Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2018:752

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
26-11-2018
Datum publicatie
27-12-2018
Zaaknummer
AUA201700193
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het gerecht oordeelt dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen. Om die reden zal het gerecht met toepassing van artikel 47, vierde lid, van de Lar zelf in de zaak voorzien en, doende hetgeen verweerder had behoren te doen, het bezwaar ongegrond verklaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 26 november 2018

AUA201700193

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

[appellante],

wonend in Aruba,

APPELLANTE,

procederend in persoon,

gericht tegen:

de Minister van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Integratie,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. G.M.N. Maduro (DIMAS).

PROCESVERLOOP

Bij beschikking van 3 juni 2016 (primaire beschikking) heeft verweerder de aanvraag van appellante om een vergunning tot verblijf voor onbepaalde tijd afgewezen.

Bij beschikking op bezwaar van 8 november 2016 (bestreden beschikking) heeft verweerder het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding.

Tegen de bestreden beschikking heeft appellante op 3 maart 2017 beroep ingesteld bij dit gerecht.

Verweerder heeft op 11 april 2017 een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van 4 september 2017. Appellante is niet in persoon verschenen, maar wel heeft zij zich laten vertegenwoordigen door haar moeder [moeder]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Bij brief van 9 januari 2018 heeft het gerecht het onderzoek heropend om verweerder in de gelegenheid te stellen om bewijzen van uitreiking van de primaire beschikking en de bestreden beschikking over te leggen. Op 29 januari 2018 heeft verweerder stukken overgelegd.

De zaak is behandeld ter zitting van 15 oktober 2018. Appellante is niet in persoon verschenen, maar wel heeft zij zich laten vertegenwoordigen door [moeder]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

feiten

1.1

Appellante is geboren op 18 oktober 1995 en heeft de Colombiaanse nationaliteit.

1.2

Volgens een ‘Verklaring van inschrijving’ van de Ambtenaar van het Bevolkingsregister van 22 januari 2016 is appellante vanaf 12 november 2002 ingeschreven in het Bevolkingsregister van Aruba en heeft zij tussen 1 november 2008 tot 22 mei 2014 niet op Aruba gewoond.

1.3

Appellante heeft op 16 maart 2016 een aanvraag ingediend om verlening van een vergunning tot verblijf voor onbepaalde duur op grond van artikel 7a van de Landsverordening toelating, uitzetting en verwijdering (Ltuv).

1.4

In het primaire besluit met dagtekening 3 juni 2016 is de aanvraag afgewezen om reden dat appellant nog geen tien jaar onafgebroken legaal verblijf had in Aruba.

1.5

In een brief van 15 september 2016 aan verweerder stelt appellante dat zij tot dat moment geen beslissing had ontvangen op haar aanvraag en vraagt zij om toezending van een beslissing. Verder merkt zij op dat zij op 15 augustus 2016 van DIMAS heeft begrepen dat de aanvraag was afgewezen en dat dit via het postkantoor zou zijn verzonden, maar dat zij een dergelijke beslissing niet heeft ontvangen. Voor zover een dergelijke beslissing inderdaad is genomen, tekent appellante pro forma bezwaar aan.

1.6

Op 26 september 2016 heeft verweerder een afschrift van de primaire beschikking uitgereikt aan appellante.

1.7

Bij brief met dagtekening 20 oktober 2016, door verweerder ontvangen op 21 oktober 2016, heeft appellante bezwaar gemaakt tegen de primaire beschikking.

1.8

Bij de bestreden beschikking van 8 november 2016 heeft verweerder het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard omdat het is ingediend na verloop van de bezwaartermijn.

1.9

De bestreden beschikking is per aangetekende post aangeboden op 16 november 2016. Blijkens een stempel heeft Aruba Post de brief met daarin de bestreden beschikking op 21 november 2016 als onbestelbaar aangemerkt.

1.10

Op 3 maart 2017 heeft appellante beroep ingesteld.

ontvankelijkheid

2.1

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Lar bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken en gaat deze termijn in op de dag na die waarop de beschikking is gedagtekend.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, wordt een bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard indien het is ingediend voordat de termijn is ingegaan of nadat de termijn is verstreken.

Ingevolge artikel 12, derde lid, blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op die grond achterwege, indien de indiener aannemelijk maakt dat hij het geschrift heeft ingediend, zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden en het tegendeel daarvan niet blijkt.

2.2

Ingevolge artikel 27, eerste lid, van de Lar bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken en gaat deze termijn in op de dag na die waarop de beslissing op het bezwaarschrift is gedagtekend.

Ingevolge artikel 28, eerste lid, wordt een beroepschrift niet-ontvankelijk verklaard indien het is ingediend voordat de termijn is ingegaan of nadat de termijn is verstreken.

Ingevolge artikel 28, derde lid, blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op die grond achterwege, indien de indiener aannemelijk maakt dat hij het geschrift heeft ingediend, zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden en het tegendeel daarvan niet blijkt.

3 In de eerste plaats dient de ontvankelijkheid van het beroepschrift beoordeeld te worden. Uit 1.9 en 1.10 volgt dat het beroepschrift is ingediend na afloop van de termijn.

3.1

Ter zitting van 15 oktober 2018 heeft [moeder] verklaard dat zij inderdaad in november 2016 een briefje heeft aangetroffen dat er voor haar dochter een aangetekend schrijven was, dat zij naar DIMAS is gegaan, dat DIMAS haar heeft doorverwezen naar het postkantoor, dat zij naar het postkantoor is gegaan, maar dat zij daar weer werd doorverwezen naar DIMAS.

3.2

Het gerecht overweegt dat niet vast is komen te staan wanneer appellante de bestreden beschikking in handen heeft gekregen. Deze onduidelijkheid dient in het voordeel van appellante uit te vallen. Het gerecht acht de overschrijding van de beroepstermijn daarom verschoonbaar. Het beroep is ontvankelijk.

4 In de tweede plaats dient de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift beoordeeld te worden.

4.1

Nu de primaire beschikking op 3 juni 2016 is gedagtekend (zie 1.4), is de bezwaartermijn op 4 juni 2016 aangevangen en op 15 juli 2016 geëindigd. Binnen deze termijn heeft appellante geen bezwaarschrift ingediend.

4.2

Uit 1.5 en 1.6 leidt het gerecht af dat appellante pas op 26 september 2016, dus na afloop van de bezwaartermijn, de primaire beschikking heeft ontvangen. Volgens een vaste lijn in de rechtspraak wordt in een dergelijke situatie de termijnoverschrijding verschoonbaar geacht indien zo spoedig mogelijk, in ieder geval niet langer dan twee weken nadien, alsnog een bezwaarschrift wordt ingediend.

Na de ontvangst heeft appellante echter pas ruim drie weken later een bezwaarschrift ingediend (zie 1.7). De bijzondere situatie doet zich echter voor dat appellante ook reeds vóór de ontvangst op 26 september 2016 een bezwaarschrift heeft ingediend (zie 1.5) en daarmee al het mogelijke heeft gedaan om tijdig bezwaar te maken. Gezien deze indiening op 15 september 2016 komt het gerecht tot het oordeel dat de termijnoverschrijding wel als verschoonbaar in de zin van artikel 28, derde lid, van de Lar aangemerkt moet worden.

4.3

Het voorgaande betekent dat verweerder het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard en ten onrechte niet inhoudelijk heeft beoordeeld. Het gerecht zal het beroep daarom gegrond verklaren.

inhoudelijk

5 Omdat de zaak in de procedure van beroep ook inhoudelijk is besproken en ten behoeve van een finale beslechting van het geschil, zal het gerecht hieronder een inhoudelijk oordeel geven.

6 Ingevolge artikel 7a, eerste lid, van de Ltuv, voor zover van belang, wordt een vergunning tot verblijf verleend door of namens verweerder. Ingevolge het tweede lid kan een vergunning tot verblijf worden verleend aan degene die kan aantonen dat hij gedurende een periode van ten minste 10 jaren onafgebroken legaal ingezetene van Aruba is geweest.

7.1

In de primaire beschikking heeft verweerder de aanvraag afgewezen omdat niet voldaan is aan de voorwaarde van 10 jaar onafgebroken legaal verblijf. Verweerder heeft op 29 januari 2018 tevens een uitdraai van RADEX betreffende appellante vanaf 2009 bijgevoegd. Ter zitting van 15 oktober 2018 heeft verweerder voorts gesteld dat appellante in de periode van 10 jaar voorafgaand aan de aanvraag in totaal een kleine 6 jaar in het buitenland heeft verbleven.

7.2

Appellante heeft aangevoerd dat zij in de betreffende periode Aruba als hoofdverblijfplaats had, maar dat zij zich met tussenpozen telkens langdurig in het buitenland heeft opgehouden.

7.3

Het gerecht overweegt dat verweerder met de overgelegde stukken heeft aangetoond dat appellante in totaal, verspreid over verschillende tijdvakken, in de relevante periode van 10 jaar meer dan de helft van de tijd buiten Aruba heeft verbleven. Aan de betreffende voorwaarde voor verkrijging van de verblijfsvergunning wordt dus niet voldaan. Appellante heeft haar stelling dat zij in de verschillende tijdvakken in het buitenland was voor medische behandelingen, in het geheel niet onderbouwd. Zij heeft dus ook niet aannemelijk gemaakt dat medische redenen haar noodzaakten een zo lange tijd in het buitenland te verblijven.

7.4

Het gerecht oordeelt daarom dat verweerder de aanvraag terecht heeft afgewezen. Om die reden zal het gerecht met toepassing van artikel 47, vierde lid, van de Lar zelf in de zaak voorzien en, doende hetgeen verweerder had behoren te doen, het bezwaar ongegrond verklaren.

8. Omdat het beroep gegrond is, bepaalt het gerecht dat het griffierecht aan appellante wordt terugbetaald.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden beschikking van 8 november 2016;

- verklaart het bezwaar ongegrond;

- gelast dat het door appellante gestorte griffierecht ad Afl. 25 aan haar wordt terugbetaald.

Deze uitspraak is gegeven door mr. A.J.H. van Suilen, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 november 2018, in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na dagtekening van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (LAR-zaken).

Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij de griffie van dit Gerecht.

U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,

b. de dag van ondertekening,

c. waartegen u in hoger beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voor het instellen van hoger beroep is een griffierecht van Afl. 75 verschuldigd.