Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2018:605

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
03-10-2018
Datum publicatie
10-10-2018
Zaaknummer
1027 van 2017/AUA201700868
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel. Geldvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 3 oktober 2018

Behorend bij A.R. nr. 1027 van 2017/AUA201700868

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

ISLAND FINANCE ARUBA N.V.,

gevestigd te Aruba,

hierna ook te noemen: eiseres,

gemachtigde: de advocaat mr. M.E.D. Brown,

tegen:

[gedaagde],

wonende te Aruba,

hierna ook te noemen: gedaagde,

gemachtigde: de advocaat mr. H.G. Figaroa.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties, ingediend op 17 mei 2018;

- de conclusie van antwoord met producties, ingediend op 13 december 2017;

- de conclusie van repliek, tevens inhoudende een akte ter vermindering c.q. wijziging van eis, ingediend op 21 maart 2018;

- ter rolle van 22 augustus 2018 heeft gedaagde aangegeven dat hij persisteert in zijn verweer.

1.2

Vervolgens is de datum voor het vonnis nader bepaald op heden.

2 DE FEITEN

2.1

Partijen hebben op 14 juli 2015 een overeenkomst van geldlening (hierna: de overeenkomst) gesloten. Hierbij heeft gedaagde een bedrag van Afl. 10.811,77 geleend van eiseres. Gedaagde diende een totaalbedrag inclusief rente en kosten van Afl. 18.012,96 door middel van achtenveertig maandelijkse aflossingen van Afl. 375,27 elk, terug te betalen aan eiseres. De eerste aflossing diende plaats te vinden op 14 augustus 2015 en de laatste aflossing diende plaats te vinden op 14 juli 2019.

2.2

Onder punt 7 van de overeenkomst is het volgende opgenomen:

7. Hoofdsom, rente, boeterente en al wat Island Finance N.V. verder ter zake te vorderen heeft zal terstond opeisbaar zijn, zonder waarschuwing of ingebrekestelling, bij faillissement, overlijden of onder curatelestelling, van de schuldenaar, bij zijn/haar aanvraag om surseance van betaling, bij niet op tijd betalen der verplichte aflossingen en bij niet-nakomen van één of meer zijner/harer verplichtingen uit deze overeenkomst.

2.3

Gedaagde heeft op 3 oktober 2016 een schuldbekentenis ondertekend waaruit blijkt dat zij aan eiseres schuldig is een bedrag van Afl. 11.762,28, vermeerderd met 1,5% contractuele rente per maand vanaf 31 juli 2016, 15% buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.

2.4

Bij brief van 8 september 2016 wordt gedaagde gesommeerd om binnen zeven dagen na dagtekening een bedrag van Afl. 11.762,28, exclusief wettelijke rente, boeterente en buitengerechtelijke incassokosten, te voldoen.

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1

Eiseres vordert na wijziging van eis - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - gedaagde te veroordelen tot betaling aan eiseres van een bedrag van Afl. 11.762,88, vermeerderd met de contractuele rente van 1,4% per maand vanaf 31 juli 2016 tot een maximum van Afl. 7.201,19 en na het bereiken van dit maximum te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van Afl. 1.500,-, een en ander met veroordeling van gedaagde tot vergoeding van de proceskosten.

3.2

Eiseres grondt de vordering erop dat gedaagde tekort is geschoten in de nakoming van de schuldbekentenis.

3.3

Gedaagde voert hiertegen verweer, dat zo nodig bij de beoordeling aan de orde komt.

4 DE BEOORDELING

4.1

Aan de orde is de vraag of gedaagde gehouden is de gevorderde hoofdsom, de gevorderde rente, de buitengerechtelijke incassokosten en de overige kosten te voldoen.

Hoofdsom

4.2

Gedaagde stelt dat zij heeft gedwaald ten tijde van het ondertekenen van de schuldbekentenis, omdat de achterstand destijds niet Afl. 11.762,28 maar
Afl. 11.098,59 bedroeg.

4.3

Eiseres daarentegen stelt dat de achterstand ten tijde van het tekenen van de schuldbekentenis wel degelijk Afl. 11.762,28 bedroeg. Gedaagde diende ingaande 14 augustus 2015 maandelijks Afl. 375,27 aan eiseres te betalen. Haar eerste betaling dateert evenwel van 26 oktober 2015. Vervolgens heeft zij vier onregelmatige betalingen verricht. Het totaal aan betalingen van gedaagde, ad
Afl. 1.855,- heeft eiseres eerst van de door haar verschuldigde rente afgeboekt. Van dwaling was dan ook geen sprake aangezien het bedrag correct was. Het gerecht begrijpt dat het bedrag van Afl. 11.762,88, zoals opgenomen in het petitum, een typefout betreft en Afl. 11.762,28 moet zijn zoals opgenomen in de schuldbekentenis. Dit bedrag wordt dan ook toegewezen.

Rente

4.4

Gedaagde betwist de ingangsdatum van de contractuele rente. Volgens gedaagde dient de contractuele rente van 1,4% in te gaan op 1 september 2016 in plaats van op 31 juli 2016. Uit punt 7 van de overeenkomst blijkt dat de rente terstond opeisbaar is indien gedaagde niet op tijd betaald. Gedaagde heeft in plaats van op 14 augustus 2015 pas op 26 oktober 2015 de eerste aflossing betaald. Nu de rente na 14 augustus 2015 meteen opeisbaar was, zal de contractuele rente zoals gevorderd worden toegewezen vanaf 31 juli 2016 tot een maximum van Afl. 7.201,19 en na het bereiken van dit maximum vermeerderd met de wettelijke rente.

Matiging loonbeslag

4.5

Artikel 7:632a waarin de beslagvrije voet is geregeld in de Landsverordening van 23 september 2016 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek van Aruba (AB 1989 no. GT 100) in verband met een aantal onderwerpen die nog een regeling of aanpassing in het Burgerlijk Wetboek van Aruba behoeven, (aanvulling Burgerlijk Wetboek van Aruba) is nog geen geldend recht. Het gerecht ziet thans geen aanleiding om te anticiperen op nieuwe wetgeving, waarvan de datum van inwerkingtreding nog onbekend is. Het verzoek van gedaagde om het maandelijkse loonbeslag te matigen, zal dan ook worden afgewezen.

Buitengerechtelijke incassokosten

4.6

De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen conform het procesreglement 2018 worden toegewezen tot een bedrag van Afl. 1.500,-, zijnde 1,5 punt van het liquidatietarief 4.

Proceskosten

4.7

Gedaagde zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure worden veroordeeld, aan de zijde van eiseres begroot op Afl. 750,- aan griffierecht, Afl. 865,70 aan oproepingskosten en Afl. 2.000,- aan gemachtigdensalaris (naar rato van 2 punten van het liquidatietarief 4).

5 DE BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

5.1

veroordeelt gedaagde tot betaling aan eiseres van een bedrag van Afl. 11.762,28 te vermeerderen met de contractuele rente van 1,4% per maand vanaf 31 juli 2016 tot een maximum van Afl. 7.201,19 en na het bereiken van dit maximum te vermeerderen met de wettelijke rente tot de dag waarop volledig zal zijn betaald, alsmede tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ad Afl. 1.500,-;

5.2

veroordeelt gedaagde in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van eiseres worden begroot op Afl. 750,- aan griffierecht, Afl. 865,70 aan oproepingskosten en Afl. 2.000,- aan gemachtigdensalaris;

5.3

verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M. Vanwersch, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 3 oktober 2018 in aanwezigheid van de griffier.