Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2018:755

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
26-11-2018
Datum publicatie
27-12-2018
Zaaknummer
AUA201800655
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het gerecht oordeelt dat niet is komen vast te staan dat appellant schade heeft geleden als gevolg van een onrechtmatig besluit van verweerder. Verweerder heeft terecht het verzoek tot vergoeding van materiële schade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 26 november 2018

LAR nr. AUA201800655

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

[appellant],

gevestigd in Aruba,

APPELLANT,

gemachtigde: drs. M.L. Hassell,

gericht tegen:

DE MINISTER VAN TOERISME, VOLKSGEZONDHEID EN SPORT,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. M.P. Jansen (DWJZ).

PROCESVERLOOP

Bij brief van 20 oktober 2016 heeft appellant verweerder om schadevergoeding verzocht voor de geleden schade wegens het afwijzen van zijn verzoek om een koffie- en restaurantvergunning B.

Tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek heeft appellant op 9 februari 2017 een bezwaarschrift ingediend.

Bij uitspraak van dit gerecht van 13 november 2017 (AUA201700976) heeft het gerecht bepaald dat verweerder binnen drie maanden na dagtekening van de uitspraak een reële beslissing dient te nemen op het bezwaar van appellant.

Bij beschikking van 31 januari 2018 heeft verweerder het verzoek van appellant afgewezen.

Tegen deze beschikking heeft appellant op 12 maart 2018 beroep ingesteld.

De zaak is ter zitting behandeld op 17 september 2018. Partijen zijn bij hun gemachtigde verschenen. Ter zitting is aan partijen een datum voor de voortgezette behandeling aangezegd.

Appellant heeft op verzoek van het gerecht op 18 september 2018 nadere stukken ingediend.

Verweerder heeft op verzoek van het gerecht op 8 oktober 2018 een verweerschrift ingediend.

De zaak is voortgezet op 15 oktober 2018. Verweerder is bij zijn gemachtigde verschenen. Appellant is, ondanks daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet verschenen.

Uitspraak is bepaald op heden.

Appellant heeft op 15 oktober 2018 - na sluiting van het onderzoek - een pleitnota ingediend. Deze pleitnota is buiten beschouwing gelaten.

OVERWEGINGEN

De feiten

1.1

Op 26 oktober 2011 is appellant een huurovereenkomst aangegaan met mevrouw [naam] voor het pand [adres] voor een bedrag van Afl. 1.500,- per maand.

1.2

Op 24 februari 2012 heeft appellant bij verweerder om een koffiehuis- en restaurantvergunning B verzocht.

1.3

Op 6 oktober 2012 heeft verweerder zijn verzoek afgewezen.

1.4

Hiertegen heeft appellant op 15 november 2012 bezwaar ingesteld.

1.5

Bij beschikking van 14 oktober 2014 heeft verweerder het onder 1.4 genoemde bezwaar van appellant tegen de afwijzing van zijn aanvraag om een koffiehuisvergunning en restaurantvergunning B gegrond verklaard en, opnieuw beslissende op die aanvraag, deze wederom afgewezen.

1.6

Bij uitspraak van dit gerecht van 29 juni 2015 (Lar nr. 2526 van 2014) is het beroep van appellant gegrond verklaard en is bepaald dat verweerder binnen drie maanden na dagtekening van de uitspraak een nieuwe beslissing dient te nemen op het bezwaar van appellant.

1.7

Bij beschikking van 13 oktober 2015 is aan appellant de verzochte vergunning verleend.

2.1

Bij brief van 2 oktober 2016, ingediend op 20 oktober 2016, heeft appellant om schadevergoeding verzocht. Hij schrijft onder meer:

“Nu de heer [appellant] een huurovereenkomst heeft dienen aan te gaan om diens lokaliteit te kunnen behouden en een dergelijke lokaliteit als een condition sine qua non wordt beschouwd, dient geconstateerd te worden dat de Minister van Volksgezondheid, Ouderenzorg en Sport deze kosten dient te vergoeden. Indien de Minister voornoemd binnen een redelijk te achten termijn op de aanvraag had behoren had beslist, dan had de heer [appellant] geen schade geleden.

2.2

Tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek heeft appellant op 9 februari 2017 bezwaar gemaakt.

2.3

Tegen het uitblijven van een beslissing op zijn bezwaarschrift heeft appellant op 1 juni 2017 beroep ingesteld.

2.4

Bij uitspraak van dit gerecht van 13 november 2017 heeft het gerecht het beroep gegrond verklaard en bepaald dat verweerder binnen drie maanden na dagtekening van de uitspraak een reële beslissing dient te nemen op het bezwaar van appellant.

2.5

Bij brief van 31 januari 2018 wordt het verzoek om schadevergoeding van appellant van 2 oktober 2016, ingediend op 20 oktober 2016, afgewezen. Verweerder schrijft onder meer:

“(…)

Bij uitspraak van 13 november 2017, AUA201700976, werd het beroep gegrond verklaard en de fictieve afwijzende beschikking op het bezwaar vernietigd. De rechter heeft bepaald dat binnen drie maanden na dagtekening van deze uitspraak een reële beslissing dient te worden genomen op uw bezwaar.

De gehele procedure bij het verzoek om de koffie- en restaurantvergunning B kan niet als onrechtmatig worden beschouwd. Daarbij is niet doorslaggevend of de redelijke termijn bij een instantie is overschreden. De procedure in haar geheel heeft in de onderhavige zaak niet langer dan vier jaar in beslag genomen. Verder zijn geen feiten en omstandigheden gebleken die tot de conclusie leiden dat u onevenredig bent benadeeld. Alleen stelt u dat naar aanleiding van de handelswijze van de minister ernstig schade heeft geleden, terwijl u dit niet gemotiveerd heeft weten te onderbouwen, hetgeen onvoldoende voor het aannemen van onrechtmatige daad.

Bij elk verzoek voor een koffiehuis/restaurantvergunning B vindt er een toetsing plaats. bij de andere lokaliteiten in dezelfde straat heeft de destijds geeffectueerde toets niet geleid tot afwijzing van hun aanvraag.

Het bestuursorgaan heeft een discretionaire bevoegdheid tot het verlenen van een vergunning nadat aan alle gestelde eisen wordt voldaan. Het doen van investeringen voordat een verzochte vergunning is verleend, komt voor uw eigen rekening en risico.

(…).”

2.6

Appellant heeft op 12 maart 2018 tegen de onder 2.5 genoemde brief beroep ingesteld bij het gerecht. In het beroepschrift heeft appellant verzocht om verweerder te veroordelen tot het betalen van een bedrag aan immateriële schadevergoeding van Afl. 109.530,- inclusief de wettelijke rente.

Ontvankelijkheid

Beschikking (op het bezwaarschrift)

3.1

Het geschil spitst zich allereerst toe op de vraag of de brief van 31 januari 2018 aangemerkt kan worden als een beschikking op het bezwaarschrift van appellant van 9 februari 2017, zoals bedoeld in artikel 21, eerste lid van de Lar. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de brief van 31 januari 2018 een beschikking in primo is. Het gerecht overweegt als volgt.

3.2

Uit de uitspraak van dit gerecht van 13 november 2017 volgt dat het gerecht heeft bepaald dat verweerder binnen drie maanden een reële beslissing dient te nemen op het bezwaar van appellant. Partijen hebben geen hoger beroep ingesteld tegen voornoemde uitspraak.

Uit de bewoordingen van de brief van 31 januari 2018 volgt dat verweerder naar aanleiding van de uitspraak van 13 november 2017 een beslissing neemt. Het gerecht zal de beschikking dan ook aanmerken als een beschikking op het bezwaar. Het beroep is daarom ontvankelijk.

Inhoudelijk

De standpunten van partijen

4.1

Aan de afwijzing heeft verweerder ten grondslag gelegd dat hij niet onrechtmatig heeft gehandeld bij de afwijzing van het verzoek om een koffiehuis- en restaurantvergunning. Bij elk verzoek vindt er een toetsing plaats, aldus verweerder. Appellant voldeed aanvankelijk niet aan alle eisen voor de verzochte vergunning. Ook stelt verweerder zich op het standpunt dat het verzoek om schadevergoeding verder niet is onderbouwd en dat het doen van investeringen vooraf aan de verzochte vergunningsaanvraag voor risico van appellant komt.

4.2

Appellant voert het volgende aan. Nu verweerder alsnog op 13 oktober 2015 de verzochte vergunning heeft verleend staat de schadeplichtigheid van verweerder vast. Verweerder dient de geleden schade, zijnde de huurkosten over de periode van oktober 2012 tot en met oktober 2015, te vergoeden vermeerderd met smartengeld. In zijn beroepschrift voert appellant tevens aan dat verweerder een onjuiste maatstaf hanteert bij de beoordeling van het verzoek om immateriële schadevergoeding.

De beoordeling

Materiële schadevergoeding

5.1

Het gerecht overweegt als volgt. Voor een vergoeding van materiële schade is vereist dat de gestelde schade verband houdt met een onrechtmatig besluit en verder dat alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen die in zodanig verband staan met dat besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend.

5.2

Het gerecht heeft bij uitspraak van 1 december 2014 beslist op een verzoek van appellant tot het treffen van een voorlopige voorziening (LAR nr. 2527 van 2014) en bij uitspraak van 29 juni 2015 op een beroep van appellant (LAR nr. 2526 van 2014). Het verzoek en het beroep hadden beiden betrekking op het besluit van verweerder van 14 oktober 2014 waarin verweerder het bezwaar tegen de afwijzende beschikking van 24 februari 2012 op appellants aanvraag om een koffiehuis- en restaurantvergunning B gegrond heeft verklaard en opnieuw beslissende, de aanvraag wederom heeft afgewezen.

Uit deze uitspraken, alsmede uit de stukken van dossier LAR nr. 2526 van 2014, blijkt dat in 2012 is geconstateerd dat appellant de lokaliteit te [adres] te San Nicolas exploiteerde op een wijze als ware hij in het bezit van bovengenoemde vergunning, terwijl dit laatste niet het geval was. Na deze constatering heeft appellant de vergunningaanvraag ingediend.

5.3

In bovengenoemde uitspraak van 29 juni 2015 heeft het gerecht het beroep van appellant gegrond verklaard met de overweging dat de bestreden beschikking onvoldoende zorgvuldig was voorbereid doordat de klachten in kwestie onvoldoende nader waren onderzocht en omdat niet was gemotiveerd waarom de vergunning niet onder voorwaarden verleend had kunnen worden. Tevens oordeelde het gerecht dat verweerder de stelling dat appellant feitelijk als stroman voor een ander optrad, onvoldoende had onderbouwd.

5.4

Het gerecht overweegt dat uit de uitspraak van 29 juni 2015 niet zonder meer volgt dat verweerder schadeplichtig is jegens appellant. De genoemde gebreken van zorgvuldigheid en motivering staan immers niet weg aan de materiële juistheid van de afwijzing van de aanvraag. Dit volgt ook niet uit het feit dat de vergunning later alsnog is verleend.

Appellant heeft naar het oordeel van het gerecht in de onderhavige procedure onvoldoende onderbouwd dat reeds in 2012, dan wel op een andere eerdere datum dan die van de vergunningverlening, aan alle voorwaarden voor verlening van de vergunning werd voldaan.

5.5

Voorts is van belang dat appellant zelf de keuze heeft gemaakt om de lokaliteit te gaan exploiteren op een wijze die hem niet vergund was en dat deze exploitatie kennelijk gepaard is gegaan met aanzienlijke overlast voor meerdere buurtbewoners. Dat vervolgens niet op korte termijn middels vergunningverlening een legalisatie heeft plaatsgevonden, dient onder deze omstandigheden voor rekening en risico van appellant te komen.

5.6

Op grond van het voorgaande oordeelt het gerecht dat niet is komen vast te staan dat appellant schade heeft geleden als gevolg van een onrechtmatig besluit van verweerder. Verweerder heeft terecht het verzoek tot vergoeding van materiële schade afgewezen.

Immateriële schadevergoeding

6.1

In de brief met dagtekening 2 oktober 2016 (2.1) niet verzocht om toekenning van immateriële schadevergoeding. Desondanks heeft verweerder in de beschikking van 31 januari 2018 (2.5) gesteld dat appellant dit in de genoemde brief wel heeft gedaan en het standpunt ingenomen dat appellant geen recht heeft op immateriële schadevergoeding. Vervolgens heeft appellant in het beroepschrift gesteld dat verweerder een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd bij de beoordeling van het recht op immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn om te beslissen.

6.2

Het gerecht overweegt dat indien appellant aanspraak meende te kunnen maken op immateriële schadevergoeding wegens te trage besluitvorming op de aanvraag om een koffiehuis- en restaurantvergunning B, hij hiertoe een verzoek had dienen te doen in een procedure die de beoordeling van deze aanvraag betreft. Dit had gekund in procedure LAR nr. 2526 van 2014 dan wel bij het instellen van een rechtsmiddel tegen de beschikking tot vergunningverlening van 13 oktober 2015. Beoordeling van een dergelijke aanspraak kan niet in de onderhavige procedure plaatsvinden.

7. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Voor veroordeling van een partij in proceskosten bestaat geen aanleiding.

DE BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. A.J.H. van Suilen, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 november 2018, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na dagtekening van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (LAR-zaken).

Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij de griffie van dit Gerecht.

U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,

b. de dag van ondertekening,

c. waartegen u in hoger beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voor het instellen van hoger beroep is een griffierecht van Afl. 75 verschuldigd.