Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2018:617

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
08-10-2018
Datum publicatie
18-10-2018
Zaaknummer
AUA201701527
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het gerecht gaat het in deze om een concrete verdenking van ernstig plichtsverzuim, zodat schorsing gedurende het disciplinaire onderzoek in redelijkheid in het belang van de dienst kan worden geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 8 oktober 2018

GAZA nr. AUA201701527

HET GERECHT IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het bezwaar van:

[klager],

wonende in Aruba,

KLAGER,

gemachtigde: de advocaat mr. V.A.V. Carlo,

gericht tegen:

DE GOUVERNEUR VAN ARUBA,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. V.M. Emerencia (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij Landsbesluit van 14 juni 2017 is klager met toepassing van artikel 87 aanhef en onder c van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (hierna: Lma) in zijn ambt geschorst. Tevens is bepaald dat de schorsing zal duren tot de dag waarop een besluit is genomen omtrent de disciplinaire strafoplegging.

Klager heeft op 17 juli 2017 pro forma bezwaar gemaakt tegen dit Landsbesluit (hierna: de bestreden beschikking). Klager heeft op 27 september 2017 de gronden waarop zijn bezwaarschrift is gericht ingediend.

Verweerder heeft op 21 maart 2018 stukken ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van 23 april 2018, alwaar klager in persoon bijgestaan door zijn gemachtigde is verschenen en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Uitspraak is nader bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

De ontvankelijkheid

2.1

Ingevolge artikel 41, eerste lid, van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (hierna: La), dient het bezwaarschrift te worden ingediend binnen dertig dagen te rekenen vanaf de dag waarop de aangevallen beschikking is uitgesproken. Het derde lid van voornoemd artikel van de La bepaalt dat, indien het bezwaar na de daarvoor bepaalde termijn is ingediend, de indiener niet op grond daarvan niet-ontvankelijk wordt verklaard, indien hij ten genoegen van de rechter aantoont het bezwaar te hebben ingebracht binnen dertig dagen na de dag waarop hij van de aangevallen beschikking kennis heeft kunnen dragen.

2.2

Klager heeft onweersproken gesteld dat hij de bestreden beschikking op 28 juni 2017 heeft ontvangen, zodat het gerecht ervan uitgaat dat hij zijn bezwaarschrift heeft ingediend binnen dertig dagen na de dag waarop hij de bestreden beschikking heeft ontvangen. Klager is derhalve ingevolge artikel 41, derde lid van de La ontvankelijk.

Inhoudelijk

2.3

Klager kan zich niet verenigen met de hem opgelegde schorsing en stelt zich daarbij - samengevat - op het volgende standpunt. Klager ontkent dat zijn handelen ernstig plichtsverzuim oplevert en meent dat hij gezien de feiten en omstandigheden correct heeft gehandeld. Klager draaide structureel teveel overuren, was moe en had veel stress. Tot aan het incident waren er geen klachten voor wat betreft zijn functioneren als politieagent. Verweerder heeft in het verleden politieagenten die disproportioneel geweld hebben toegepast niet geschorst noch ontslagen en beroept zich op het gelijkheidsbeginsel. Klager betoogt als laatst dat hij niet is gehoord alvorens het besluit om hem te schorsen werd genomen.

2.2

Voorop wordt gesteld dat de in de bestreden beschikking vervatte schorsing is gebaseerd op artikel 87, aanhef en onder c van de Lma. Volgens deze bepaling kan, onverminderd het bepaalde in artikel 82 van de Lma, de ambtenaar door het bevoegde gezag worden geschorst in zijn ambt wanneer, naar het oordeel van het bevoegde gezag, het belang van de dienst dat vordert. Het gaat hier derhalve om de bevoegdheid van het bevoegde gezag om een ordemaatregel te treffen wanneer het ongestoord functioneren van de dienst of het dienstonderdeel door het handhaven van de ambtenaar niet langer verzekerd zou zijn, en niet om een disciplinaire strafoplegging.

2.3

Naar vaste jurisprudentie vindt het bevoegde gezag in een hem bekend geworden concrete verdenking van ernstig plichtsverzuim van een ambtenaar waardoor aan diens integriteit moet worden getwijfeld en waardoor het noodzakelijk in de ambtenaar te stellen vertrouwen dermate is geschaad dat het niet aanvaardbaar is dat hij zijn werkzaamheden blijft verrichten, in het algemeen voldoende grond voor het treffen van een ordemaatregel1.

2.4

Wat betreft de vraag of in dit geval voldoende grond voor het treffen van een ordemaatregel bestond, overweegt de ambtenarenrechter dat de maatregel is genomen in verband met een door verweerder opgestart disciplinair onderzoek naar aanleiding van het vermoeden van door klager gepleegd plichtsverzuim. Klager werd aangehouden en in verzekering gesteld als verdachte van onder andere overtreding van artikel 2:275 lid 1 (zware mishandeling) van het Wetboek van Strafrecht.

2.5

Naar het oordeel van het gerecht gaat het in deze om een concrete verdenking van ernstig plichtsverzuim, zodat schorsing gedurende het disciplinaire onderzoek in redelijkheid in het belang van de dienst kan worden geacht. Het gerecht merkt in dit verband echter wel op dat het rechtszekerheidsbeginsel met zich brengt dat een schorsing niet langer duurt dan noodzakelijk en in dat verband door verweerder voortvarendheid dient te worden betracht bij de uitvoering van het disciplinaire onderzoek.

2.6

Nu de schorsing gedurende het disciplinaire onderzoek in redelijkheid in het belang van de dienst kan worden geacht en het in casu om een ordemaatregel gaat, kan beroep op het gelijkheidsbeginsel ook niet slagen.

2.7

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het bezwaar ongegrond is. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat gelet hierop, geen wettelijke grondslag.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart het bezwaar ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. E.M.D. Angela, ambtenarenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van maandag 8 oktober 2018 in aanwezigheid van de griffier.

Ieder der partijen is bevoegd tegen een door het gerecht genomen met redenen omklede eindbeslissing als bedoeld in artikel 89, hoger beroep in te stellen (art. 97, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen dertig dagen na de dag van de uitspraak, indien de appellant in persoon of bij vertegenwoordiger dan wel gemachtigde bij de uitspraak tegenwoordig is geweest, en in de andere gevallen binnen dertig dagen na de dag van toezending of terhandstelling van een afschrift van de uitspraak, welke dag bij toezending aan de voet van het afschrift en bij terhandstelling op het ontvangstbewijs wordt vermeld (art. 98, eerste lid, LA).

Het hoger beroep wordt ingesteld door een beroepschrift aan de raad in te zenden ter griffie van die raad te Oranjestad (art. 98, tweede lid, LA).

1 Zie bv. Centrale Raad van Beroep d.d. 16 december 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU8683