiging zou verhinderen. Daarnaast heeft het Land een opzegtermijn aangehouden van bijna drie maanden, zodat het ook met de belangen van [VBA] op voldoende wijze rekening heeft gehouden. Evenmin kan de stelling worden gevolgd dat overeenkomsten met het Land “naar gebruik” niet tussentijds kunnen worden opgezegd. Het stond partijen immers vrij om dit contractueel te regelen en niet valt in te zien waarom het Land minder opzegbevoegdheden zou hebben dan een andere (professionele) opdrachtgever.

4.2

Dit leidt ertoe dat de vordering van [VBA] wordt afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij wordt zij in de kosten veroordeeld, die aan de zijde van het Land worden begroot op nihil, nu zij de procesvoering in eigen hand heeft gehouden.

5 DE UITSPRAAK

Het gerecht:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt [VBA] in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van het Land worden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Sap, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag, 20 februari 2019 in aanwezigheid van de griffier.