Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2018:95

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
14-02-2018
Datum publicatie
21-02-2018
Zaaknummer
B.B. 0896 van 2017 / AUA201700808
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

civiel recht, huurkoopovereenkomst, schuldvordering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 14 februari 2018

Behorend bij B.B. 0896 van 2017 / AUA201700808

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DUVIT HOLDINGS VBA,

te Aruba,

gemachtigde: de advocaat mr. W.G.T.M. Kloes,

tegen:

[naam gedaagde],

te Aruba,

hierna ook te noemen: [gedaagde],

procederend in persoon.

1 DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van 3 mei 2017;

- verweerschriften van 20 juni en van 14 juli 2017;

- de rolbeschikking van 23 augustus 2017;

- de conclusie van repliek van 20 september 2017;

- de conclusie van dupliek van 14 november 2017;

- de akte uitlating producties zijdens Duvit Holdings VBA van 13 december 2017.

De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Op 23 december 2013 hebben de naamloze vennootschap Duvit Aruba N.V. en [gedaagde] een overeenkomst van huurkoop gesloten met betrekking tot een I-Phone voor het bedrag van Afl. 9.178,86.

2.2

Bij akte van 26 september 2014 is Duvit Aruba N.V. omgezet in Duvit Holdings VBA (hierna: Duvit).

2.3 [

gedaagde] is in gebreke geraakt met de uit voormelde overeenkomst voor haar

voortvloeiende betalingsverplichtingen.

3 DE VORDERING EN HET VERWEER

3.1

Duvit vordert – uitvoerbaar bij voorraad – [gedaagde] te bevelen tot betaling van Afl. 5.987,45, vermeerderd met rente en kosten.

3.2

Aan deze vordering legt Duvit ten grondslag dat [gedaagde] haar uit de huurkoopovereenkomst voortvloeiende betalingsverplichtingen niet is nagekomen, dat de vordering opeisbaar is geworden en dat zij in verband daarmee incassokosten heeft gemaakt.

3.3 [

gedaagde] heeft verweer gevoerd, zoals hierna in de desbetreffende overwegingen van de beoordeling weergegeven.

4 DE BEOORDELING

4.1 [

gedaagde] heeft bij verweer de hoogte van de door Duvit gevorderde hoofdsom erkend. Bij dupliek heeft zij deze evenwel betwist, daartoe aanvoerende dat zij gedurende de periode 2013-2016 betalingen heeft verricht. Deze betalingen heeft zij voldaan via de kassa van de vestiging van Crown aan de Boulevard, aldus [gedaagde], en zijn niet terug te zien op de door Duvit overgelegde uitdraai van ontvangen betalingen. Daargelaten de betekenis die dient te worden toegekend aan een betwisting in een vergevorderd stadium van de procedure na een eerdere erkenning, acht het gerecht de hoogte van de gevorderde hoofdsom door [gedaagde] aldus onvoldoende gemotiveerd betwist. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het door [gedaagde] aangevoerde feitelijke grondslag mist, voor zover zij heeft gesteld dat op de door Duvit overgelegde uitdraai van ontvangen betalingen geen betalingen uit de periode voorafgaand aan het jaar 2015 zijn te zien. Uit deze uitdraai valt af te leiden dat gedurende de periode tussen 27 februari 2014 en 9 april 2015 diverse betalingen zijn ontvangen, welke van de hoofdsom zijn afgeboekt. Voor zover [gedaagde] aldus heeft beoogd te betogen dat zij gedurende de desbetreffende periode meer betalingen heeft verricht dan die welke op de uitdraai vermeld staan, had het op haar weg gelegen dit in een eerder stadium in de procedure naar voren te brengen, dan wel deze stelling met nadere stukken, zoals kwitanties, nader te onderbouwen.

4.2

Ter staving van haar stelling dat de vordering opeisbaar is, heeft Duvit een drietal aan [gedaagde] gerichte aanmaningen overgelegd. Op deze wijze is voldaan aan de in artikel 8 van de huurkoopovereenkomst gestelde vereisten voor opeisbaarheid van de hoofdsom, aldus Duvit. [gedaagde] heeft niet betwist dat partijen zijn overeen gekomen dat het na het ontvangen van een aanmaning niet voldoen aan betalingsverplichtingen leidt tot directe opeisbaarheid van de hoofdsom. Voorts heeft [gedaagde] erkend dat zij bij brief van 6 april 2017 een aanmaning tot betaling heeft ontvangen. Niet in geschil is dat deze aanmaning niet heeft geleid tot een betaling, zodat aldus aan voormelde vereisten voor directe opeisbaarheid van de hoofdsom is voldaan. Onder deze omstandigheden komt aan de betwisting van de ontvangst van aan [gedaagde] naar haar voormalig adres verzonden aanmaningen van 9 mei en van 23 juni 2016 niet de betekenis toe, die zij daaraan gehecht wenst te zien. Dat [gedaagde], zoals gesteld, na ontvangst van een afschrift van het zijdens Duvit ingediende verzoekschrift, contact heeft gezocht met de gemachtigde van Duvit voor het treffen van een betalingsregeling, brengt, gelet op het vorenoverwogene, evenmin met zich dat de hoofdsom niet opeisbaar is.

4.3 [

gedaagde] heeft de overeengekomen rente niet betwist. Het betoog van [gedaagde] dat zij de aanmaningen van 9 mei en van 23 juni 2016 niet heeft ontvangen, omdat deze waren verzonden naar haar voormalig adres, begrijpt het gerecht als betwisting van de stelling van Duvit dat zij met ingang van 9 mei 2016 in verzuim is. Tegenover de gemotiveerde betwisting van de ontvangst van de aanmaningen van 9 mei en van 23 juni 2016 heeft Duvit volstaan met de betwisting daarvan en de verwijzing naar de overeengekomen woonplaats. Daarmee heeft Duvit niet voldoende gemotiveerd gesteld zij [gedaagde] op 9 mei 2016 tot nakoming van haar betalingsverplichtingen heeft gemaand. Nu [gedaagde] heeft erkend dat zij daartoe op 6 april 2017 is gemaand, hetgeen niet tot nakoming heeft geleid, heeft deze datum te gelden als die waarop [gedaagde] is verzuim is geraakt.

4.4

De door Duvit gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden toegewezen.

4.5 [

gedaagde] zal worden veroordeeld in de proceskosten.

5 DE UITSPRAAK

het Gerecht:

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Duvit van een bedrag van Afl. 5.987,45, te vermeerderen met de contractuele rente van 12% per jaar vanaf 6 april 2017 tot de dag waarop volledig zal zijn betaald;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Duvit van een bedrag van Afl. 750,- wegens buitengerechtelijke incassokosten;

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van Duvit worden begroot op Afl. 100,- aan griffierecht en Afl. 1250,- (2,5 punten in tarief 3) aan salaris van de gemachtigde;

verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af;

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 14 februari 2018 in aanwezigheid van de griffier.