Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2018:72

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
01-02-2018
Datum publicatie
19-02-2018
Zaaknummer
2851 van 2017 (AUA201703581)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot o.a schorsing van gedaagde 1 als statutair bestuurder van de holding en als statutair bestuurder van de Bank; het besluit van de algemene vergadering van de holding tot ontslag van eiser 2 als statutair bestuurder van de holding te schorsen; de vereffenaar met onmiddellijke ingang te ontslaan; gedaagde 1 als statutair bestuurder van de holding door te (doen) halen en eiser 2 opnieuw in te schrijven als zelfstandig bevoegd statutair bestuurder van de holding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis in kort geding van 1 februari 2018

Behorend bij K.G. 2851 van 2017 (AUA201703581)

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

de naamloze vennootschap CORPORACION CASTILLO BERTRAN ARUBA N.V ,

gevestigd te Aruba,

eiseres sub 1,

hierna ook te noemen: “de holding”,

en

[EISER 2] ,

wonende te Verenigde Staten van Amerika,

eiser sub 2,

hierna ook te noemen: “[eiser 2]”,

gemachtigden voor beide eisers: de advocaten mrs. R.B. van Hees, R.F. van den Heuvel en B.J. Huiskes,

tegen:

[GEDAAGDE 1] ,

wonende te Dominicaanse Republiek,

gedaagde sub 1,

hierna ook te noemen: “[gedaagde 1]”,

de naamloze vennootschap BBA BANK N.V. ,

gevestigd te Aruba,

gedaagde sub 2,

hierna ook te noemen: “de Bank”,

[DE VEREFFENAAR], in zijn hoedanighed van vereffenaar van de Bank ,

wonende te Aruba,

gedaagde sub 3,

hierna ook te noemen: “de vereffenaar”,

gemachtigde voor gedaagden sub 1 tot en met 3: de advocaat mr. H.S. Croes,

de maatschap CROES WEVER RUIZ,

gevestigd te Aruba,

gedaagde sub 4,

hierna ook te noemen: “het advocatenkantoor”,

en

[GEDAAGDE 5],

wonende te Aruba,

gedaagde sub 5,

hierna ook te noemen: “[gedaagde 5]”,

gemachtigde voor gedaagden sub 4 en 5: de advocaat mr. A.A. Ruiz.

1 HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1.

Het Gerecht heeft kennisgenomen van de volgende processtukken:

  • -

    verzoekschrift met producties,

  • -

    brief van 17 januari 2018 namens gedaagden met producties,

  • -

    nagekomen producties van eisers (een drietal vertalingen van eerdere producties),

  • -

    pleitnota namens eisers,

  • -

    pleitnota namens gedaagden.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 18 januari 2018. Mrs. Van Hees, Van den Heuvel, Croes en Ruiz zijn verschenen. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er is gezegd.

1.4.

Bij e-mail van 23 januari 2018, met producties, aan de zittingsrechter heeft mr. Van den Heuvel verzocht om de mondelinge behandeling te heropenen. Bij faxbrief van diezelfde datum heeft mr. Croes zich daartegen verzet. Mr. Ruiz heeft zich hierover niet uitgelaten. Bij e-mail van 29 januari 2018 heeft de rechter aan de gemachtigden bericht de mondelinge behandeling niet te heropenen.

1.3.

De uitspraak vindt vandaag plaats.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1. [

eiser 2] en [gedaagde 1] zijn broers en tevens zakenpartners.

2.2. [

eiser 2] en [gedaagde 1] hebben besloten om hun zakelijke relaties te beëindigen. Om die reden is door hen op 2 november 2016 een “Confidential Settlement Agreement” overeengekomen, hierna: de Settlement. Daarin wordt geregeld hoe hun zakelijke belangen moeten worden ontward.

2.3.

In artikel 7a zijn [eiser 2] en [gedaagde 1] over de Bank het volgende overeengekomen:

“The parties acknowledge that [de Bank] is in the process of liquidation. To the extent there are any distributions resulting from this liquidation, the parties agree that the distributions will be split 37.5% to [[eiser 2]] and 62.5% to [[gedaagde 1]]. [[gedaagde 1]] shall maintain [[eiser 2]] advised as to the status of the liquidation of [de Bank].”

2.4.

Deze 37.5% / 62,5% verhouding strookt met de aandelenverhouding die [eiser 2] en [gedaagde 1] houden in de holding. Deze houdt op haar beurt 100% van de aandelen in de Bank. [gedaagde 1] is de enige statutaire bestuurder van de Bank.

2.5.

Op de Settlement is het recht van de staat Florida van toepassing. De rechter in Miami-Dade County is als bevoegde rechter aangewezen om geschillen voortvloeiende uit de Settlement te beslechten.

2.6

Door gedaagden is een aandeelhoudersbesluit d.d. 28 augustus 2017 van de holding in het geding gebracht. De tekst van dit besluit, genomen tijdens een buitengewone algemene vergadering van aandeelhouders, luidt als volgt:

“On August 28th, 2017 a draft written resolution was brought to the attention of an extra ordinary general shareholders’ meeting of [de holding] in which the sole shareholder of [de holding] [[gedaagde 1]] at the proposal of the board of managing directors of [de holding] in accordance with article 15 of [de holding]’s act of Incorporation has resolved as follows:

considering the fact that the managing director of [de holding], [[eiser 2]] has relinquished all the duties and responsibilities as managing director of [de holding] as of September 14th 2014, the meeting has resolved to adopt a resolution, confirming the relinquishment of duties and responsibilities as managing directors as of September 14th, 2014 and as far as necessary confirm the dismissal of [[eiser 2]] from the board of managing directors of [de holding] with effective date September 14th, 2014.

This resolution was adopted unanimously. Local counsel will register this in the Trade Register in Aruba.”

2.7.

Blijkens formulier nummer 15: “Uitschrijving /Wijziging in de gegevens van een functionaris” heeft [gedaagde 5] op 26 oktober 2017 aan het handelsregister te kennen gegeven dat met ingang van 14 september 2014 [eiser 2] defungeert als statutair bestuurder van de holding. Daarvoor waren [eiser 2] en [gedaagde 1] gezamenlijk statutair bestuurder en ieder van hen was volledig gemachtigd de holding te vertegenwoordigen. Blijkens een uittreksel d.d. 20 september 2017 was [eiser 2] op die dag nog, tezamen met [gedaagde 1], statutair bestuurder van de holding.

2.8.

Blijkens een uittreksel uit het handelsregister van 5 december 2017 is de wijziging doorgevoerd en is [gedaagde 1] de enige statutaire bestuurder van de holding.

2.9.

Blijkens het aandeelhoudersregister van de holding zijn per 3 november 2016 de op naam van [eiser 2] staande aandelen overgeschreven op de naam van [gedaagde 1]. De omschrijving luidt: “Price as agreed in Confidential settlement agreement.”

2.10.

Met ingang van 15 juli 2016 is de Bank in liquidatie blijkens het handelsregister. De vereffenaar is benoemd per 16 juni 2016 door de algemene vergadering van aandeelhouders van de Bank.

2.11.

Per e-mail van 15 mei 2017 bericht de vereffenaar het volgende aan een van de advocaten van [eiser 2] naar aanleiding van een verzoek om informatie betreffende het verloop van de liquidatie van de Bank:

“The contents of your letter directed to me, is not well understood. According to our records of [de Bank] (in liquidatie) the sole shareholder of [de Bank] i.l. is [de holding]. Your client [[eiser 2]] may be a shareholder in that company and any requests, claims of queries should, in my opinion, be directed to that company.”

2.12.

Bij e-mail van 11 augustus 2017 heeft de advocaat van [eiser 2] (als directeur van de holding) de vereffenaar verzocht om een kopie van het aandeelhoudersbesluit van de liquidatie van de Bank te verstrekken, een kopie van het aandeelhoudersregister, een update van de stand van zaken betreffende de liquidatie en kopie van de correspondentie tussen de Bank en de Centrale Bank van Aruba (hierna: CBA). Verder wordt de vereffenaar verzocht om 35% van de opbrengst van de liquidatie over te maken op de derdenrekening van de advocaat van [eiser 2]. Aan deze verzoeken heeft de vereffenaar geen gehoor gegeven.

2.13.

Bij brief van 24 november 2017 van CBA aan de Bank t.a.v. de vereffenaar wordt onder andere het volgende bericht:

“[de Bank] heeft reeds in maart 2016 het besluit genomen om over te gaan tot liquidatie van haar bedrijf. Daarnaast volgt uit de maandelijkse rapportage van 15 november 2017 van [de Bank] dat zij geen opvorderbare gelden van het publiek meer onder zich heeft en enkel nog 1 hypotheeklening in haar portefeuille heeft.

[de Bank] is derhalve opgehouden het bedrijf van een kredietinstelling uit te oefenen in de zin van artikel 1 lid 1 van de Ltk. Derhalve trekt de CBA hierbij de aan [de Bank] op 27 augustus 2015 verleende vergunning ex artikel 4 van de Ltk in.”

3 DE VORDERINGEN

3.1.

Eisers verzoeken het Gerecht om, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, de volgende beslissingen te nemen:

“primair:

  1. [gedaagde 1] met onmiddellijke ingang te schorsen als statutair bestuurder van de [holding] en als statutair bestuurder van de Bank, totdat de rechter op vordering van de meest gerede partij beslist dat de schorsing kan worden beëindigd, althans gedurende een door het Gerecht in goede justitie te bepalen termijn;

  2. het besluit van de algemene vergadering van de [holding] tot ontslag van [eiser 2] als statutair bestuurder van de [holding] te schorsen, voor zover een dergelijk besluit is genomen;

  3. [gedaagde 1] te verbieden, zowel in persoon als in hoedanigheid van statutair bestuurder van de [holding], een algemene vergadering te beleggen met het doel [eiser 2] (alsnog) te ontslaan als statutair bestuurder van de [holding], op een algemene vergadering een daartoe strekkend besluit te (doen) agenderen of voor te (doen) stellen, althans andere maatregelen te treffen met dat doel;

  4. [de vereffenaar] met onmiddellijke ingang te ontslaan, althans te schorsen als vereffenaar van de Bank, met gelijktijdige benoeming van mr. Eugene Martis, verbonden aan Brown Advocaten te Aruba, althans een door het Gerecht te bepalen persoon, tot vereffenaar van de Bank;

[de vereffenaar]:

5. voor zover het Gerecht hem niet ontslaat of schorst, te veroordelen binnen twee werkdagen na betekening van het in dit kort geding te wijzen vonnis hetgeen hij als vereffenaar van de Bank onder zich houdt, althans 37,5% daarvan, in bewaring te geven aan de Stichting Beheer Derdengelden Advokatenkantoor VanEpsKunnemanVanDoorne, door dit te storen op een door haar op te geven bankrekening, een en ander door het Gerecht in goede justitie te stellen voorwaarden;

6. te veroordelen om binnen vijf werkdagen na betekening van het in dit kort geding te wijzen vonnis [eiser 2] en [de holding], in ieder geval mede ter attentie van [eiser 2], opgave te doen van alle reeds gedane en nog te verwachten uitkeringen in de vereffening van de Bank, rekening en verantwoording af te leggen over de tot dusver verrichte vereffeningswerkzaamheden, en een kopie te verstrekken van alle boeken, bescheiden en andere gegevensdragers die betrekking hebben op de vereffening van de Bank, door dit te (doen) bezorgen op het kantoor van de gemachtigden van [eiser 2], althans hen binnen die termijn in de gelegenheid te stellen tot raadpleging van die bescheiden op zijn kantoor;

[gedaagde 1], [het advocatenkantoor] en [gedaagde 5]:

7. hoofdelijk te bevelen binnen twee werkdagen na betekening van het in dit kort geding te wijzen vonnis de inschrijving bij de Kamer van Koophandel en Nijverheid van Aruba van [gedaagde 1] als statutair bestuurder van de [holding] door te (doen) halen en [eiser 2] opnieuw in te schrijven als zelfstandig bevoegd statutair bestuurder van de [holding];

8. hoofdelijk te veroordelen binnen vijf werkdagen na betekening van het in dit kort geding te wijzen vonnis [eiser 2] een kopie te verstrekken van het aandeelhoudersregister van de Vennootschap en alle oproepingen (of die zijn gedaan per brief, advertentie of op andere wijze), agenda’s, notulen en besluitenlijsten van de algemene vergadering van de [holding] over de periode van 2014 tot de datum van het in dit kort geding te wijzen vonnis;

9. hoofdelijk te veroordelen binnen vijf werkdagen na betekening van het in dit kort geding te wijzen vonnis [eiser 2] een kopie te verstrekken van alle door [het advocatenkantoor] of een of meer van haar maten en/of werknemers behandelde dossiers in opdracht van [de holding], door dit te (doen) bezorgen op het kantoor van de gemachtigden van [eiser 2], althans hen binnen die termijn in de gelegenheid te stellen tot raadpleging van die bescheiden op [het advocatenkantoor];

10. hoofdelijk te veroordelen binnen vijf werkdagen na betekening van het in dit kort geding te wijzen vonnis [eiser 2] kopie te verstrekken van alle adviezen van [gedaagde 5] en [het advocatenkantoor] ter zake van de vereffening, waaronder mede de aanwending en de bestemming van de liquidatie en het liquidatiesaldo, alsmede in alle adviezen die [gedaagde 5] aan [de holding] heeft gegeven.

overigens

11. voor zover nodig, [eiser 2] te machtigen tot raadpleging van alle boeken en bescheiden en andere gegevensdragers van de Bank, opdat hij zich een beeld kan vormen van de vereffening en zijn (directe of indirecte) rechten te dien aanzien;

subsidiair :

12. jegens de gedaagden die geboden uit te spreken, dan wel jegens hen andere maatregelen te treffen die het Gerecht, gelet op de feiten en omstandigheden doeltreffend en gerechtvaardigd voorkomt;

zowel primair als subsidiair :

13. gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van dwangsommen van AWG 100.000, althans door het Gerecht in goede justitie te betalen dwangsommen, aan [eiser 2], voor elk(e) dag(deel) dat zij niet volledig voldoen aan de door het Gerecht jegens hen uit te spreken veroordelingen;

13. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de kosten van dit geding en toepasselijke nakosten, al deze kosten te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze zaak te wijzen vonnis, en, voor het geval voldoening niet binnen die termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten, te rekenen vanaf de vijftiende dag na dat vonnis.”

3.2.

Gedaagden verzoeken het Gerecht om eisers in hun vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, althans hun deze te ontzeggen, kosten rechtens.

3.3.

Op de argumenten van partijen gaat het Gerecht hierna in, voor zover deze relevant blijken voor de uitkomst van de procedure.

4 DE BEOORDELING

Inleiding

4.1.

Door de holding en [eiser 2] wordt een aantal disputen in dit kort geding aan het Gerecht voorgelegd, te weten:

  1. de positie van [eiser 2] als statutair bestuurder van de holding;

  2. de positie van [eiser 2] als aandeelhouder van de holding;

  3. de positie van [gedaagde 1] als statutair bestuurder van de holding;

  4. e positie van de vereffenaar, waaronder begrepen de informatievoorziening over de liquidatie van de bank aan de holding en aan [eiser 2];

  5. het verstrekken van informatie betreffende de holding door [gedaagde 1], het advocatenkantoor en [gedaagde 5].

4.2.

Per onderwerp zal het Gerecht hierop ingaan. Daarbij zal het Gerecht (zo nodig) per onderwerp ingaan op zijn bevoegdheid, het spoedeisend belang, wie van partijen in dit kort geding bij dit onderwerp zijn betrokken, zo nodig de argumentatie over en weer en daarna de beoordeling.

De positie van [eiser 2] als statutair bestuurder van de holding

4.3. [

eiser 2] voert aan dat hij nog steeds statutair bestuurder, naast [gedaagde 1], van de holding is. Dat hij blijkens het handelsregister als uitgeschreven is genoteerd doet niet ter zake. Van belang is dat er een rechtsgeldig besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders moet zijn waaruit dit volgt. Daarvan is geen sprake omdat [eiser 2] pas in dit kort geding hoort van het besluit van 28 augustus 2017. Dat besluit lijdt aan meerdere nietigheden.

4.4. [

gedaagde 1] betwist gemotiveerd dat dit besluit nietig is.

4.5.

Het Gerecht overweegt het volgende. Dit dispuut speelt zich af tussen de vennootschap, [gedaagde 1] en [eiser 2].

4.6.

Op grond van artikel 101 Rv is het Gerecht bevoegd kennis te nemen van dit geschil.

4.7.

Wat betreft het toepasselijk recht wordt overwogen dat de holding geen partij is bij de Settlement, zodat de verwijzing van [gedaagde 1] hiernaar niet opgaat. De holding is een Arubaanse vennootschap die dus wordt beheerst door het Arubaanse recht. Dit betekent dat ook geschillen binnen een orgaan van de vennootschap zoals de statutaire directie op grond van dit recht moeten worden beoordeeld.

4.8.

Er is sprake van een spoedeisend belang omdat [eiser 2] stelt dat het aandeelhoudersbesluit d.d. 28 augustus 2017 nietig dan wel vernietigbaar is zodat hij dient te worden hersteld in zijn positie van statutair bestuurder van de holding.

4.9.

Criterium voor toewijzing van de vorderingen 2, 3 en 7 van [eiser 2] is of het zeer waarschijnlijk is dat de bodemrechter tot de conclusie zal komen dat het aandeelhoudersbesluit nietig is. Naar voorlopig oordeel van het Gerecht is dit het geval. [gedaagde 1] heeft niet aangetoond dat [eiser 2] is opgeroepen voor deze aandeelhoudersvergadering. Op grond van de wet en de statuten is dat natuurlijk wel vereist. [gedaagde 1] stelt dat dit niet nodig was omdat uit de Settlement volgt dat [eiser 2] zou terugtreden als statutair bestuurder. Dat staat echter niet in de Settlement.

4.10.

Dit betekent dat wordt geoordeeld dat het aandeelhoudersbesluit nietig is wegens strijd met de wet en de statuten. Aldus is [eiser 2] statutair bestuurder van de holding gebleven. Anders dan in vordering 2 is omschreven kan een nietig besluit niet worden geschorst omdat het niet bestaat. Hiermee is ook gegeven dat het ontvankelijkheidsverweer van gedaagden jegens de holding ([eiser 2] is geen zelfstandig bevoegde bestuurder meer) niet opgaat.

4.11.

Een verklaring voor recht kan het Gerecht in kort geding niet geven. Dit betekent dat vordering sub 2 wordt afgewezen. Vordering sub 7 wordt jegens [gedaagde 1] toegewezen; hij dient in het handelsregister opnieuw te worden ingeschreven. Overigens is die inschrijving niet een noodzakelijke voorwaarde om vennootschapsrechtelijk als statutair bestuurder te gelden.

4.12.

Wat betreft vordering 3 (verbod om [eiser 2] als statutair bestuurder te ontslaan) geldt dat het Gerecht deze zal afwijzen omdat dit te verstrekkend is. [gedaagde 1] kan immers goede redenen hebben om [eiser 2]’s ontslag tijdens een algemene vergadering van aandeelhouders te willen agenderen. Die redenen zou [eiser 2] overigens ook kunnen hebben waar het betreft de positie van [gedaagde 1]. Indien [eiser 2] vindt dat hij ten onrechte is ontslagen kan hij zich tot de rechter, al dan niet in kort geding, wenden. Gelet op de gebleken gang van zaken (zie 4.9.) wordt [gedaagde 1] wel veroordeeld om een oproeping voor een dergelijke aandeelhouders-vergadering alsmede het aandeelhoudersbesluit per e-mail aan zowel [eiser 2] als zijn advocaat toe te zenden, voorzien van dwangsommen.

De positie van [eiser 2] als aandeelhouder in de holding

4.13. [

eiser 2] voert aan dat hij nog steeds aandeelhouder is. Hij heeft bij de producties van [gedaagde 1] de aantekening per 3 november 2016 in het aandeelhoudersregister van de vennootschap gezien. Daarvan was hij niet op de hoogte gebracht.

4.14.

Het Gerecht constateert dat door [eiser 2] bij verzoekschrift geen vorderingen worden ingesteld met betrekking tot zijn aandeelhouderschap. Evenmin is na kennisneming van de aantekening in het aandeelhoudersregister van 3 november 2016 de eis vermeerderd. Dit betekent dat het Gerecht over dit dispuut geen vordering kan toewijzen.

4.15.

Nu dit aandelenbelang in de holding wel van belang is voor enkele van de overig ingestelde vorderingen overweegt het Gerecht het volgende. De Settlement is niet een overdrachtsakte in de zin van artikel 55 lid 1 WvK en artikel 8 lid 1 van de statuten van de holding. De holding wordt in de Settlement namelijk in het geheel niet genoemd zodat deze geen titel kan vormen voor de overdracht van de aandelen, laat staan als overdrachtsakte kan gelden zoals door [gedaagde 1] wordt aangevoerd. Dit betekent dat het Gerecht er in dit kort geding vanuit moet gaan dat [eiser 2] nog steeds 37,5% aandeelhouder in de holding is.

De positie van [gedaagde 1] als statutair bestuurder van de holding

4.16. [

eiser 2] verwijst naar de gang van zaken betreffende zijn statutair bestuurderschap en zijn aandeelhouderschap. Daarom moet [gedaagde 1] als statutair bestuurder van de holding worden geschorst.

4.17.

Het Gerecht verwijst naar het overwogene in 4.12. en 4.15.

4.18.

Overwogen wordt dat de holding uitsluitend de deelneming in de Bank bezit. Hiervoor is overwogen dat [eiser 2] nog altijd statutair bestuurder en minderheidsaandeelhouder is van de holding. Tevens is voorzien in de informatievoorziening van [gedaagde 1] richting [eiser 2]. Uit de Settlement volgt wel dat het uiteindelijk de bedoeling is dat [gedaagde 1] [eiser 2] uitbetaalt naar rato van zijn aandelenbezit in de holding. Gebleken is dat het vereffeningsproces ver gevorderd is. Om deze redenen vindt het Gerecht het een te zwaar middel om meerderheidsaandeelhouder [gedaagde 1] als statutair bestuurder van de holding te schorsen.

4.19.

De vordering sub 1 (schorsing van [gedaagde 1] als bestuurder van de holding) zal het Gerecht dus afwijzen.

De positie van de vereffenaar, waaronder begrepen de informatievoorziening over de liquidatie van de Bank aan de holding en aan [eiser 2]

4.20.

De holding en [eiser 2] voeren aan dat zij door de vereffenaar niet op de hoogte worden gehouden van de stand van zaken van de vereffening van de Bank. Zij stellen dat de vereffenaar zijn werk niet goed doet en dat de overblijvende gelden van de Bank niet goed worden beheerd zodat [eiser 2] te kort zal komen. Hij heeft immers recht op 37,5% van de opbrengst na liquidatie.

4.21.

Door gedaagden wordt aangevoerd dat uit het in het geding gebrachte rapport van Ernst & Young en de rapportages afkomstig uit de boekhouding van de Bank blijkt dat de vereffening van de Bank zorgvuldig is geschied. Deze duurde langer dan voorzien en er blijft minder over voor de holding als aandeelhouder. De vereffenaar is inmiddels opgevolgd door een trustkantoor nu de vereffening zo goed als voltooid is.

4.22.

Nu de vereffenaar in Aruba is gevestigd is het Gerecht bevoegd kennis te nemen van de vordering van [eiser 2], tevens optredende als volledig bevoegd bestuurder van de holding, tegen de vereffenaar. Op grond van artikel 101 Rv is het Gerecht bevoegd kennis te nemen van de vordering van de holding, als enig aandeelhouder, jegens de door de algemene vergadering van aandeelhouders benoemde vereffenaar.

4.23.

Arubaans recht is van toepassing omdat de Bank een Arubaanse vennootschap is en omdat in de Settlement geen andere rechtskeuze wordt gemaakt waar het betreft de relatie tussen de holding en de Bank. Zij zijn immers geen partij bij de Settlement.

4.24.

Het spoedeisend belang is aanwezig omdat de holding en [eiser 2] stellen verstoken te blijven van informatie over de vennootschap terwijl de holding op grond van artikel 146 WvK gerechtigd is tot het resterend saldo van de vennootschap en [eiser 2] op grond van de Settlement gerechtigd is tot zijn aandeel daarin.

4.25.

De vereffenaar dient regelmatig te rapporteren over de stand van zaken zowel richting aandeelhouder (de holding) als aan CBA. Dit laatste blijkt uit de met CBA door gedaagden in het geding gebrachte gevoerde correspondentie. Gelet op de rapportages die door gedaagden in het geding zijn gebracht gebeurt dat ook regelmatig aan CBA en aan [gedaagde 1]. Die rapportages zijn echter niet volledig in het geding gebracht, want ze betreffen slechts enkele maandrapportages. Daarnaast is er het uitvoerige rapport van Ernst & Young. Het komt er op neer dat de vereffenaar rapporteert maar zijn verslagen bereiken [eiser 2] niet. Hij heeft daar als statutair bestuurder van de holding zonder meer recht op.

4.26.

Dit betekent dat de vereffenaar aan de holding, in de persoon van haar volledig gemachtigde statutair bestuurder [eiser 2], alle opgemaakte financiële verslagen, zoals het complete Journal van alle maanden vanaf de aanvang van de vereffening tot heden, jaarrekeningen, -verslagen en balansen, dient te verschaffen. Daaruit moet volgen hoe hoog het actief is en waaraan dat is, of zal worden, uitgegeven. Het Gerecht begrijpt vorderingen 6 en 11 in deze zin.

4.27.

Hieraan doet niet af dat er inmiddels een andere vereffenaar zou zijn benoemd. Het daartoe strekkende aandeelhoudersbesluit is niet in het geding gebracht zodat het Gerecht ervan uitgaat dat de vereffenaar nog steeds in functie is. Ook is niet van belang, zoals de vereffenaar stelt, dat de vereffening heeft plaatsgevonden onder toezicht van de CBA. Dit toezicht ziet immers op de belangen van klanten van de Bank die door de liquidatie mogelijk kunnen worden getroffen en niet op het belang van de holding als aandeelhouder in de Bank.

4.28.

De vordering sub 5 (overmaking vereffeningssaldo op de derdenrekening van de advocaat van eisers) wordt niet toegewezen. De vereffenaar dient immers op grond van artikelen 146 en 147 WvK de daarin omschreven procedure te volgen. Daarmee verhoudt zich niet dat een gedeelte van het liquidatiesaldo wordt overgemaakt naar de derdenrekening van de advocaat van [eiser 2]. Niet gebleken is dat de vereffenaar malversaties heeft gepleegd. Dat kan ook niet omdat [eiser 2], en evenmin het Gerecht, kennis heeft kunnen nemen van de rapportages van de vereffenaar. De holding en [eiser 2] dienen eerst de verslaglegging te bestuderen. Indien dat leidt tot vorderingen jegens de vereffenaar zal het Gerecht, al dan niet in kort geding, daarover een oordeel kunnen geven.

4.29.

Daarmee is ook gegeven dat de vordering sub 4 (ontslag van de vereffenaar) niet wordt toegestaan. Daarvoor geldt immers hetzelfde. Het feit dat de vereffenaar eerder heeft geweigerd informatie te verstrekken aan de holding en [eiser 2] acht het Gerecht niet relevant. Niet is uit te sluiten dat de vereffenaar er te goeder trouw vanuit ging dat [eiser 2] geen bestuurder van de holding meer was. [eiser 2] als privé persoon heeft niet het recht om informatie van de vereffenaar te verlangen, nu gesteld noch gebleken is dat hij schuldeiser van de Bank is. Als aandeelhouder in de holding is [eiser 2] ook niet gerechtigd informatie van de vereffenaar te ontvangen. De holding is dat dus wel (zie 4.26.).

Het verstrekken van informatie betreffende de holding door [gedaagde 1], het advocatenkantoor en [gedaagde 5]

4.30.

Gelet op hetgeen is overwogen onder 4.12. en 4.15. dient [gedaagde 1] te worden veroordeeld om alle oproepingen voor aandeelhoudersvergaderingen van de holding, agenda’s, notulen en besluitenlijsten vanaf 2014 tot heden aan [eiser 2] in kopie te geven. Tevens wordt [gedaagde 1] veroordeeld om aan [eiser 2], in zijn hoedanigheid van directeur van de holding, kopieën te verstrekken van alle in opdracht van de holding behandelde dossiers alsmede alle door hem, als statutair bestuurder van de holding, ontvangen adviezen van het advocatenkantoor en [gedaagde 5] inzake de liquidatie en de vereffening van de Bank.

4.31.

Het Gerecht zal niet het advocatenkantoor en [gedaagde 5] daartoe veroordelen. [gedaagde 1] is immers de opdrachtgever van het advocatenkantoor, waarvan [gedaagde 5] deel uitmaakt. Het advocatenkantoor is dus de lasthebber van [gedaagde 1]. Onvoldoende is in dit kort geding komen vast te staan dat het advocatenkantoor en [gedaagde 5] jegens de holding en [eiser 2] een zelfstandige onrechtmatige daad hebben begaan die toewijzing van deze vordering jegens hen noodzakelijk maakt.

Dwangsommen

4.32.

De veroordelingen zullen worden gesanctioneerd met dwangsommen. Deze worden gemaximeerd.

Proceskosten

4.33. [

gedaagde 1] en de vereffenaar worden als overwegend in het ongelijk gestelde partijen in de proceskosten van de holding en [eiser 2] veroordeeld.

4.34.

Het Gerecht ziet aanleiding te bepalen dat de Bank, het advocatenkantoor en [gedaagde 5] de proceskosten voor eigen rekening dienen te houden.

5 DE BESLISSING

De rechter in dit Gerecht, rechtdoende in kort geding:

veroordeelt [gedaagde 1] om [eiser 2] binnen 14 dagen na heden als zelfstandig bevoegd statutair bestuurder van de holding weer in te schrijven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Nijverheid van Aruba en de eerdere uitschrijving te doen doorhalen en veroordeelt [gedaagde 1] om het uittreksel waaruit dit blijkt per e-mail aan [eiser 2] en zijn advocaat toe te zenden,

veroordeelt [gedaagde 1] om in de toekomst per e-mail [eiser 2], met cc per e-mail aan zijn advocaat, op te roepen voor eventuele aandeelhoudersvergaderingen van de holding en op deze aandeelhoudersvergaderingen genomen besluiten aan hem, met cc per e-mail aan zijn advocaat, toe te zenden,

veroordeelt [gedaagde 1] om binnen 14 dagen na heden alle oproepingen voor aandeelhoudersvergaderingen van de holding, agenda’s, notulen en besluitenlijsten vanaf 2014 tot heden aan [eiser 2] in kopie te geven,

veroordeelt [gedaagde 1] om binnen 14 dagen na heden aan [eiser 2] kopieën te verstrekken van alle in opdracht van de holding behandelde dossiers door het advocatenkantoor en [gedaagde 5] alsmede alle door hem, als statutair bestuurder van de holding, ontvangen adviezen van het advocatenkantoor en [gedaagde 5] inzake de liquidatie en de vereffening van de Bank;

veroordeelt de vereffenaar om aan de holding, per adres haar statutair bestuurder [eiser 2], binnen 14 dagen na heden alle opgemaakte financiële verslagen inzake de vereffening, zoals het complete Journal van alle maanden vanaf de aanvang van de vereffening tot heden, jaarrekeningen, -verslagen en balansen, in kopie te verschaffen,

bepaalt dat [gedaagde 1] en de vereffenaar, ieder, dwangsommen verbeuren van USD 500,00 per dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, dat zij, of een van hen, in gebreke blijven aan deze veroordelingen te voldoen en maximeert de dwangsommen op USD 1.000.000,00 per persoon;

veroordeelt [gedaagde 1] en de vereffenaar in de proceskosten, aan de zijde van de holding en [eiser 2] begroot op AWG 428,50 aan oproepingskosten, AWG 1.000,00 aan griffierecht en op AWG 1.500,00 aan salaris gemachtigde,

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat in de procedure gevoerd tussen eisers enerzijds en de Bank, het advocatenkantoor en [gedaagde 5] anderzijds, partijen ieder de eigen proceskosten moeten betalen;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter in dit gerecht, en is op 1 februari 2018 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.