Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2018:637

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
22-05-2018
Datum publicatie
29-10-2018
Zaaknummer
KG nr. AUA201801322
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Civiel. KG. Opheffing beslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

KG nr. AUA201801322.

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

PROCES-VERBAAL

tevens inhoudende een vonnis in kort geding

van de mondelinge behandeling gehouden op dinsdag, 22 mei 2018 om 10:00 uur voor mr. J. Sap, rechter, bijgestaan door […], griffier in de zaak van:

de rechtspersoon naar vreemd recht

CITGO PETROLEUM CORPORATION,

gevestigd in de Verenigde Staten van Amerika,

hierna te noemen: Citgo,

gemachtigde: de advocaat mr. J.A. Saade,

tegen

de besloten vennootschap

1. […] B.V.,

gevestigd in Nederland,

hierna te noemen: [de B.V.],

en

de rechtspersoon naar vreemd recht

2. PHILLIPS PETROLEUM COMPANY VENEZUELA LIMITED,

gevestigd in Bermuda,

hierna te noemen: Phillips,

gemachtigde: de advocaat mr. D.W. Ormel.

Ter terechtzitting zijn verschenen Citgo bijgestaan door de gemachtigde voornoemd en [de B.V.] en Phillips bijgestaan door de gemachtigde voornoemd.

Partijen hebben hun standpunten nader uiteengezet en stukken overgelegd. Het Gerecht heeft vervolgens de behandeling gesloten en mondeling vonnis gewezen, dat hieronder is weergegeven.

Overwegingen

Het Gerecht zal beslissen op basis van de gewijzigde eis, zoals overgelegd ter zitting van 22 mei 2018.

Bij verzoek van 16 mei 2018 heeft Citgo zich gewend tot het Gerecht teneinde opheffing van het op 14 mei 2018 door [de B.V.] c.s. gelegde beslag op de hoeveelheid olie die zich bevindt in het schip “[naam schip]” te bewerkstelligen. Het verzoek richt zich tevens tegen de door het Gerecht gegeven ordemaatregel, gericht tegen de kapitein van de [naam schip], strekkende tot afgifte van de scheepspapieren van dat schip. In haar verzoek en verdere toelichting heeft Citgo zich op het standpunt gesteld dat het beslag is gelegd op een hoeveelheid olie die haar toebehoort en niet de beslagdebiteur, PDVSA en/of PDVSA Petroleo (verder: PDVSA c.s.).

Dit standpunt is door [de B.V.] bestreden, waarbij die zich in de kern op het standpunt stelt dat de inbeslaggenomen olie (nog) eigendom is van PDVSA c.s. Zij stelt dat Citgo niet voldoende aannemelijk heeft weten te maken dat de eigendom inmiddels bij haar berust.

Het geschil is behandeld op 18 mei 2018 en is voortgezet op 22 mei 2018. Beide partijen hebben hun standpunten uiteengezet en stukken overgelegd. Het Gerecht overweegt het volgende.

Citgo behoort tot het concern van PDVSA. Deze laatste vennootschap is krachtens een arbitraal vonnis van 24 april 2018 kort gezegd veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van circa US$ 2 miljard. Op dat vonnis is hier te lande nog geen exequatur gegeven.

Het Gerecht heeft acht geslagen op de overeenkomst tussen PDVSA en Citgo onder nummer 3700177, betrekking hebbend op de periode tussen 1 april 2016 en 30 april 2021, waarin het raamwerk is opgenomen met betrekking tot leveringen en betalingen van olieleveranties van PDVSA aan Citgo. Voor onderhavig geschil is van belang dat in die overeenkomst geen eigendomsvoorbehoud is opgenomen. Onder 3.5 van deze overeenkomst is, kort gezegd opgenomen dat het recht op en het risico voor de olie op de koper (Citgo) overgaat, nadat die de flens van het schip zal hebben gepasseerd. Uit de ter zitting overgelegde bepalingen “Offset” is niet af te leiden dat de eventuele verrekeningen van invloed zijn op de vraag naar de eigendom van de olie.

Uit de Bill of Lading blijkt dat de olie op 10 mei 2018 in Venezuela aan bord van de [naam schip] is gebracht. Op die Bill of Lading is vermeld dat de lading FOB aan Citgo wordt geleverd. Voor onderhavig geschil is van belang dat dit een belangrijke aanwijzing is dat vanaf het moment dat de olie aan boord is, de eigendom c.q. het recht op die olie bij Citgo en niet langer bij PDVSA c.s. berust. Citgo heeft aangevoerd dat deze Bill of Lading naar haar onderweg is en bovendien dat deze niet verhandelbaar zou zijn. In dat geval zou acht geslagen moeten worden op de onderliggende overeenkomsten en die wijzen, zoals thans voldoende vaststaat, in de richting van bezit en eigendom van Citgo op de inbeslaggenomen olie.

In de op 24 april 2018 opgemaakte RECAP tussen Citgo en PDVSA c.s. is als leveringsmethode FOB genoemd. Weliswaar staat in die RECAP ook dat het mogelijk is dat partijen een andere afspraak hierover kunnen maken, maar dat dit het geval is geweest is onvoldoende gebleken.

Het Gerecht realiseert zich dat er van de RECAP meerdere versies in omloop zijn, maar degene die een andere betalings- en leveringsconditie hadden zijn van oudere datum. Het Gerecht gaat dan ook op dit moment uit van de geldigheid van de RECAP van 24 april 2018.

Uit het feitencomplex is voorts niet gebleken dat sprake is van vereenzelviging tussen Citgo en PDVSA c.s. Dat de vennootschappen tot hetzelfde concern behoren is onvoldoende om enkel op basis daarvan aan te nemen dat zij gezamenlijke belangen nastreven, c.q. een constructie hebben opgezet die slechts ten doel heeft de verhaalsmogelijkheden van [de B.V.] te frustreren.

Reeds op basis hiervan heeft Citgo voldoende aannemelijk gemaakt dat de eigendom van de door [de B.V.] in beslaggenomen hoeveelheid olie bij haar berust. Dit betekent dat het beslag ten onrechte is gelegd en moet worden opgeheven. Voor zover hiervoor de medewerking van [de B.V.] is vereist, zal die moeten worden gegeven, onder andere door teruggave van de scheepspapieren. Het Gerecht zal deze verplichting voorzien van een adequate tijdsperiode en een dwangsom. De veroordeling zal worden aangepast voor de situatie dat de olie inmiddels na overleg tussen partijen in een tank is opgeslagen.

Voor toewijzing van de vordering tot het geven van een verbod tot verdere beslaglegging ziet het Gerecht geen ruimte. Immers, niet valt op voorhand vast te stellen of [de B.V.] zich schuldig zal maken aan het leggen van onterechte beslagen en de gevorderde maatregel is ook te ruim om te worden toegewezen.

Eveneens wordt het gebod tot het betrachten van geheimhouding c.q. een verbod tot openbaarmaking van de overgelegde stukken afgewezen. Citgo heeft immers aangevoerd dat de bedrijfsgevoelige informatie onleesbaar is gemaakt en hetgeen is overgelegd komt het Gerecht niet op voorhand voor als evident bedrijfsgevoelig.

Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij zal [de B.V.] in de kosten van het geding worden veroordeeld.

UITSPRAAK:

het Gerecht:

heft op het op 14 mei 2018 door [de B.V.] c.s. gelegde beslag op de olie die zich bevindt (dan wel: oorspronkelijk bevond) in het schip “[naam schip]”;

beveelt [de B.V.] c.s. datgene te doen dat leidt tot het opheffen van de werking van de op 14 mei 2018 gegeven ordemaatregel, binnen 8 uren na betekening van dit vonnis;

bepaalt dat [de B.V.] c.s. aan Citgo een dwangsom verschuldigd zal zijn van US$ 100.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat zij nalatig is aan dit bevel te voldoen, tot een maximum van US$ 10.000.000,-;

veroordeelt [de B.V.] in de kosten van dit geding, aan de zijde van Citgo bepaald op Afl. 450,- aan griffierecht; Afl. 444,50 aan explootkosten en Afl. 3.750,- aan salaris gemachtigde;

wijst het mee of anders gevorderde af;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Waarvan proces verbaal.