Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2018:557

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
13-09-2018
Datum publicatie
25-09-2018
Zaaknummer
AUA201802531
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Ontruiming. Reconventionele vordering tot betaling van geldsom.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis in kort geding van 13 september 2018

Behorend bij K.G. AUA201802531

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[Eiser],

te Aruba,

hierna te noemen: [de man],

gemachtigde: de advocaat mr. E.M.J. Cafarzuza,

tegen:

[Gedaagde],

te Aruba,

hierna te noemen: [de vrouw],

gemachtigde: de advocaat mr. P.M.E. Mohamed.

1 DE PROCEDURE IN CONVENTIE EN IN RECONVENTIE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties;

- de producties zijdens [de vrouw];

- de nadere producties zijdens [de man];

- de pleitnota zijdens [de man];

- de pleitnota tevens houdende eis in reconventie zijdens [de vrouw];

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 30 augustus 2018.

Aan partijen is medegedeeld dat vandaag vonnis zou worden gewezen.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN IN CONVENTIE EN IN RECONVENTIE

2.1

Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Op 2 maart 2015 hebben zij een samenlevingsovereenkomst gesloten. Daarin is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 1

1. Tussen partijen zal geen vermogensrechtelijke gemeenschap van goederen bestaan behoudens:

a. de mogelijkheid dat goederen gemeenschappelijk worden verkregen krachtens een rechtshandeling welke door hen gemeenschappelijk werd verricht;

b. de verkrijging van de goederen ten behoeve van de gewone gang van de huishouding zoals bedoeld in Artikel 2.

2. Partijen bepalen in onderling overleg welke kosten door hen worden aangemerkt als kosten van de gemeenschappelijke huishouding en op welke wijze deze zullen worden bestreden. Het ontbreken van een regeling te dezer zake of het niet nakomen daarvan kan nimmer aanleiding geven tot het instellen van enigerlei rechtsvordering (…).

Artikel 2

1. Inboedelgoederen, waaronder begrepen die tot meubilering van de gemeenschappelijke woonruimte alsmede huishoudelijke apparaten, huisraad en de tot stoffering en meubilering van de woning dienende zaken met uitzondering van boekerijen, verzamelingen van kunstwetenschap of geschiedkundige aard, behoren toe aan beide partijen ieder voor de helft, ongeacht de herkomst van deze goederen of de wijze van financiering daarvan. Inboedelgoederen zijn alleen dan niet gemeenschappelijk indien daarvan blijkt uit een door beide partijen ondergetekende lijst. (…)

Artikel 6

Als de samenleving eindigt, eindigt daarmee ook deze samenlevingsovereenkomst. Deze samenleving eindigt:

(…)

Door eenzijdige opzegging bij aangetekende brief of door deurwaardersexploot; bij die opzegging dient tenminste een termijn van drie (3) maanden in acht genomen te worden. (…).”

2.2 [

de man] heeft op 2 augustus 2017 het perceel met het daarop gebouwde, plaatselijk bekend [adres] te Aruba, samen met enkele zich daarin bevindende roerende zaken, voor een bedrag van Afl. 382.500,- gekocht. Op 25 oktober 2017 is het gekochte aan hem geleverd.

2.3 [

de man] en [de vrouw] hebben met ingang van eind november 2017 in de woning op voormeld perceel samengewoond. Kort daarop is [de vrouw] ongeveer een maand uit de woning getrokken. Vervolgens is zij opnieuw in de woning getrokken. [de man] heeft daarop de woning verlaten en verblijft sindsdien aan de [A] te [buurt].

2.4

Volgens mutatierapporten van de politie van 19 en 20 maart 2018 heeft tussen [de man] en [de vrouw] een ruzie plaatsgevonden, waarvoor politieassistentie en -bemiddeling vereist was. In de onderscheiden rapporten is als volgt vermeld:

“De S.C.P. stuurde de surv naar [adres]voor een echtelijke twist. Vermoedelijk was er een patrouille al ter plaatse gestuurd gedurende de dag dienst. Ter plaatse sprake de surv met de man genaamd M. [DE MAN]. [DE MAN] verklaarde dat hij voor 5 jaren in een relatie was met de vrouw genaamd R. [DE VROUW]. Vorig jaar oktober 2017 kochten zij de woning gelegen te [adres]tegen de prijs van Afl. 382.00,-. Alf. 80.000,- heeft [DE VROUW] aan [DE MAN] gegeven voor het kopen van voornoemde woning. Ongeveer een maand geleden kregen zij problemen met elkaar, omdat [DE MAN] seksuele overdraagbare aandoeningen had gekregen en verklaard dat hij deze van [DE VROUW] had gekregen. [DE VROUW] beschuldigde [DE MAN] voor hetzelfde. In verband hiermede besloot [DE VROUW] een andere appartement te zoeken, tot dat de problemen opgelost is. [DE VROUW] was voor een maand uit het huis en besloot terug te komen wonen in hun woning, aangezien zij geen geld heeft voor het betalen van een appartement. [DE VROUW] wil geen relatie meer hebben met [DE MAN] en ook anders om. [DE VROUW] wil de geld dat zij in het geld had geïnvesteerd terug hebben en ook gedeelte van het winst die tot haar behoort. [DE MAN] wil haar alleen maar de Afl. 80.000,-. LIGVOET is er wel mee akkoord om haar te betalen, maar [DE VROUW] moet even wachten tot dat LIGVOET achter het geld kan komen. Beiden werden verwezen naar een advocaat, en hen werd uitgelegd dat het over een civielrechtelijke casus is. Met veel moeite toonde [DE MAN] uiteindelijk begrip en zij besloten naar een advocaat te gaan. De S.C.P. werd I.K.G.”

en:

“De cp stuurde de surv naar het adres [adres] ivm bemiddeling. Ter plaatse aangekomen sprak de surv met de vrouw genaamd [Gedaagde]. Zij verklaarde aan de surv dat zij ruzie heeft met haar vriend genaamd [Eiser]. Verder verklaarde [de vrouw] dat [de man] haar uit de woning wil zetten, maar volgens [de vrouw] had zij tachtig duizend Arubaanse guldens geïnvesteerd in het huis. Hierdoor wil [de vrouw] haar geld terug krijgen voordat zij het huis verlaat. De surv ging spreken met [de man] maar hij toonde geen begrip en wou niet met ons surv praten. Nadat de marechausse met [de man] had gesproken kwamen ze tot een oplossing dat [de man] een lening zal gaan zoeken bij de bank, zodat hij de tachtig duizend gulden terug kan betalen aan [de vrouw]. [de man] vertelde aan ons verbalisanten dat [de vrouw] inderdaad tachtig duizend guldens had geïnvesteerd in de woning en dat hij het geld terug zal betalen aan [de vrouw]. Gegevens werden opgenomen en de cp werd in kennis gesteld.”

2.5

Bij brief van 9 april 2018 heeft [de man] de samenlevingsovereenkomst opgezegd met inachtneming van de overeengekomen opzegtermijn van drie maanden. Daarbij heeft hij [de vrouw] de gelegenheid gegeven binnen dezelfde termijn vervangende woonruimte te vinden.

2.6

Bij brief van 1 augustus 2018 heeft [de man] [de vrouw] gesommeerd om de woning per 8 augustus 2018 te ontruimen. Daaraan heeft [de vrouw] geen gevolg gegeven.

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN IN CONVENTIE EN IN RECONVENTIE

3.1 [

de man] vordert in conventie dat het gerecht in kort geding:

- [ de vrouw] beveelt om de woning [adres] binnen zeven dagen na het in dezen te wijzen vonnis te ontruimen, onder verbeurte van een dwangsom van Afl. 500,-- per dag dat [de vrouw] met de bevolen ontruiming in gebreke mocht blijven;

- [ de man] machtiging verleent om de ontruiming met behulp van de sterke arm te bewerkstelligen indien [de vrouw] hiermee in gebreke blijft;

- [ de vrouw] veroordeelt in de proceskosten;

alles uitvoerbaar bij voorraad.

3.2 [

de man] grondt de vordering erop dat [de vrouw] zonder recht of titel in de woning verblijft. Daarmee maakt zij inbreuk op zijn eigendomsrecht. Voorts betaalt zij hem daarvoor geen enkele vorm van vergoeding.

3.3 [

de vrouw] heeft verweer gevoerd.

3.4 [

de vrouw] vordert in reconventie dat het gerecht in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, [de man] veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [de vrouw] te betalen een bedrag van Afl. 76.750,- en hem te veroordelen in de proceskosten.

3.5 [

de vrouw] grondt de vordering erop dat tussen haar en [de man] een overeenkomst geldt, op grond waarvan [de man] [de vrouw] een bedrag van Afl. 80.000,- verschuldigd is. Dit is het bedrag dat zij heeft geïnvesteerd ten behoeve van de aankoop van de woning door [de man]. Van dat bedrag heeft [de man] slechts Afl. 3.250,- voldaan, zodat een bedrag van Afl. 76.750,- resteert.

3.6 [

de man] heeft verweer gevoerd.

4 DE BEOORDELING IN CONVENTIE EN IN RECONVENTIE

in conventie

4.1

Voor een toewijzing van een vordering tot ontruiming, zoals de voorliggende vordering, bestaat in kort geding onder meer aanleiding indien aannemelijk is dat ook de bodemrechter zal oordelen dat betrokkene zonder recht of titel in de woning verblijft. Het gerecht is van oordeel dat dat in deze zaak het geval is. Daartoe overweegt het als volgt. Gezien hetgeen hiervoor onder 2.1 en 2.2 is vermeld, staat vast dat [de man] de eigenaar is van de woning en dat de woning niet uit hoofde van de samenlevingsovereenkomst of anderszins binnen een gemeenschap van partijen valt. [de vrouw] heeft verder niet aangevoerd dat zij op grond van een (huur)overeenkomst in de woning verblijft of dat haar ter zake een gebruiksrecht toekomt. Dat [de vrouw] voornemens is een andere woning te kopen, maar daartoe eerst kan overgaan nadat [de man] haar de uit hoofde van door haar in de woning gedane investeringen verschuldigde Afl. 80.000,- betaalt, zoals door [de vrouw] aangevoerd, brengt niet met zich dat voorshands geoordeeld moet worden dat aan haar op grond daarvan enig recht of titel toekomt om in de woning te verblijven. [de man] heeft gemotiveerd betwist [de vrouw] een bedrag van Afl. 80.000,- verschuldigd te zijn en daarmee ook dat partijen hadden afgesproken dat [de vrouw] in de woning mocht verblijven, totdat [de man] zijn betalingsverplichtingen aan haar zou zijn nagekomen, zo het door [de vrouw] aangevoerde aldus moet worden begrepen.

Het vorenoverwogene brengt met zich dat de gevorderde ontruiming kan worden toegewezen, met dien verstande dat de ontruimingstermijn op een maand zal worden gesteld.

4.2

De gevorderde dwangsom wordt afgewezen, nu [de man] zelf de ontruiming kan doen bewerkstelligen door inschakeling van de deurwaarder.

4.3

Uit het eerste lid van artikel 556 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) volgt dat [de man] de ontruiming niet zelf ter hand mag nemen, en dat gedwongen ontruiming het exclusieve terrein is van de deurwaarder. [de man] heeft voldoende aan dit vonnis om de deurwaarder te mogen inschakelen als [de vrouw] niet vrijwillig tot nakoming van de uit dit vonnis voortvloeiende verplichting tot ontruiming overgaat. In het licht daarvan heeft [de man] dus geen machtiging nodig om de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen. Voorwaarde is dat het ontruimingsvonnis door de deurwaarder aan [de vrouw] wordt betekend, en dat aan [de vrouw] overeenkomstig het bepaalde in artikel 555 Rv bevel wordt gedaan om binnen drie dagen te ontruimen. De deurwaarder op zijn beurt behoeft geen rechterlijke machtiging om bevoegd te zijn de hulp van de sterke arm van politie en justitie in te roepen indien [de vrouw] medewerking aan de ontruiming weigert. Die bevoegdheid ontleent de deurwaarder immers rechtstreeks aan artikel 557 Rv, waarin artikel 444 Rv van overeenkomstige toepassing wordt verklaard. Voorziet de deurwaarder problemen, dan kan hij op voet van (strekking en geest van) de Algemene Politieverordening – zonder dat daartoe rechterlijke machtiging nodig is – bijstand van de politie inroepen. In het licht van voorgaande heeft [de man] geen belang bij de verzochte machtiging.

4.4

Nu partijen een affectieve relatie hebben gehad, zullen de kosten van deze procedure op na te melden wijze worden gecompenseerd.

in reconventie

4.5

Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in veroordeling tot betaling van een geldsom, is in zijn algemeenheid terughoudendheid op zijn plaats. Het gerecht zal daarbij in de eerste plaats moeten onderzoeken of het bestaan en de omvang van de vordering van de eiser op de gedaagde voldoende aannemelijk is. Dit is het geval als de vordering niet wordt bestreden of indien met voldoende mate van zekerheid is te verwachten dat de bodemrechter met verwerping van de gevoerde verweren de vordering zal toewijzen. Verder dient ook onderzocht te worden of zich daarnaast feiten en omstandigheden voordoen die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl het gerecht in de afweging van de belangen van partijen mede zal hebben te betrekken de vraag naar - kort gezegd - het risico van onmogelijkheid van terugbetaling, welk risico kan bijdragen tot weigering van de voorziening.

4.6

Naar voorshands oordeel heeft [de vrouw] het bestaan van een vordering van Afl. 76.750,- op [de man] onvoldoende aannemelijk gemaakt. Daartoe overweegt het gerecht als volgt. [de man] betwist [de vrouw] een bedrag van Afl. 76.750,- verschuldigd te zijn. [de vrouw] heeft weliswaar bijgedragen in de aankoop van de woning, maar niet voor dat bedrag. Een deel van dat bedrag heeft zij besteed aan de aanschaf van inboedelgoederen, die in de gemeenschap vallen, en derhalve nog tussen partijen verdeeld moeten worden, aldus [de man]. Voorts doet [de man] een beroep op verrekening, onder meer in verband met zijn grotere bijdrage in de (huishoudelijke) kosten. De stelling dat tussen partijen een afspraak geldt, op grond waarvan [de man] [de vrouw] een bedrag van Afl. 80.000,- dient te betalen, heeft [de vrouw] slechts onderbouwd met de verwijzing naar voormelde mutatierapporten van de politie, opgemaakt naar aanleiding van wat daarin een “echtelijke twist” tussen [de vrouw] en [de man] wordt genoemd. De vraag kan worden opgeworpen wat de betekenis is van in die mutatierapporten weergegeven verklaringen van [de man], nu hij die heeft gedaan onder omstandigheden die kennelijk in eerste instantie zo verhit waren, dat daarvoor politieassistentie en -bemiddeling vereist was. Gelet hierop en in het licht van de gemotiveerde betwisting van [de man] is thans niet met voldoende mate van zekerheid te verwachten dat de bodemrechter met verwerping van de gevoerde verweren de vordering (volledig) zal toewijzen. Om tot dat oordeel te kunnen komen is dan ook nadere bewijsvoering vereist, waarvoor in een kortgedingprocedure geen ruimte is.

4.7

Reeds omdat de omvang van de vordering van [de vrouw] op [de man] onvoldoende aannemelijk is gemaakt, komt de vordering voor afwijzing in aanmerking.

4.8

Nu partijen een affectieve relatie hebben gehad, zullen de kosten van deze procedure op na te melden wijze worden gecompenseerd.

5 DE UITSPRAAK

Het gerecht:

in conventie

beveelt [de vrouw] om binnen 1 maand na betekening van dit vonnis de woning gelegen te [adres] te Aruba te ontruimen;

compenseert de proceskosten aldus dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

wijst de vordering af;

compenseert de proceskosten aldus dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 13 september 2018 in aanwezigheid van de griffier.