Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2018:694

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
08-11-2018
Datum publicatie
20-11-2018
Zaaknummer
473 van 2018
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arubaanse strafzaak. Ontkennende verdachte. Vrijspraak. Onvoldoende overtuiging dat de verklaring van de verdachte niet op de waarheid berust.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: P-2017/02137

Zaaknummer: 473 van 2018

Uitspraak: 8 november 2018 Tegenspraak

Vonnis van dit Gerecht

in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1990 in [geboorteplaats],

wonende in Aruba, [adres].

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 18 oktober 2018. De verdachte is verschenen, bijgestaan door haar raadsman, mr. C.F.K.J. Lejuez, advocaat in Aruba.

De officier van justitie, mr. W. Gerretschen, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een taakstraf voor de duur van veertig (40) uren, subsidiair twintig (20) dagen vervangende hechtenis.

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het primair, subsidiair en het meer subsidiair ten laste gelegde.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

dat zij op één of meerdere tijdstippen althans op enig tijdstip

in of omstreeks de periode van 21 juni 2016 tot en met 20 december 2016 te Aruba,

tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,

anders dan door valsheid in geschrift, opzettelijk niet naar waarheid gegevens heeft verstrekt aan degene door wie of door wiens tussenkomst enige verstrekking of tegemoetkoming wordt verleend,

zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van haarzelf of een ander,

terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden,

dat die gegevens van belang waren voor

de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming,

te weten het aan verdachte verstrekken van een (tijdelijke) verblijfsvergunning en/of

het –aan haar mededader- verstrekken van een of meerdere toelage(n) voor defensiepersoneel in het buitenland, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming,

immers hebben/heeft zij, verdachte en/of haar mededader aan de werkgever

(van de mededader) geen mededeling gedaan dat zij in de periode 21 juni 2016 tot en met 20 december 2016 niet samenwoonde,

althans geen gemeenschappelijke huishouding voerde met een persoon (te weten [medeverdachte]);

althans indien ten aanzien van het vorenstaande geen veroordeling mocht (kunnen) volgen

dat [medeverdachte] op één of meerdere tijdstippen althans op enig tijdstip

in of omstreeks de periode van 21 juni 2016 tot en met 20 december 2016 te Aruba,

tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,

anders dan door valsheid in geschrift, opzettelijk niet naar waarheid gegevens heeft verstrekt aan degene door wie of door wiens tussenkomst enige verstrekking of tegemoetkoming wordt verleend,

zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van die [medeverdachte] en/of verdachte en/of een ander,

terwijl [medeverdachte] wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden,

dat die gegevens van belang waren voor

de vaststelling van zijn ([medeverdachte]’s) en/of verdachtes en/of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten

- het aan verdachte verstrekken van een (tijdelijke) verblijfsvergunning en/of

het –aan [medeverdachte]- verstrekken van een of meerdere toelage(n) voor defensiepersoneel in het buitenland, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming,

immers heeft [medeverdachte], verdachte en/of haar mededader aan de werkgever

(van de mededader) geen mededeling gedaan dat zij in de periode 21 juni 2016 tot en met 20 december 2016 niet samenwoonde, met verdachte,

althans geen gemeenschappelijke huishouding voerde met verdachte;

bij/tot het plegen van welk misdrijf verdachte

in of omstreeks de periode van 21 juni 2016 tot en met 20 december 2016 te Aruba

medeplichtig is geweest,

welke medeplichtigheid hierin heeft bestaan dat verdachte opzettelijk

- met die [medeverdachte] heeft afgesproken dat zij, verdachte zich –in strijd met de waarheid-

zou voordoen als samenwonend met die [medeverdachte] en/of (daartoe)

- ( al dan niet samen met die [medeverdachte]) een ‘Aanvraagformulier ABP

registratie/samenleving’ valselijk heeft opgemaakt althans formulieren die ertoe dienen om een samenleving met [medeverdachte] aan te tonen, (mede) heeft ingevuld en (mede) heeft ondertekend en/of

- zich heeft ingeschreven, althans laten inschrijven op het adres [adres], [naam suites], appartement nummer [appartement nummer] te Aruba, zijnde het adres waar [medeverdachte] woonde, terwijl zij daar niet daadwerkelijk verbleef;

althans indien ten aanzien van het vorenstaande geen veroordeling mocht (kunnen) volgen

dat zij op één of meerdere tijdstippen althans op enig tijdstip

in of omstreeks de periode van 31 maart 2016 tot en met 21 juni 2016 te Aruba,

tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,

een Aanvraagformulier ABP registratie/samenleving –zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen- valselijk heeft opgemaakt of vervalst,

immers hebben/heeft zij, verdachte en/of haar mededader

valselijk op voornoemd Aanvraagformulier ABP registratie/samenleving vermeld

dat verdachte samenwoont met een persoon (te weten [medeverdachte]),

althans een gemeenschappelijke huishouding voert met die persoon,

zulks met het oogmerk on dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of

door anderen te doen gebruiken;

Formele voorvragen

Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak

Het Gerecht heeft uit het onderzoek op de terechtzitting niet door de inhoud van de wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Het Gerecht overweegt daartoe als volgt.

In deze zaak gaat het om de vraag of de verdachte in de ten laste gelegde periode met [medeverdachte] heeft samengewoond.

De verdachte heeft vanaf het begin volhard bij haar verklaring dat zij wel met [medeverdachte] heeft samengewoond. Het dossier bevat diverse verklaringen die haar verklaring ondersteunen. Uit de zijdens de Officier van Justitie aangehaalde verklaringen kan onvoldoende worden afgeleid dat de verklaring van de verdachte niet op de waarheid berust. De beheerder van het appartementencomplex alwaar [medeverdachte] verbleef (de getuige [beheerder]) heeft weliswaar verklaard dat zij de verdachte nooit bij dat appartementencomplex heeft gezien. Onduidelijk is echter gebleven wanneer zij aanwezig was bij dat complex en of zij altijd zicht had op iedereen die in en uitging van dat complex. De verklaringen van de getuigen [ex-verhuurster] en [ex-verhuurder] hebben geen betrekking op de ten laste gelegde periode. Voorts is onduidelijk gebleven wat de toenmalige werkgever van de verdachte precies aan de verbalisant heeft verklaard met betrekking tot het woonadres c.q. postadres van de verdachte. Naar het oordeel van het Gerecht kan niet worden uitgesloten dat er sprake is geweest van een miscommunicatie tussen de toenmalige werkgever en de verbalisant. Het feit dat de verdachte en [medeverdachte] geen liefdesrelatie hadden en dat bij onderzoek van het appartement van [medeverdachte] geen spullen van de verdachte zijn aangetroffen legt - gelet op de uitleg van de verdachte, [medeverdachte] en zijn vriendin hierover en het voormelde - onvoldoende gewicht in de schaal om tot de overtuiging te komen dat verdachte het aan haar tenlastegelegde heeft begaan.

Uit het vorenstaande volgt, dat niet zonder enige twijfel kan worden bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft gepleegd, zodat zij daarvan zal worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd en spreekt haar daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. E.M.D. Angela, bijgestaan door mw. G.J. Wolff, (zittingsgriffier), en op 8 november 2018 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Aruba.

uitspraakgriffier: