Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2018:608

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
03-10-2018
Datum publicatie
10-10-2018
Zaaknummer
AUA201802756
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort Geding. Executiegeschil. Behoeftigheid jongmeerderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 3 oktober 2018

Behorend bij K.G. nr. AUA201802756

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in het kort geding tussen:

[Eiser],

wonende in Aruba,

hierna ook te noemen: eiser,

gemachtigde: de advocaat mr. P.M.E. Mohamed,

tegen:

[Gedaagde],

wonende in Aruba,

hierna ook te noemen: gedaagde,

gemachtigde: de advocaat mr. N.S. Gravenstijn.

1 DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met producties, ingediend op 3 september 2018;

  • -

    de brief met producties van eiser, ingediend op 18 september 2018;

  • -

    de brief met producties van gedaagde, ingediend op 18 september 2018;

  • -

    de aantekeningen van de griffier ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 19 september 2018, waaruit blijkt dat zijn verschenen eiser in persoon bijgestaan door zijn gemachtigde en gedaagde in persoon bijgestaan door haar gemachtigde.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Eiser is de vader van gedaagde.

2.2

Bij beschikking van 1 juli 2014 behorend bij EJ nr. 186 van 2014 is eiser veroordeeld om met ingang van 1 april 2014 aan de Voogdrijraad te betalen een bedrag van Afl. 400,- per maand als voorziening in de kosten verzorging en opvoeding van gedaagde, geboren op 21 februari 1997 in Aruba.

2.3

Deze beschikking is op 15 december 2016 aan eiser betekend.

2.4

Gedaagde is vanaf 1 februari 2017 full time werkzaam en heeft een minimum loon.

2.5

Op 25 juni 2018 heeft gedaagde executoriaal beslag doen leggen ten laste van eiser onder zijn werkgever voor een totaal bedrag van Afl. 11.629,85 (inclusief betekeningskosten). Het beslag heeft betrekking op de alimentatie achterstand sedert 1 april 2014 tot en met juli 2017, zijnde in totaal Afl. 11.250,- aan achterstand.

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1

Eiser vordert - na wijziging ter zitting - bij kort geding vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde te verbieden om de beschikking van 1 juli 2014 behorend bij EJ nr. 186 van 2014 verder te executeren dan de bedragen die conform de beschikking opgekomen zijn vanaf 1 januari 2016 tot en met juli 2017, alles onder verbeurte van een dwangsom van Afl. 1.000,- per dag of deel daarvan indien gedaagde nalaat aan dit vonnis te voldoen, met veroordeling van gedaagde in de proceskosten.

3.2

Eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat gedaagde misbruik maakt van haar executiebevoegdheid en voert daartoe aan dat gedaagde vanaf 2016 verdiencapaciteit had en geheel in haar eigen levensonderhoud kon voorzien, nu zij niet meer naar school ging en werkzaam is geweest. Het onder die omstandigheden executeren van de onderhavige alimentatiebeschikking levert misbruik van executiebevoegdheid op, aldus eiser.

3.3

Gedaagde voert als verweer - samengevat - het volgende aan.

Vanaf juli 2016 tot juli 2017 heeft zij de avond mavo gevolgd. In 2016 heeft zij vakantiejobs gehad maar was - mede gelet op haar arbeidsongeschiktheid - niet in staat om in haar levensonderhoud te voorzien. Vanaf februari 2017 heeft zij weliswaar een fulltime job, maar kon met haar minimumloon over de periode van februari 2017 tot juli 2017 niet geheel in haar levensonderhoud voorzien en had voor wat betreft die periode nog steeds behoefte aan de vastgestelde alimentatie.

4 DE BEOORDELING

4.1

Aan gedaagde kan toestemming worden verleend om kosteloos te procederen, nu uit een door haar overgelegd bewijs van onvermogen genoegzaam blijkt van haar onvermogen om de kosten van deze procedure uit eigen middelen te voldoen.

4.2

Het spoedeisendheid belang volgt uit de aard van de zaak.

4.3

In casu gaat het om de vraag of gedaagde misbruik maakt van haar bevoegdheid om tot executie over te gaan van de betreffende alimentatiebeschikking voor wat betreft de alimentatieachterstand over de periode van 2016 tot en met juli 2017.

4.4

Op grond van artikel 1:392 lid 2 BW in verbinding met artikel 1:395a lid 1 Bw speelt de behoeftigheid van de jongmeerderjarige geen rol bij het vaststellen van de onderhoudsplicht van de ouders. Ouders zijn immers onderhoudsplichtig jegens hun kinderen die jonger zijn dan 21 jaar, ook als die kinderen niet behoeftig zijn doordat zij redelijkerwijs in hun eigen levenshouderzhoud zouden kunnen voorzien, bijvoorbeeld door te gaan werken. De ouders blijven verantwoordelijk voor jongmeerderjarigen indien deze vanwege scholing, studie of onvoldoende inkomsten niet (geheel) zelfstandig kunnen voorzien in hun levensonderhoud.

De stelling van eiser dat gedaagde verdiencapaciteit had over de periode van 2016 tot februari 2017 gaat dus niet op. Voorshands staat vast dat gedaagde in die periode vanwege onvoldoende inkomsten uit arbeid niet (geheel) zelfstandig in haar levensonderhoud kon voorzien en behoefte had aan de vastgestelde kinderalimentatie. Zij had in die periode geen (vaste) baan en ging bovendien naar de avond mavo (schooljaar 2016-2017).

4.5

Voor wat betreft de periode vanaf februari 2017 tot juli 2017 heeft eiser tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door gedaagde niet aannemelijk kunnen maken dat gedaagde in die periode geen behoefte meer had aan de vastgestelde kinderalimentatie van Afl. 400,- per maand.

4.6

Gelet op het vorenstaande kan niet gezegd worden dat gedaagde misbruik maakt van haar bevoegdheid om tot executie over te gaan, zodat de vordering afgewezen zal worden.

4.7

De familierechtelijke verhouding tussen partijen is aanleiding om de proceskosten in dit kort geding te compenseren.

5 DE BESLISSING

De rechter in dit gerecht, rechtdoende in kort geding:

wijst de vordering af;

compenseer de proceskosten, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.M.D. Angela, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 3 oktober 2018 in aanwezigheid van de griffier.