Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2018:94

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
14-02-2018
Datum publicatie
21-02-2018
Zaaknummer
A.R. 2901 van 2016/AUA201600687
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

civiel recht, beroep op verjaring faalt, sprake van geldlening of schenking,

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 14 februari 2018

Behorend bij A.R. 2901 van 2016/AUA201600687.

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

[naam eiseres],

te Aruba,

hierna ook te noemen: [eiseres],

gemachtigden: de advocaten mr. A.A. Ruiz en mr. I.R. Wever,

tegen:

[naam gedaagde],

te Aruba,

hierna ook te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock.

1 DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift;

- de conclusie van antwoord;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek.

De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1 [

eiseres] is de moeder van [gedaagde].

2.2 [

gedaagde] heeft op 8 december 2003 een (bedrijfs)ongeval gehad. Sinds die tijd is hij arbeidsongeschikt.

2.3 [

gedaagde] heeft vanaf die tijd financiële steun gekregen van [eiseres].

3
3. DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1 [

eiseres] vordert – uitvoerbaar bij voorraad – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van het bedrag van Afl. 135.806,13, te vermeerderen met rente en met veroordeling van [gedaagde] tot vergoeding van de proceskosten.

3.2 [

eiseres] grondt de vordering erop dat [gedaagde] het bovengenoemd bedrag schuldig is wegens – kort gezegd – tekortkoming in de nakoming van een (renteloze) geldlening. Hierbij voert [eiseres] aan dat zij jarenlang maandelijkse lasten van [gedaagde] voor haar rekening heeft genomen, zoals de hypotheekaflossingen van het huis te Westpunt 37-A, de water- en stroomrekeningen van het huis en de jaarlijkse grondbelasting.

3.3 [

gedaagde] voert hiertegen verweer, met vordering – uitvoerbaar bij voorraad – tot veroordeling van [eiseres] in de proceskosten en tot afwijzing van de vordering. Hij betwist dat er sprake is van een geldlening en voert aan dat [eiseres] hem het geld heeft geschonken. Verder stelt [gedaagde] zich op het standpunt dat een onderdeel van de vordering van [eiseres] is verjaard.

3.4

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 DE BEOORDELING

4.1

Allereerst zal het gerecht op het verjaringsverweer beslissen.

4.2 [

eiseres] heeft twee door [gedaagde] ondertekende verklaringen overgelegd, respectievelijk van 12 augustus 2002 en 13 mei 2003, waarin [gedaagde] betaling van genoemde bedragen door [eiseres] erkent. Deze bedragen betreffen betalingen aan de CMB met betrekking tot het woonhuis van [gedaagde] en in verband met een rechtszaak van [gedaagde]. De verklaringen zijn niet voorzien van een goedschrift zoals bedoeld in artikel 137 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).

4.3

Het standpunt van [gedaagde] houdt in dat deze twee, uit de ondertekende verklaringen blijkende vorderingen zijn verjaard.

4.4

Die stelling gaat niet op. Ingevolge artikel 3:307 lid 1 BW verjaart een vordering tot nakoming van een verbintenis uit (in dit verband nog veronderstelde) overeenkomst door verloop van vijf jaar nadat de vordering opeisbaar is geworden. Het tweede lid van dat artikel regelt voor de nakoming van verbintenissen voor onbepaalde tijd, en daar zou in dit geval sprake van zijn, dat de verjaring pas gaat lopen nadat de schuldeiser heeft meegedeeld tot opeising van de schuld over te gaan. Door [gedaagde], op wie in dit verband de stelplicht rust, is niet gemotiveerd aangegeven wanneer daarvan vóór 7 december 2016, de datum van betekening van het inleidend verzoekschrift, sprake is geweest. Het beroep op verjaring is daarom onvoldoende toegelicht.

4.5

In geschil is of er sprake is van een geldlening aan [gedaagde] (standpunt [eiseres]) of een schenking aan [gedaagde] (standpunt [gedaagde]).

4.6 [

eiseres] heeft ter onderbouwing van haar stelling dat sprake is van een geldlening verwezen naar een getekend document (productie 1 bij inleidende verzoekschrift) met als datum 18 februari 2014. Daarin staat - voor zover van belang - het volgende:

Ondergetekende [gedaagde] (….) verklaart hiermede dat hij de bedragen respectievelijk Afl. 30.000,-, Afl. 48.000,- 2011 en 2012 CMB, Afl. 3.100,- Gerecht op Aruba, totaal Afl. 81.100,-, Afl. 78.000 verschuldigd aan betaling Bank woonhuis [adres] Afl. 3.100 voor een rechtszaak over werkaangelegenheden aan [eiseres] schuldig is.

4.7 [

gedaagde] betwist dat de handtekening onder deze akte van hem afkomstig is. Hij kent de akte niet en betwist uitdrukkelijk dat hij een dergelijk stuk ooit heeft ondertekend. Volgens [gedaagde] is niet aannemelijk dat sprake is geweest van een geldlening. Uitgangspunt kan derhalve zijn dat genoemde bedragen berustten op een schenking, aldus [gedaagde]. Wel erkent hij een bedrag van Afl. 4.559,03 van [eiseres] te hebben ontvangen als geldlening. Hij doet in dat verband echter een beroep op verrekening met de gebruikersvergoeding die [eiseres] aan hem is verschuldigd in de zaak AR 2539/16. Een bedrag van Afl. 4.599,03 is dus toewijsbaar.

4.8

Het beroep op verrekening faalt aangezien deze procedure nog niet is afgerond en de gegrondheid van dit het beroep op verrekening niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en de vordering in dit geding overigens voor toewijzing vatbaar is (artikel 6:136 BW).

4.9

Uit hetgeen over en weer is gesteld en ter onderbouwing is overgelegd kan de juistheid van de overige stellingen van [eiseres] dan wel [gedaagde] niet zonder meer worden afgeleid. Nu [gedaagde] gemotiveerd heeft weersproken dat er sprake was van een geldlening is het aan [eiseres], op wie op grond van de hoofdregel van artikel 129 Rv de bewijslast rust, haar stelling te bewijzen.

4.10

Omdat [eiseres] zich ter onderbouwing van haar vordering op volgens haar door [gedaagde] ondertekend schriftelijk bewijs beroept, zal het gerecht haar in de gelegenheid stellen de originele akte van 18 februari 2014 over te leggen ten behoeve van handschriftonderzoek. Daarna zal de zaak weer voor vonnis op de rol worden gezet.

[eiseres] dient zich overigens te realiseren dat, in verband met het ontbreken van een goedschrift in de zin van artikel 137 lid 1 Rv aan de akte hoe dan ook ‘slechts’ vrije bewijskracht toekomt. Niet ondenkbaar is dat [eiseres] daarnaast dus nog bewijs door getuigen zal moeten leveren. Dat geldt ook voor de akten van 12 augustus 2002 en 13 mei 2003. Het gerecht zal iedere verdere beslissing aanhouden.

5 DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:

staat [eiseres] toe om de originele akte van 18 februari 2014 ter griffie te deponeren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Noordhuizen rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 14 februari 2018 in aanwezigheid van de griffier.