Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2018:78

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
29-01-2018
Datum publicatie
20-02-2018
Zaaknummer
AUA201701776
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is niet in geschil dat de door appellant gewenste behandeling in Nederland kostbaarder is dan die in Colombia. Appellant betwist evenwel dat de noodzakelijke behandeling niet adequaat in Colombia kan worden uitgevoerd. Het gerecht is met verweerder van oordeel dat appellant niet met objectieve gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat de in Colombia in 2006 uitgevoerde operatieve ingreep niet adequaat is uitgevoerd. Uit de overgelegde medische verklaringen blijkt dit evenwel niet. Daar komt bij de thans aan de orde zijnde ingreep, naar verweerder onbetwist heeft gesteld, van een andere aard is, dan de eerder in Colombia uitgevoerde ingreep. De conclusie is derhalve dat verweerder de bestreden beschikking op goede gronden heeft genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 29 januari 2018

AUA201701776

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

[appellant],

wonend in Aruba,

APPELLANT,

gemachtigde: diens dochter J.E. Kock,

gericht tegen:

het Uitvoeringsorgaan Algemene Ziektekostenverzekering,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. S.E. van Spall.

1 PROCESVERLOOP

1.1

Op 5 december 2016 en 9 januari 2017 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de beschikking van verweerder van 14 november 2016, waarbij verweerder heeft besloten om appellant een transforaminale lumbale interbody fusie te laten ondergaan te Fundacion Vallee del Lili te Colombia.

1.2

Bij beslissing op bezwaar van 11 juli 2017 heeft verweerder de beschikking van 14 november 2016 gehandhaafd. Tegen deze beslissing op bezwaar (hierna: de bestreden beslissing) heeft de dochter van appellant, naar het gerecht aanneemt namens deze, op 1 augustus 2017 beroep ingesteld.

1.3

Verweerder heeft op 17 oktober 2017 een verweerschrift, met producties, ingediend.

1.4

De zaak is behandeld ter zitting van 27 november 2017, waarbij partijen zijn verschenen bij hun gemachtigden voornoemd.

1.5

Uitspraak is nader bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Bij beschikking van 14 november 2016, gegeven op de voet van artikel 25, eerste lid, van de LAZv, heeft verweerder op verzoek van appellant een geneeskundige behandeling, transforaminale lumbale interbody fusie, in een medische instelling buiten Aruba, de Fundacion Vallee del Lili, Colombia, toegekend. Appellant heeft bij schrijven van 5 december 2016 en 9 januari 2017 verweerder te kennen gegeven dat hij niet behandeld wenst te worden in de aldus toegekende medische instelling, maar in het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC), Nederland.

2.2

Aan de bestreden beslissing heeft verweerder ten grondslag gelegd dat de behandeling op adequate wijze in Fundacion Valle de Lili, Colombia uitgevoerd kan worden. Op grond van het voorkeursbeleid dient verweerder bij aanwijzing van een instelling op grond van artikel 25, eerste lid, van de LAZv eerst te onderzoeken of de behandeling in de regio (Curaçao, Bonaire of Colombia) kan plaatsvinden. Pas indien is vastgesteld dat dit niet mogelijk is wordt gezocht naar een instelling in Nederland of in de Verenigde Staten. De vrees van appellante is op zichzelf onvoldoende om te concluderen dat de kwaliteit van de zorg in de aangewezen instelling in Colombia onvoldoende is, aldus verweerder.

2.3

Appellant voert aan dat de ingreep niet op adequate wijze in de door verweerder aangewezen aanstelling kan worden uitgevoerd. Hij is in 2000 en 2002 in Nederland geopereerd, waarna in 2006 een operatie in Colombia heeft plaatsgevonden. Een medische behandeling in Nederland in 2009 heeft vervolgens uitgewezen dat de behandeling in Colombia niet adequaat is uitgevoerd, aldus appellant. Op grond hiervan meent appellant dat hij wederom naar Nederland uitgezonden dient te worden.

2.4

Het gerecht overweegt als volgt.

Voor zover hier van belang, heeft een verzekerde, ingevolge artikel 11 van de LAZV, aanspraak op een door een medisch specialist te verlenen, voor hem noodzakelijke genees- en heelkundige hulp, wat betreft de omvang en de vorm bepaald door hetgeen in de kring van de beroepsgenoten gebruikelijk is.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de LAZV wendt de verzekerde, die een hem toekomende aanspraak geldend wil maken, zich daartoe tot een contractant of een contracterende instelling.

Artikel 25, eerste lid, van de LAZV bepaalt, dat indien door het uitvoeringsorgaan is vastgesteld dat de aanspraak van een verzekerde op een behandeling niet in Aruba verwezenlijkt kan worden, het de verzekerde doet behandelen in een instelling op het eiland Curaçao of in één van de landen Nederland, de Nederlandse Antillen, de Verenigde Staten van Noord-Amerika, Colombia of Venezuela, die voor het Fonds de minste kosten met zich brengt. Het regelt vervolgens al de organisatorische en financiële aspecten van de reis, het verblijf en de behandeling in de door het uitvoeringsorgaan aangewezen instelling. Dit artikel verleent aan het uitvoeringsorgaan de bevoegdheid, in bijzondere omstandigheden toestemming te verlenen om voor het geldend maken van een aanspraak naar het buitenland te gaan.

Ingevolge het tweede lid stelt de verzekerde, indien hij niet behandeld wenst te worden in de instelling, bedoeld in het eerst lid, hij het uitvoeringsorgaan daarvan in kennis. Het uitvoeringsorgaan geeft hem vervolgens een keuze uit één instelling in elk van de overige in het eerste lid genoemde landen, met dien verstande dat de verzekerde zich tevoren schriftelijk zal moeten verplichten akkoord te zijn met het feit dat het uitvoeringsorgaan na zijn terugkeer in Aruba slechts vergoedt het bedrag dat ten behoeve van zijn behandeling uit het Fonds betaald zou zijn aan de ingevolgde het eerste lid door het uitvoeringsorgaan aangewezen instelling. In een geval als bedoeld in de tweede volzin, zal de verzekerde zelf alle organisatorische en financiële aspecten van reis, verblijf en behandeling moeten verzorgen.

2.5

Tussen partijen is niet in geschil dat de door appellant gewenste behandeling in Nederland kostbaarder is dan die in Colombia. Appellant betwist evenwel dat de noodzakelijke behandeling niet adequaat in Colombia kan worden uitgevoerd.

2.6

Het gerecht is met verweerder van oordeel dat appellant niet met objectieve gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat de in Colombia in 2006 uitgevoerde operatieve ingreep niet adequaat is uitgevoerd. Appellant heeft dit slechts gestaafd met de weergave van mondelinge mededelingen die de Nederlandse behandelend specialist in 2009 tegenover hem zou hebben gedaan. Uit de overgelegde medische verklaringen blijkt dit evenwel niet. Daar komt bij de thans aan de orde zijnde ingreep, naar verweerder onbetwist heeft gesteld, van een andere aard is, dan de eerder in Colombia uitgevoerde ingreep.

2.7

De conclusie is derhalve dat verweerder de bestreden beschikking op goede gronden heeft genomen.

2.8

Het beroep is ongegrond.

3 DE BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 29 januari 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 53a LAR).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen zes weken na de dag waarop de beslissing op het beroep is gedagtekend. De instelling van het hoger beroep geschiedt door indiening bij de griffie van het Gerecht van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 53b LAR).