Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2018:762

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
01-11-2018
Datum publicatie
27-12-2018
Zaaknummer
283 van 2018
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

B E S L I S S I N G

op de vordering van de officier van justitie ex artikel 1:77 van het Wetboek van Strafrecht ten aanzien van de veroordeelde:

[veroordeelde],

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], [adres],.

1 Onderzoek van de zaak

1.1

De vordering is inhoudelijk behandeld ter openbare terechtzitting van 13 september 2018. De veroordeelde is niet verschenen. Als raadsman is mr. V.A.V. Carlo aanwezig geweest.

1.2

Het gerecht heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen door de raadsman van de veroordeelde ter terechtzitting naar voren is gebracht. Het gerecht heeft verder kennis genomen van het procesdossier in de zaak met opgemeld parketnummer.

2 Grondslag van de vordering

2.1

De veroordeelde is bij vonnis van dit gerecht van 2 juni 2016, voor zover van belang, veroordeeld ter zake van:

In de zaak met parketnummer P-2015/07651

Opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid onder B van de Landsverordening verdovende middelen.

In de zaak met parketnummer P-2015/12045

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid onder A van de Landsverordening verdovende middelen.

2.2

Het gerecht neemt als grondslag van de vordering in aanmerking het bij voormeld vonnis bewezen verklaarde feit in de zaak met parketnummer P-2015/07651.

3 De vordering

3.1

De vordering van 30 mei 2018 van de officier van justitie, mr. E.D. Schwengle, strekt er toe dat het gerecht de maatregel van ontneming van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel, als bedoeld in artikel 1:77, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, oplegt tot betaling aan het Land Aruba van het geschatte voordeel tot een bedrag van Afl. 27.357,31,-, vermeerderd met de eventueel over dat bedrag geaccumuleerde rente.

Tevens vordert de officier van justitie dat het gerecht vervangende hechtenis toepast, indien volledige betaling van het verschuldigde bedrag of het volledig verhaal uitblijft.

4 De verdediging

Door de verdediging is in wezen geen ander verweer gevoerd, dan dat er voldoende aanwijzingen in het dossier zijn dat het niet om illegaal verkregen vermogen gaat.

5 Beoordeling

5.1

Uit onderzoek is gebleken dat [veroordeelde] en zijn echtgenote [echtgenote veroordeelde] elk op 17 januari 2013 een spaarrekening bij de Caribbean Mercantile Bank N.V. hebben geopend. Op de spaarrekening van [veroordeelde] stond een positief saldo van Afl. 27.357,31,-. Uit onderzoek is gebleken dat hij maandelijks geldbedragen tussen Afl.800,00 en Afl.3.000,00 op zijn spaarrekening stortte. Op de spaarrekening van zijn echtgenote stond een positief saldo van Afl.24.871,73. Uit onderzoek bleek dat ook zij maandelijks geldbedragen die varieerden van Afl. 1.000,00 tot Afl. 2.000,00 stortte.

5.2

Uit de verklaring van de Directeur van het Departemento di Impuesto van 25 juni 2015 volgt dat [veroordeelde] tot dan niet voorkwam in enige geregistreerde verzamelloonstaat of verzamelstaat derden. Aldus gaat het gerecht ervan uit dat [veroordeelde] tot 5 juni 2015 geen inkomen uit legale arbeid heeft gehad. Zijn echtgenote had hooguit tot en met april 2013 inkomen uit legale arbeid genoten, doch dit inkomen verklaart niet haar spaargeld.

5.3

Voorts is uit onderzoek gebleken dat [veroordeelde] en zijn echtgenote in de periode januari 2013 tot juni 2015 in totaal minstens Afl. 67.700, 87 aan huur en utiliteiten hebben uitgegeven, zonder dat hier een legale inkomstenbron tegenover stond. Daarnaast zijn er in de periode juli 2013 tot en met 21 januari 2015 door verschillende casino’s meldingen bij het Meldpunt Ongebruikelijke Transacties gedaan ten aanzien van [veroordeelde]. Hieruit volgt dat [veroordeelde] 52 contante transacties had gedaan voor een totaal bedrag van Afl 854.437,20. Volgens de analyse van het Bureau Financiële Onderzoeken is gebleken dat [veroordeelde] gedurende de periode van 1 juli 2013 tot en met 21 januari 2018 een bedrag van $18.075,00 heeft gewonnen en een bedrag van $42.700,00 in de casino’s heeft verloren.

5.2

Op grond van het voorgaande is het gerecht van oordeel dat de veroordeelde uit het bewezenverklaarde feit in de zaak met parketnummer P-2015/07651 wederrechtelijk voordeel heeft genoten.

6 Berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel

6.1

Het gerecht volgt de officier van justitie en gaat uit van het door haar berekende wederrechtelijk verkregen voordeel van Afl. 27.357,31.

6.2

Voorts is het gerecht van oordeel dat niet is gebleken of anderszins aannemelijk is geworden dat veroordeeldes draagkracht zowel nu als in de toekomst niet toereikend zal zijn om aan zijn verplichting tot betaling van dit bedrag te voldoen.

6.3

Het gerecht zal de veroordeelde de verplichting opleggen tot betaling van het bedrag ad Afl. 27.357,31 aan het Land Aruba ter ontneming van het wederechtelijk verkregen voordeel. Bij niet volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag zal vervangende hechtenis van na te melden duur worden toegepast.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 1:77, tweede en derde lid, juncto artikel 1:59 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

Het gerecht:

9.1

stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op ZEVENENTWINTIGDUIZEND DRIEHONDERDZEVENENVIJFTIG FLORIN EN EENENDERTIG CENT (Afl.27.357,31);

9.2

legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van voormeld bedrag aan het Land Aruba ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

9.3

bepaalt dat bij gebreke van volledige betaling of verhaal vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van HONDERDVEERTIG (140) DAGEN;

9.4

bepaalt dat de duur van de vervangende hechtenis niet wordt verminderd door het voldoen van slechts een gedeelte van het verschuldigde bedrag.

Deze beslissing is gegeven door de rechter mr. Y.M. Vanwersch en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit gerecht op 1 november 2018, in tegenwoordigheid van de griffier.