Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2018:555

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
21-09-2018
Datum publicatie
25-09-2018
Zaaknummer
AUA201800368 en AUA201800369
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussen belanghebbende en haar zustervennootschap is een geldlening tot stand gekomen waarbij belanghebbende een debiteurenrisico heeft aanvaard dat een onafhankelijk derde niet zou hebben aanvaard. Belanghebbende heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat een derde bereid zou zijn geweest in de gegeven omstandigheden het debiteurenrisico te aanvaarden voor een hogere rente. Derhalve is sprake van een onzakelijke lening. De Inspecteur heeft het door belanghebbende ten laste van de winst gebrachte kwijtscheldingsverlies terecht geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 21 september 2018

BBZ nrs. AUA201800368 en AUA201800369

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening beroep in belastingzaken van:

X N.V., gevestigd te Aruba,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Aruba,

de Inspecteur,

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende is met dagtekening 29 april 2011 een aanslag in de winstbelasting voor het jaar 2006 opgelegd naar een winst (na verliesverrekening) van Afl. 325.045. Daarbij is tevens een verzuimboete opgelegd van Afl. 500 wegens het niet tijdig indienen van de aangifte.

1.2

Aan belanghebbende is op 29 december 2011 een aanslag in de winstbelasting voor het jaar 2007 opgelegd naar een winst van Afl. 75.000. Daarbij is tevens een verzuimboete opgelegd van Afl. 1.050 wegens het niet tijdig indienen van de aangifte.

1.3

Belanghebbende heeft op respectievelijk 27 juni 2011 en 24 februari 2012 bezwaar gemaakt tegen voornoemde aanslagen.

1.4

De Inspecteur heeft bij uitspraak van 13 december 2017 de aanslagen gehandhaafd.

1.5

Belanghebbende heeft op 9 februari 2018 tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep ingesteld bij het Gerecht. Daarbij is griffierecht betaald van Afl. 150.

1.6

De Inspecteur heeft op 10 juli 2018 een verweerschrift ingediend.

1.7

Belanghebbende heeft op 31 augustus 2018 een nader stuk ingediend.

1.8

De Inspecteur heeft op 14 september 2018 een nader stuk ingediend.

1.9

De Inspecteur heeft, met dagtekening 28 september 2018, de aanslag winstbelasting 2007 verminderd tot nihil en de verzuimboete verminderd tot Afl. 250.

1.10

De zaak is behandeld ter zitting van 18 september 2018. Namens belanghebbende is verschenen A, verbonden aan Y. Namens de Inspecteur is verschenen mr. B. Belanghebbende heeft een pleitnota voorgedragen en ingebracht.

2 FEITEN

2.1

Belanghebbende is opgericht in 1995. De aandeelhouders van belanghebbende zijn dhr. C. (hierna: C) en mw. D (hierna: D). Ieder bezit de helft van de aandelen.

2.2

C en D zijn ieder ook voor de helft aandeelhouder van Z NV. (hierna: de NV). De NV drijft een groot- en kleinhandel in onder andere schoenen en textiel.

2.3

Vanaf het jaar 2003 heeft belanghebbende gelden uitgeleend aan de NV. Deze vordering staat sindsdien onder de benaming ‘intercompany accounts’ op de balans van belanghebbende. De omvang van deze vordering is als volgt:

Ultimo

Vordering op de NV (Afl.)

2003

78.076

2004

128.811

2005

172.232

2006

404.382

2.4

Met betrekking tot de uitgeleende gelden is geen leningsovereenkomst opgesteld, is geen rente berekend of bijgeschreven, is geen aflossingsschema opgesteld, is geen kredietlimiet gesteld, en zijn geen zekerheden gesteld.

2.5

De omzet, het resultaat en het fiscale vermogen van de NV zijn als volgt:

Jaar

Omzet (Afl.)

Resultaat (Afl.)

Vermogen (Afl.)

2000

3.650.586

116.497

118.355

2001

2.525.898

-/- 30.237

88.118

2002

1.853.874

-/- 140.337

-/- 52.219

2003

1.552.675

-/- 1.239.786

-/- 1.292.005

2004

573.048

-/- 362.101

-/- 1.654.106

2005

311.331

-/- 365.093

-/- 2.019.199

2006

288.949

-/- 192.489

-/- 1.807.306

2.6

Ultimo 2006 heeft belanghebbende de vordering op de NV ten bedrage van Afl. 404.382 volledig kwijtgescholden. Belanghebbende heeft ter zake van deze kwijtschelding een bedrag van Afl. 404.382 ten laste van haar winst over het jaar 2006 gebracht (hierna: het kwijtscheldingsverlies).

2.7

De NV heeft een gelijk bedrag als kwijtscheldingswinst tot het belaste resultaat over het jaar 2006 gerekend.

2.8

De Inspecteur heeft bij het vaststellen van de aanslag voor het jaar 2006 het kwijtscheldingsverlies van € 404.382 gecorrigeerd.

3 GESCHIL EN STANDPUNTEN PARTIJEN

3.1

In geschil is of belanghebbende terecht het kwijtscheldingsverlies ten laste van haar winst in 2006 heeft gebracht. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

3.2

De Inspecteur stelt zich in beroep op het standpunt dat sprake is van een informele kapitaalstorting dan wel een onzakelijke lening, ten gevolge waarvan de kwijtschelding niet ten laste van de winst kan worden gebracht. Belanghebbende neemt het tegenovergestelde standpunt in.

3.3

Belanghebbende heeft ter zitting verklaard dat de verzuimboete voor het jaar 2006 niet langer in geschil is.

3.4

Verder heeft belanghebbende ter zitting het beroep inzake de aanslag winstbelasting 2007 ingetrokken. Ook het beroep inzake de verzuimboete voor het jaar 2007 – die bij beschikking van 28 september 2018 is verminderd tot Afl. 250 – is door belanghebbende ingetrokken.

4 BEOORDELING VAN HET BEROEP

4.1

De Inspecteur heeft ter zitting aangegeven dat de gevolgen van het standpunt dat sprake is van een informele kapitaalstorting (bodemloze putlening) gelijk zijn aan de gevolgen van het standpunt dat sprake is van een onzakelijke lening. Gelet daarop zal het Gerecht zich beperken tot de vraag of sprake is van een onzakelijke lening.

4.2

Van een onzakelijke lening is sprake wanneer tussen gelieerde partijen een geldlening is aangegaan en daarbij door de leningverstrekker een debiteurenrisico is aanvaard dat een onafhankelijk derde niet zou hebben aanvaard, ook niet voor een hogere rente. Ook in situaties waarin zustervennootschappen een geldlening aangaan waarbij een dergelijk debiteurenrisico wordt genomen, kan derhalve sprake zijn van een onzakelijke lening (zie HR 14 oktober 2016, nr. 16/01370, ECLI:NL:HR:2016:2340). Een eventueel verlies op een onzakelijke lening kan niet ten laste van de winst worden gebracht.

4.3

Of sprake is van een onzakelijke lening dient te worden beoordeeld naar het moment van het aangaan van de lening, met dien verstande dat een zakelijke lening gedurende haar looptijd ten gevolge van onzakelijk handelen van de crediteur vervolgens alsnog een onzakelijke lening kan worden (vgl. HR 25 november 2011, nr. 08/05323, ECLI:NL:HR:2011:BN3442).

4.4

Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de Inspecteur aannemelijk moet maken dat de door belanghebbende aan de NV vanaf 2003 uitgeleende gelden onder zodanige voorwaarden en omstandigheden zijn verstrekt dat daarbij door belanghebbende een debiteurenrisico is gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen.

4.5

Vaststaat dat de NV vanaf 2001 slechts negatieve resultaten heeft behaald en dat de NV vanaf 2003 een zowel in absolute als relatieve zin aanzienlijk negatief vermogen had. Verder staat vast dat met betrekking tot de vanaf 2003 door belanghebbende uitgeleende gelden geen leningsovereenkomst is opgesteld, geen rente is berekend of bijgeschreven, geen aflossingsschema is opgesteld en geen kredietlimiet en zekerheden zijn gesteld.

4.6

Onder de hiervoor geschetste voorwaarden en omstandigheden acht het Gerecht aannemelijk dat belanghebbende bij het ter leen verstrekken van de gelden aan de NV een debiteurenrisico heeft gelopen dat een onafhankelijke derde niet zou hebben genomen. Verder is het Gerecht van oordeel dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat een derde bereid zou zijn geweest in de gegeven omstandigheden het debiteurenrisico te aanvaarden voor een hogere rente. Dit geldt te meer voor de gelden die in 2006 ter leen zijn verstrekt ten bedrage van Afl. 232.150, nu deze in datzelfde jaar weer zijn kwijtgescholden.

4.7

Het vorenstaande brengt mee dat sprake is van een onzakelijke lening en dat de Inspecteur het ten laste van de winst gebrachte kwijtscheldingsverlies terecht heeft gecorrigeerd.

5 PROCESKOSTENVERGOEDING

Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten of het griffierecht.

6 DE BESLISSING

Het Gerecht verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gegeven door mr. dr. A.J.H. van Suilen, rechter in dit gerecht, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 september 2018, in tegenwoordigheid van de griffier M.M.M. Faro MSc.

De griffier, De rechter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.

HOGER BEROEP

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)

J.G. Emanstraat 51

Oranjestad

Aruba

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener,

b. de dagtekening,

c. waartegen u in beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:

-natuurlijke personen: Afl. 75

-personenvennootschappen en rechtspersonen: Afl. 300