Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2018:544

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
14-09-2018
Datum publicatie
17-09-2018
Zaaknummer
101 van 2018
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Het Gerecht in eerste aanleg van Aruba heeft in de zaak 'speeltuin' een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren en met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht opgelegd wegens onder meer de medeplichtigheid aan de doodslag op twee kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2019/52
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: P-2017/10565

Zaaknummer: 101/18

Uitspraak: 14 september 2018 Tegenspraak

Vonnis van dit Gerecht

in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in het huis van bewaring in Aruba.

1 Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft inhoudelijk plaatsgevonden op 15 juni 2018 en 24 augustus 2018. De verdachte is telkens verschenen, bijgestaan door haar raadsman, mr. P.A.J. van der Biezen, advocaat in Aruba.

De officieren van justitie, mrs. Y. Pronk en W.V. Gerretschen, hebben ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het onder 1 subsidiair, 2 primair, 3, 4 subsidiair, 5 primair en 6 tenlastegelegde feiten bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast hebben de officieren van justitie gevorderd als bijzondere voorwaarde aan de verdachte te gelasten dat zij zich gedurende de proeftijd zal houden aan de aanwijzingen van de reclassering, ook als deze inhouden een contactverbod met medeverdachte [medeverdachte] en het meewerken aan behandeling door gedragsdeskundigen.

De raadsman heeft, overeenkomstig de door hem aan het Gerecht en het openbaar ministerie overgelegde pleitnota, het woord tot verdediging gevoerd.

2 Tenlastelegging

2.1.

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - kort gezegd - ten laste gelegd dat:

1. Primair: het medeplegen van de doodslag op [slachtoffer 1] in de periode van 21 november 2017 tot en met 24 november 2017;

Subsidiair: de medeplichtigheid aan de doodslag op [slachtoffer 1] in de periode van 21 november 2017 tot en met 24 november 2017;

Meer subsidiair: het medeplegen van het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1], zijnde haar kind, de dood ten gevolge hebbend, in de periode 21 november 2017 tot en met 24 november 2017;

Nog meer subsidiair: de medeplichtigheid aan het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1], zijnde haar kind, de dood ten gevolge hebbend, in de periode 21 november tot en met 24 november 2017;

Als een na laatste subsidiair: het medeplegen van mishandeling van [slachtoffer 1], zijnde haar kind, de dood ten gevolge hebbend, in de periode 21 november tot en met 24 november 2017;

Uiterst subsidiair: de medeplichtigheid aan mishandeling van [slachtoffer 1], zijnde haar kind, de dood ten gevolge hebbend, in de periode 21 november 2017 tot en met 24 november 2017;

2. Primair: het medeplegen van het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1], zijnde haar kind, in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 20 november 2017;

Subsidiair: de medeplichtigheid aan het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1], zijnde haar kind, in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 20 november 2017;

Meer subsidiair: het medeplegen van mishandeling van [slachtoffer 1], zijnde haar kind, in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 20 november 2017;

Uiterst subsidiair: de medeplichtigheid aan mishandeling van [slachtoffer 1], zijnde haar kind, in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 20 november 2017;

3. In hulpeloze toestand laten van haar kind [slachtoffer 1], tot wiens onderhoud zij als zijn moeder krachtens de wet verplicht was in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 24 november 2017;

4. Primair: Primair: het medeplegen van de doodslag op [slachtoffer 2] in de periode van 1 september 2017 tot en met 31 oktober 2017;

Subsidiair: de medeplichtigheid aan de doodslag op [slachtoffer 2] in de periode van 1 september 2017 tot en met 31 oktober 2017;

Meer subsidiair: het medeplegen van het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel op [slachtoffer 2], zijnde haar kind, de dood ten gevolge hebbend, in de periode van 1 september 2017 tot en met 31 oktober 2017;

Nog meer subsidiair: de medeplichtigheid aan het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 2], zijnde haar kind, de dood ten gevolge hebbend, in de periode van 1 september 2017 tot en met 31 oktober 2017;

Als een na laatste subsidiair: het medeplegen van mishandeling van [slachtoffer 2], zijnde haar kind, de dood ten gevolge hebbend, in de periode van 1 september 2017 tot en met 31 oktober 2017;

Uiterst subsidiair: de medeplichtigheid aan mishandeling van [slachtoffer 2], zijnde haar kind, de dood ten gevolge hebbend, in de periode 1 september 2017 tot en met 31 oktober 2017;

5. Primair: het medeplegen van het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 2], zijnde haar kind, in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 1 september 2017;

Subsidiair: de medeplichtigheid aan het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 2], zijnde haar kind in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 1 september 2017;

Meer subsidiair: het medeplegen van mishandeling van [slachtoffer 2], zijnde haar kind, in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 1 september 2017;

Uiterst subsidiair: de medeplichtigheid aan mishandeling van [slachtoffer 2], zijnde haar kind, in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 1 september 2017;

6. In hulpeloze toestand laten van haar kind [slachtoffer 2], tot wiens onderhoud zij als zijn moeder krachtens de wet verplicht was in de periode van 1 augustus 2014 tot en met 24 november 2017.

2.2.

De tekst van integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Formele voorvragen

Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Inleiding “Speeltuinzaak”

Op woensdag 22 november 2017 werd [slachtoffer 1] binnen gebracht op de spoedeisende hulp van het ziekenhuis. Artsen stelden vast dat er sprake was van acuut ernstig hoofdletsel en oude botbreuken, veroorzaakt door structurele zware mishandeling. [slachtoffer 1] is die avond opgenomen op de Intensive Care Unit van het ziekenhuis.

De volgende dag, donderdag 23 november 2017, zijn zowel familieleden van

Vaders- als moederskant door de politie gehoord. Ook de Voogdijraad heeft gesprekken met de familie gevoerd. Uit de verhoren en gesprekken bleek dat de broertjes van [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [zoon van verdachte en medeverdachte] reeds enige tijd niet meer gezien waren.

Gezien het feit dat bij [slachtoffer 1] de verdenking bestond dat hij structureel zwaar mishandeld was en de verblijfplaats van de broertjes [slachtoffer 2] en [zoon van verdachte en medeverdachte] onbekend was, werden alle drie de kinderen door de officier van justitie aan de Voogdijraad toevertrouwd.

Op vrijdagochtend 24 november 2017 bleek de medische situatie van [slachtoffer 1] dusdanig te zijn verslechterd dat medische behandeling niet meer mogelijk was. [slachtoffer 1] is diezelfde middag in het ziekenhuis overleden.

Verdachte, de moeder van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], en medeverdachte [medeverdachte], zijnde de partner van verdachte, zijn kort na het overlijden van [slachtoffer 1] door de politie aangehouden. Het broertje [zoon van verdachte en medeverdachte], zoon van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] was inmiddels terecht. [slachtoffer 2] daarentegen was nog steeds vermist. In de dagen na het overlijden van [slachtoffer 1] hebben met behulp van familie en vrienden onder leiding van het KPA zoekacties plaatsgevonden naar [slachtoffer 2], maar zonder resultaat.

Op maandagochtend 27 november 2017 is sectie verricht op het lichaam van [slachtoffer 1]. Door de patholoog-anatoom is vastgesteld dat [slachtoffer 1] als gevolg van ernstig hoofdletsel is overleden. Ook werden oude botfracturen en brandwonden op zijn lichaam waargenomen. Diezelfde avond heeft medeverdachte [medeverdachte] een verklaring afgelegd met betrekking tot het aangetroffen letsel. Ook heeft hij een verklaring afgelegd met betrekking tot de vermissing van [slachtoffer 2] en heeft hij de politie de plek aangewezen waar hij [slachtoffer 2] begraven had.

Op dinsdag 28 november 2017 heeft de politie het reeds ontbonden lichaam van [slachtoffer 2] op de door medeverdachte [medeverdachte] aangewezen plaats aangetroffen. De volgende dag is sectie verricht op zijn lichaam, waarbij door de patholoog-anatoom hoofdletsel en ribfracturen zijn geconstateerd.

Het is aan het Gerecht om te beoordelen of op basis van de thans voorhanden zijnde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de aan haar tenlastegelegde feiten heeft gepleegd. Buiten kijf staat dat de zaak die ter beoordeling aan het Gerecht voor ligt een zeer trieste zaak is en een grote schok in de Arubaanse samenleving teweeg heeft gebracht.

5 Bewijsoverwegingen

5.1.

Ten aanzien van de feiten 1 primair en 2 primair (medeplegen doodslag op [slachtoffer 1] en medeplegen zware mishandeling van [slachtoffer 1])

Met de officieren van justitie en de raadsman is het Gerecht van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van de doodslag op [slachtoffer 1] en het medeplegen van zware mishandeling van [slachtoffer 1], zodat verdachte daarvan wordt vrijgesproken.

5.2.

Ten aanzien van de feiten 1 subsidiair en 2 subsidiair (medeplichtigheid aan doodslag op [slachtoffer 1] en medeplichtigheid aan zware mishandeling van [slachtoffer 1])

5.2.1.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft ter terechtzitting betoogd dat verdachte van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit dient te worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat in het dossier geen enkel aanknopingspunt te vinden is voor de stelling dat verdachte medeverdachte [medeverdachte] heeft bevorderd en/of vergemakkelijkt bij het beroven van het leven van [slachtoffer 1]. Daarnaast ontbreekt het opzet (ook in voorwaardelijke zin) op de dood van [slachtoffer 1].

Ten aanzien van het onder 2 subsidiair tenlastegelegde feit heeft de raadsman eveneens vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat geen bewijs voorhanden is dat, zoals de wet eist, het opzet gericht was op het geven van gelegenheid aan medeverdachte [medeverdachte] voor het plegen van de zware mishandeling. Evenmin is sprake van opzet gericht op het gronddelict.

5.2.2.

Oordeel van het Gerecht

Onder de feiten 1 subsidiair en 2 subsidiair wordt verdachte respectievelijk verweten dat zij medeplichtig is geweest aan de doodslag op [slachtoffer 1] en dat zij medeplichtig is geweest aan het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1], door medeverdachte [medeverdachte] opzettelijk gelegenheid tot die misdrijven te geven door toe te laten dat [medeverdachte] haar kind (zwaar) mishandelde, door niet tijdig in te grijpen, haar kind niet tijdig in een veilige situatie te brengen en door haar kind geen bescherming te bieden.

Het Gerecht stelt voorop dat van medeplichtigheid sprake is als iemand hulp verleent bij een misdrijf dat door een ander wordt begaan. Een nalaten, zoals ten laste is gelegd, kan als strafbare medeplichtigheid worden aangemerkt als er een rechtsplicht tot handelen kan worden vastgesteld. Dit wordt ‘passieve medeplichtigheid’ genoemd. Hiervan is in het algemeen sprake wanneer ‘iemand in strijd met een op hem rustende rechtsplicht opzettelijk nalaat te beletten dat het misdrijf wordt gepleegd’.

Voor strafbare medeplichtigheid is daarnaast opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, vereist. Dit opzet moet zijn gericht op de eigen hulpverlening en op het misdrijf ten aanzien waarvan hulp verleend wordt. Ten aanzien van de medeplichtige dient bij de bewezenverklaring en kwalificatie te worden uitgegaan van de door de dader verrichte handelingen, ook indien het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan. Vereist is dat het misdrijf waarop het opzet van de medeplichtige was gericht, voldoende verband houdt met het gronddelict. Doorgaans zal kunnen worden aangenomen dat dit verband bestaat indien het misdrijf waarop het opzet van de medeplichtige was gericht, een onderdeel vormt van het gronddelict.

Uit de bewijsmiddelen, waaronder de verklaringen van verdachte, leidt het Gerecht af dat verdachte zich ervan bewust was dat medeverdachte [medeverdachte] haar zoon [slachtoffer 1] - in de periode voorafgaand aan het fatale letsel - regelmatig mishandelde. Verdachte verklaarde op 25 november 2017: “Gedurende augustus/september 2017 begon ik te merken dat [medeverdachte] mijn zonen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] begon te mishandelen. Dit heb ik gemerkt doordat, wanneer ik van werk thuis aankom, voornoemde zonen klagen van pijn. Vaak hebben zij ook hematomen, striemen en blauwe plekken op hun lijf. Zij werden door [medeverdachte] mishandeld wanneer ik op het werk ben, doordat hij met al mijn kinderen alleen thuis blijft. Van [slachtoffer 1] heb ik begrepen dat zij door [medeverdachte] met zijn open hand, met zijn vuisten, met de bezemsteel en met de slippers worden mishandeld.” Op 29 november 2017 verklaarde verdachte: “Hij martelde hen. Wanneer ik thuis kwam van werk zag ik de kinderen slapen maar ze waren niet goed. Hij pleegde de mishandelingen niet in mijn bijzijn. Hij sloeg hen aan hun hoofd met zijn open hand”. Verdachte verklaarde op 2 december 2017: “Na september begon [slachtoffer 1] te klagen dat [medeverdachte] hem een pak slag gaf. [slachtoffer 2] was te klein om aan mij te komen vertellen. Het enige wat hij tegen mij zei was: “Sota”. Nadat zijn moeder naar het buitenland ging merkte ik dat hij hen erger begon te slaan. Dat was begin september 2017. [slachtoffer 1] zei tegen mij dat [medeverdachte] hem met een stok sloeg en ik zag rode vlekken aan de benen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2].” Voorts verklaarde verdachte: “Ik vroeg [slachtoffer 1] waarom hij rode vlekken had aan zijn benen. Hij zei dat [medeverdachte] hem geslagen had en ik heb hem niet naar de dokter gebracht doordat ik het niet zo erg vond. Ik dacht dat [slachtoffer 1] misschien iets had gedaan waardoor hij door [medeverdachte] geslagen werd.” Over de periode tussen 15 september en eind september 2017 verklaarde verdachte: “[slachtoffer 1] was meestal aan het liggen doordat hij pijn had. Hij kon niet eens naar de badkamer lopen doordat hij veel pijn aan zijn heup had. Na een maand begon hij weer te lopen”. Ter terechtzitting van 15 juni 2018 heeft verdachte onder meer verklaard: “De kinderen klaagden over pijn als ik thuis kwam van werk. [slachtoffer 1] heeft mij verteld dat hij door [medeverdachte] met een bezemsteel werd geslagen. Toen [slachtoffer 2] nog leefde werd [slachtoffer 1] al ernstig mishandeld door [medeverdachte]. [medeverdachte] mishandelde [slachtoffer 1] veel meer dan [slachtoffer 2].”

Dat verdachte zich bewust was van de ernstige situatie waarin haar kinderen zich bevonden blijkt ook uit het feit dat zij twee keer getracht heeft om met de kinderen het appartement te verlaten.

Uit de verklaringen van verdachte van 29 november 2017 en 2 december 2017 volgt dat zij op 26 september 2017, toen zij thuis kwam van haar werk, [slachtoffer 2] in de badkamer aantrof. Ze zag dat zijn achterwerk paars was. [slachtoffer 1] vertelde aan verdachte dat [medeverdachte] hem met een slof had geslagen. Hij had meerdere malen met woede geslagen. [slachtoffer 2] vertelde zelf dat hij een pak slaag had gekregen. De volgende ochtend merkte verdachte dat [slachtoffer 2] niet meer reageerde. Ze deed de deken van hem af en voelde dat hij helemaal koud was. Er kwam schuim uit zijn neus. Hij ademde niet meer en was stijf. [medeverdachte] vertrok met het lichaam van [slachtoffer 2]. Toen hij later alleen weer thuis kwam had hij tegen verdachte gezegd dat als hij de politie bij hun huis zag komen hij haar en al de kinderen in huis zou vermoorden. Het Gerecht gaat ervan uit dat verdachte, zeker na de dood en verdwijning van [slachtoffer 2], wist waartoe medeverdachte [medeverdachte] in staat was. Op 25 november 2017 heeft verdachte bovendien verklaard: “Ik vrees voor het leven van [slachtoffer 2], doordat ik weet dat [medeverdachte] tot alles in staat is”.

Op verdachte rustte, als moeder van [slachtoffer 1], een bijzondere zorgplicht voor het leven, de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van haar zoon. Op grond van deze zorgplicht was verdachte gehouden maatregelen te nemen ter voorkoming van de gewelddadige gedragingen van medeverdachte [medeverdachte], die de veiligheid, gezondheid, het welzijn en het leven van haar zoon rechtstreeks bedreigden. Het treffen van maatregelen was niet alleen geboden, maar ook mogelijk. Verdachte had naar het oordeel van het Gerecht in ieder geval de keren dat zij naar haar werk ging, de mogelijkheid collega’s, familie en/of hulpverlenende instanties om hulp te vragen. Dit heeft zij nagelaten. Verdachte verklaarde hierover ter terechtzitting van 15 juni 2018: “Niemand kon mij helpen. Ik kon niemand erover vertellen. [medeverdachte] bedreigde mij. Als ik iets zou vertellen aan de politie, en hij zou de politie zien aankomen, dan zou hij ons doden. Op dat moment kon ik niets anders doen. Ik had op dat moment niemand om mij te helpen. Als de politie naar de plek zou gaan waar mijn kinderen waren dan zou [medeverdachte] doen wat hij van plan was te doen.” Het Gerecht gaat ervan uit dat verdachte, zeker na de dood en vermissing van [slachtoffer 2], zich bewust was van de risico’s die het niet tijdig ingrijpen met zich bracht. Nu verdachte de risico’s kende en geen hulp heeft gezocht, is het gerecht van oordeel dat zij zich onvoldoende heeft ingespannen om haar kinderen in veiligheid te brengen. Zij heeft haar zorgplicht als moeder geschonden en welbewust de aanmerkelijk kans aanvaard dat zij medeverdachte [medeverdachte] - tijdens haar afwezigheid - de gelegenheid gaf haar zoon [slachtoffer 1] ernstig te mishandelen, met alle risico’s van dien. Het feit dat medeverdachte [medeverdachte] verdachte ook regelmatig ernstig mishandelde en dat zij veelvuldig door hem werd bedreigd, maakt, hoe ernstig ook, het oordeel dat ingrijpen door verdachte geboden en mogelijk was, niet anders. Als moeder rustte op haar de taak om het leven van haar kinderen te beschermen, zo nodig ten koste van haar eigen leven en veiligheid. Het gerecht zal met de moeilijke omstandigheden waarin verdachte verkeerde wel rekening houden bij het bepalen van de strafmaat.

Alles afwegende is het Gerecht, met de officieren van justitie, van oordeel dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de medeplichtigheid aan de doodslag op [slachtoffer 1], zoals onder feit 1 subsidiair ten laste is gelegd en aan de medeplichtigheid aan het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer 1], zoals onder feit 2 subsidiair ten laste is gelegd. Het Gerecht is van oordeel dat ook voor het bepalen van de hoogte van de straf, ten aanzien van voornoemde feiten, dient te worden uitgegaan van deze kwalificaties, omdat het opzet van medeverdachte [medeverdachte] en het voorwaardelijk opzet van verdachte, ten aanzien van deze feiten, corresponderen.

5.3.

Ten aanzien van de feiten 4 primair, 5 primair, 5 subsidiair en 5 meer subsidiair (medeplegen doodslag op [slachtoffer 2], medeplegen zware mishandeling van [slachtoffer 2], medeplichtigheid aan zware mishandeling [slachtoffer 2] en medeplegen mishandeling [slachtoffer 2]).

Met de officieren van justitie en de raadsman is het Gerecht van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van de doodslag op [slachtoffer 2] en het medeplegen van zware mishandeling van [slachtoffer 2], zodat verdachte daarvan wordt vrijgesproken.

Anders dan de officier van justitie en met de raadsman is het Gerecht van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat verdachte zich heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan zware mishandeling van [slachtoffer 2] door medeverdachte [medeverdachte], zodat verdachte daarvan eveneens dient te worden vrijgesproken. Het Gerecht overweegt hiertoe dat, zoals in de strafzaak van medeverdachte [medeverdachte] is vastgesteld, niet bewezen is dat medeverdachte [medeverdachte] zich aan zware mishandeling van [slachtoffer 2] heeft schuldig gemaakt, zodat verdachte aan dit feit ook niet medeplichtig kan zijn geweest.

Tenslotte acht het Gerecht het medeplegen van mishandeling van [slachtoffer 2] niet bewezen, omdat geen sprake is van de daarvoor vereiste bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte].

5.4.

Ten aanzien van de feiten 4 subsidiair en 5 uiterst subsidiair (medeplichtigheid aan de doodslag op [slachtoffer 2] en medeplichtigheid aan mishandeling van [slachtoffer 2]).

5.4.1.

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft ter terechtzitting betoogd dat verdachte van het onder 4 subsidiair tenlastegelegde feit dient te worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat in het dossier geen enkel aanknopingspunt te vinden is voor de stelling dat verdachte de medeverdachte [medeverdachte] opzettelijk behulpzaam is geweest of opzettelijk gelegenheid heeft verschaft bij het beroven van het leven van [slachtoffer 2]. Daarnaast ontbreekt het opzet (ook in voorwaardelijke zin) op de dood van [slachtoffer 2].

Ten aanzien van het onder 5 uiterst subsidiair tenlastegelegde feit heeft de raadsman eveneens vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte [slachtoffer 2] weleens corrigerende tikken gaf maar dat er geen sprake is van mishandeling.

5.4.2.

Oordeel van het Gerecht

Onder de feiten 4 subsidiair en 5 uiterst subsidiair wordt verdachte respectievelijk verweten dat zij medeplichtig is geweest aan de doodslag op [slachtoffer 2] en dat zij medeplichtig is geweest aan het mishandelen van [slachtoffer 2], door medeverdachte [medeverdachte] opzettelijk de gelegenheid tot die misdrijven te geven door toe te laten dat [medeverdachte] haar kind (zwaar) mishandelde, door niet tijdig in te grijpen en haar kind niet tijdig in een veilige situatie te brengen en door haar kind geen bescherming te bieden.

Uit de bewijsmiddelen, waaronder de verklaringen van verdachte die voor een gedeelte reeds in rubriek 5.2.2. zijn opgenomen, leidt het Gerecht af dat verdachte zich er bewust van was dat haar zoon [slachtoffer 2] - in de periode voorafgaand aan het fatale letsel - regelmatig door medeverdachte [medeverdachte] werd mishandeld.

Ook ten aanzien van [slachtoffer 2] rustte op verdachte, als moeder zijnde, een bijzondere zorgplicht voor het leven, de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van haar zoon. Op grond van die zorgplicht was verdachte gehouden maatregelen te nemen ter voorkoming van de mishandeling van [slachtoffer 2] door medeverdachte [medeverdachte]. Het treffen van maatregelen was, zoals reeds overwogen, niet alleen geboden, maar ook mogelijk. Doordat verdachte zich onvoldoende heeft ingespannen om haar kinderen in veiligheid te brengen dan wel hulp te zoeken, heeft zij welbewust de aanmerkelijk kans aanvaard dat zij medeverdachte [medeverdachte] - tijdens haar afwezigheid - de gelegenheid gaf haar zoon [slachtoffer 2] te mishandelen. Verdachte is om deze redenen medeplichtig aan de mishandeling van [slachtoffer 2] door medeverdachte [medeverdachte].

Voor een bewezenverklaring van medeplichtigheid aan de doodslag op [slachtoffer 2] is noodzakelijk dat het misdrijf waarop het opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, van de verdachte was gericht, voldoende verband houdt met de doodslag op [slachtoffer 2], zijnde het gronddelict. Daarvan is naar oordeel van het Gerecht sprake. Verdachte heeft (voorwaardelijk) opzet gehad op de medeplichtigheid aan mishandeling (de dood ten gevolge hebbend), welk delict voldoende verband houdt met het gronddelict, te weten de doodslag van [slachtoffer 2].

Alles afwegende is het Gerecht van oordeel dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de medeplichtigheid aan de doodslag op [slachtoffer 2], zoals onder feit 4 subsidiair is ten laste gelegd en de medeplichtigheid aan de mishandeling van [slachtoffer 2], zoals onder feit 5 uiterst subsidiair is ten laste gelegd. Voor het bepalen van de straf wordt ten aanzien van het onder feit 4 subsidiair bewezenverklaarde uitgegaan van medeplichtigheid aan mishandeling (de dood ten gevolge hebbend), omdat het voorwaardelijk opzet van de verdachte daarop was gericht.

6 Bewezenverklaring

6.1

Het Gerecht acht - op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en de als bijlage II aan dit vonnis gehechte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3, 4 subsidiair, 5 uiterst subsidiair en 6 tenlastegelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:

1. subsidiair:

dat [medeverdachte] in of omstreeks de periode van 21 november 2017 tot en met 24 november 2017 te Aruba [slachtoffer 1] opzettelijk van het leven heeft beroofd door die [slachtoffer 1] een of meermalen met kracht tegen diens hoofd te slaan,

tot het plegen van welk misdrijf zij, verdachte, medeplichtig is geweest door toen en daar (telkens) opzettelijk gelegenheid tot dit misdrijf te geven door toe te laten dat die [medeverdachte] haar kind (zwaar) mishandelde en/of door niet (tijdig) in te grijpen en/of door haar kind niet (tijdig) in een veilige situatie te brengen en/of door haar kind geen bescherming te bieden;

2. subsidiair:

dat [medeverdachte] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2017 tot en met 20 november 2017 te Aruba aan [slachtoffer 1] (zijnde een kind dat hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (namelijk telkens een of meer botbreuken en/of een of meer brandwonden) heeft toegebracht door die [slachtoffer 1] (telkens) een of meermalen met kracht met zijn hand en/of vuist, en/of een bezemsteel en/of slippers tegen diens lichaam te slaan en/of kokend water op het lichaam (bovenbeen en/of onderbuik en/of geslachtsdeel) van die [slachtoffer 1] te gooien en/of brandende sigaretten op het lichaam van die [slachtoffer 1] uit te drukken,

tot het plegen van welk misdrijf zij, verdachte, medeplichtig is geweest door toen en daar (telkens) opzettelijk gelegenheid tot dit misdrijf te geven door toe te laten dat die [medeverdachte] haar kind (zwaar) mishandelde en/of door niet (tijdig) in te grijpen en/of door haar kind niet (tijdig) in een veilige situatie te brengen en/of door haar kind geen bescherming te bieden;

3. zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2017 tot en met 24 november 2017 te Aruba (telkens) opzettelijk [slachtoffer 1], tot wiens onderhoud zij als zijn moeder krachtens de wet verplicht was, in een hulpeloze toestand heeft gelaten door, terwijl zij wist dat die [slachtoffer 1] toen en daar herhaaldelijk door haar levensgezel [medeverdachte] (zwaar) werd mishandeld en zich daartegen niet kon verweren, niet (tijdig) in te grijpen en/of hem niet (tijdig) in een veilige situatie te brengen en/of hem geen bescherming te bieden en/of hem (tijdige) adequate medische hulp en/of verzorging te onthouden, terwijl deze feiten de dood en/of zwaar lichamelijk letsel van die [slachtoffer 1] ten gevolge had(den);

4. subsidiair:

dat [medeverdachte] in of omstreeks de periode van 1 september 2017 tot en met 31 oktober 2017 te Aruba [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven heeft beroofd door die [slachtoffer 2] een of meermalen met kracht tegen diens hoofd te slaan (waardoor die [slachtoffer 2] met zijn hoofd tegen een wc-pot viel),

tot het plegen van welk misdrijf zij, verdachte, medeplichtig is geweest door toen en daar (telkens) opzettelijk gelegenheid tot dit misdrijf te geven door toe te laten dat die [medeverdachte] haar kind (zwaar) mishandelde en/of door niet (tijdig) in te grijpen en/of door haar kind niet (tijdig) in een veilige situatie te brengen en/of door haar kind geen bescherming te bieden;

5. uiterst subsidiair:

dat [medeverdachte] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2017 tot en met 20 november 2017 te Aruba aan [slachtoffer 2] (zijnde een kind dat hij verzorgde of opvoedde als behorend tot zijn gezin) heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] (telkens) een of meermalen met kracht met zijn hand of vuist, een bezemsteel en/of slippers tegen diens lichaam te slaan,

tot het plegen van welk misdrijf zij, verdachte, medeplichtig is geweest door toen en daar (telkens) opzettelijk gelegenheid tot dit misdrijf te geven door toe te laten dat die [medeverdachte] haar kind (zwaar) mishandelde en/of door niet (tijdig) in te grijpen en/of door haar kind niet (tijdig) in een veilige situatie te brengen door haar kind geen bescherming te bieden;

6. zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2017 tot en met 24 november 2017 te Aruba (telkens) opzettelijk [slachtoffer 2], tot wiens onderhoud zij als zijn moeder krachtens de wet verplicht was, in een hulpeloze toestand heeft gelaten door, terwijl zij wist dat die [slachtoffer 2] toen en daar herhaaldelijk door haar levensgezel [medeverdachte] (zwaar) werd mishandeld en zich daartegen niet kon verweren, niet (tijdig) in te grijpen en/of hem niet (tijdig) in een veilige situatie te brengen en/of hem geen bescherming te bieden en/of hem (tijdige) adequate medische hulp en/of verzorging te onthouden, terwijl deze feiten de dood en/of zwaar lichamelijk letsel van die [slachtoffer 2] ten gevolge had(den);

6.2

Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

7 Kwalificatie en strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair

Medeplichtigheid aan doodslag,

strafbaar gesteld bij artikel 2:259 juncto 1:124 van het Wetboek van Strafrecht;

Ten aanzien van feit 2 subsidiair

Medeplichtigheid aan het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel, begaan tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 2:275 juncto de artikelen 2:277 en 1:124 van het Wetboek van Strafrecht;

Ten aanzien van feit 3

Opzettelijk iemand tot wiens onderhoud of verzorging zij krachtens de wet verplicht is, in een hulpeloze toestand laten, terwijl dit feit zwaar lichamelijk letsel en de dood van diegene ten gevolge heeft gehad,

strafbaar gesteld bij artikel 2:216 juncto de artikelen 2:218 en 2:219 van het Wetboek van Strafrecht;

Ten aanzien van feit 4 subsidiair

Medeplichtigheid aan doodslag,

strafbaar gesteld bij artikel 2:259 juncto 1:124 van het Wetboek van Strafrecht;

Ten aanzien van feit 5 uiterst subsidiair

Medeplichtigheid aan mishandeling, begaan tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 2:273 juncto de artikelen 2:277 en 1:124 van het Wetboek van Strafrecht;

Ten aanzien van feit 6

Opzettelijk iemand tot wiens onderhoud of verzorging zij krachtens de wet verplicht is, in een hulpeloze toestand laten, terwijl dit feit de dood van diegene ten gevolge heeft gehad,

strafbaar gesteld bij artikel 2:216 juncto de artikelen 2:218 en 2:219 van het Wetboek van Strafrecht;

Het bewezenverklaarde is strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid ervan opheffen of uitsluiten.

8 Strafbaarheid van de verdachte

8.1.

Bevindingen en conclusies van de gedragsdeskundigen

Zowel door psychiater Kingsale als psycholoog Wichard is over de persoon van de verdachte gerapporteerd.

Psychiater Kingsale overweegt in haar rapport van 22 februari 2018 dat er bij verdachte sprake is van het Battered Woman Syndrome naast een depressieve stoornis, nu deels in remissie. Er is sprake van aangeleerde hulpeloosheid. Vanuit haar hulpeloosheid ontwikkelde ze het gevoel dat ze niets kon doen. Verdachte was vanuit haar angst en de aangeleerde hulpeloosheid niet voldoende in staat om haar kinderen uit de gevaarlijke situatie te halen en ze te beschermen. Indien het ten laste gelegde bewezen wordt, mag verdachte als sterk verminderd toerekeningsvatbaar worden beschouwd.

Psycholoog Wichard overweegt in haar rapport van 15 maart 2018 dat verdachte over voldoende intelligentie lijkt te beschikken om het verschil tussen “goed” en “kwaad” en tussen het toelaatbare en niet-toelaatbare in de samenleving te moeten begrijpen. Verdachte zou de consequenties van haar eigen handelen moeten kunnen overzien. Verdacht omschrijft zichzelf als gemiddeld assertief. Verdachte lijkt te beschikken over een eigen mening en zou in voldoende mate moeten kunnen opkomen voor haar mening. Verdachte is redelijk individualistisch ingesteld en zou in staat moeten zijn om zelfstandig beslissingen te kunnen nemen. Verdachte beschikt over een gemiddeld relaxte houding/instelling en zal zich niet heel snel zorgen maken over dingen. Verdachte lijkt in gemiddelde mate als zelfverzekerd te kunnen worden omschreven. Vergeleken met de landelijke populatie scoort verdachte hoog als het gaat om agressiviteit. Verdachte wordt beoordeeld als volledig toerekeningsvatbaar.

Bij het onderzoek ter terechtzitting van d.d. 15 juni 2018 heeft het gerecht de zaak verwezen naar de rechter-commissaris teneinde een onafhankelijke psychiater (op Curaçao) te benoemen tot deskundige en opdracht gegeven tot het uitbrengen van een schriftelijk verslag aan het gerecht. Dit onderzoek werd verricht ter verkrijging van een “second opinion” met betrekking tot de vraag in hoeverre de verweten gedragingen toerekenbaar zijn aan verdachte, nu de gedragsdeskundigen hier verschillend over hebben gerapporteerd. In dat kader is door psychiater Matroos aanvullend gerapporteerd over de persoon van de verdachte.

Psychiater Matroos overweegt in zijn rapport van 20 augustus 2018 dat verdachte het delict niet kan worden toegerekend. Volgens de psychiater dient verdachte eerder als slachtoffer dan als dader te worden beschouwd. Verdachte is slachtoffer van een ernstige vorm van relationeel geweld en is daarbij ernstig getraumatiseerd.

Verdachte is depressief.

Naar aanleiding van aanvullende vragen van het Gerecht heeft psychiater Matroos op 23 augustus 2018 onder meer gerapporteerd dat bij verdachte geen sprake is van een psychiatrische stoornis in engere zin. Verdachte is slachtoffer in deze zaak en haar reactie gedurende de gebeurtenissen is gepast voor iemand met een beperkte intelligentie en de daarbij horende beperkte copingvaardigheden (omgaan met problemen).

8.2.

Toerekenbaarheid

8.2.1

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft ter terechtzitting van 24 augustus 2018 verzocht de conclusies van de psychiater Matroos over te nemen en verdachte niet toerekeningsvatbaar te verklaren. Verdachte stond onder invloed van medeverdachte [medeverdachte] ten tijde van de gebeurtenissen. Er is sprake van een depressieve stoornis naast nervositeit en angsten. Het niet handelen door verdachte kan daaruit worden verklaard. Gezien de psychische gesteldheid van verdachte was zij niet in staat meer te doen dan zij heeft gedaan om haar kinderen te beschermen.

8.2.2.

Oordeel van het Gerecht

Ter boordeling van het Gerecht staat of de bewezenverklaarde feiten de verdachte kunnen worden toegerekend. Dit is niet het geval indien bij de verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens bestond waardoor verdachte onvoldoende inzicht had in de draagwijdte van haar handelen en onvoldoende in staat was haar wil overeenkomstig dat inzicht te bepalen. Het Gerecht heeft bij de beoordeling acht geslagen op het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting en op de over verdachte uitgebrachte rapportages van de gedragsdeskundigen.

Het Gerecht is van oordeel dat het strafdossier, het verhandelde ter terechtzitting en de bevindingen en conclusies van de gedragsdeskundigen, in onderlinge samenhang bezien, onvoldoende aanknopingspunten bieden voor de conclusie dat bij verdachte, ten tijde van de bewezenverklaarde feiten, sprake is geweest van een gebrekkige ontwikkeling of een ziekelijke stoornis van haar geestvermogens. Het Gerecht komt dan ook tot het oordeel dat alle bewezenverklaarde feiten de verdachte volledig kunnen worden toegerekend.

8.3.

Psychische overmacht

8.3.1

Standpunt van de raadsman

De raadsman heeft ter terechtzitting van 15 juni 2018 betoogd dat verdachte een beroep op psychische overmacht toekomt, zodat zij dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Hij heeft daartoe aangevoerd dat sprake was van een exceptionele drang van buiten waaraan verdachte, gelet op haar syndroom (Battered Woman Syndrome), geen weerstand kon bieden. Verdachte werd langdurig ernstig mishandeld en bedreigd en is daarom ook zelf slachtoffer. Verdachte kon niet in vrijheid beslissen en evenmin kon zij anders handelen dan zij deed.

8.3.2

Oordeel van het Gerecht

Het Gerecht stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op psychische overmacht vereist is dat sprake is geweest van een van buiten komende drang waaraan verdachte redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefte te bieden.

Bij de beoordeling dient het Gerecht enerzijds rekening te houden met de persoonlijkheid van de verdachte - wat kan van de verdachte gevergd worden -, terwijl tevens een zekere objectivering dient plaats te vinden. Richtinggevend zijn de eisen die aan met de verdachte vergelijkbare mensen, die zich in vergelijkbare omstandigheden bevinden, kunnen worden gesteld. Bij die beoordeling spelen de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit een rol. Het subsidiariteitsbeginsel houdt in dat de verdachte geen andere mogelijkheid moet hebben gehad om onder de druk uit te komen. Het vereiste van proportionaliteit houdt in, dat het geschade belang in een redelijke verhouding staat met het beschermde belang. Hoe ernstiger het strafbare feit, hoe zwaarder de toets zal zijn of van de verdachte redelijkerwijs geen ander handelen mocht worden gevergd. Een verdachte die onder psychische druk tot het plegen van een delict is gedwongen, gaat niet vrij uit als hij/zij niet alles gedaan heeft wat redelijkerwijze van hem/haar verwacht mocht worden om in de steeds bedreigender wordende situatie verandering te brengen. Bijvoorbeeld door zich te wenden tot mensen of instanties die hem/haar hulp hadden kunnen verlenen, zoals de politie, een arts of een maatschappelijk werker.

Het Gerecht stelt vast dat het in de onderhavige zaak gaat om strafbare feiten van de zwaarste categorie. Van twee jonge kinderen is het hoogste goed, namelijk hun leven, ontnomen. Verdachte is aan deze ernstige misdrijven medeplichtig geweest. Bij dergelijke strafbare feiten wordt alleen in zeer uitzonderlijke gevallen een beroep op psychische overmacht aanvaard.

Vaststaat dat verdachte regelmatig en in ernstige mate werd mishandeld en bedreigd door medeverdachte [medeverdachte]. De vraag waarvoor het Gerecht zich gesteld ziet is of verdachte aan deze van buiten komende drang redelijkerwijs geen weerstand kon en ook niet behoefte te bieden, zodat het toelaten dat [medeverdachte] haar kinderen (zwaar) mishandelde, het niet tijdig ingrijpen, het niet tijdig in een veilige situatie brengen van haar kinderen en het niet beschermen van haar kinderen verontschuldigbaar is. Voor het beantwoorden van die vraag is het van belang te weten wat voor persoonlijkheid de verdachte heeft.

Het Gerecht overweegt dat de psychiaters Kingsale en Matroos zich bij hun onderzoek, waarvan de bevindingen voor een gedeelte reeds in rubriek 8.1. zijn vermeld, in belangrijke mate hebben gebaseerd op de gesprekken met verdachte. Er zijn echter ook andere, niet door de psychiaters gebruikte bronnen, die iets zeggen over de persoon van de verdachte. Volgens getuige [getuige 1], de zus van verdachte, is verdachte heel agressief. Als verdachte nerveus is, dan wordt ze agressief. Ze begint dan te schelden en wordt kwaad. Ook getuige [getuige 2] beschrijft verdachte als een agressief persoon. Tenslotte is door verschillende buren verklaard dat zij woordenwisselingen hebben gehoord tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte]. Het Gerecht is van oordeel dat uit voornoemde getuigenverklaringen, in samenhang bezien met het onderzoek van de psycholoog, waarvan de bevindingen voor een gedeelte reeds in rubriek 8.1. zijn vermeld, niet het beeld naar voren komt dat verdachte in het geheel niet voor haarzelf en de kinderen durfde op te komen. Dit blijkt ook uit het gegeven dat verdachte medeverdachte [medeverdachte] meer dan één keer heeft aangesproken op zijn gedrag, heeft geprobeerd met haar kinderen te vluchten.

Nu verdachte, in ieder geval de keren dat zij naar haar werk toe ging, in de gelegenheid was het huis te verlaten, bestond voor haar de mogelijkheid om familie, vrienden en/of collega’s om hulp te vragen. Ook had zij de mogelijkheid naar de politie of andere hulpverlenende instantie toe te gaan. Dit heeft verdachte, hoewel zij - gelet op haar persoonlijkheid - hiertoe wel in staat moet zijn geweest, nagelaten. Hoewel verdachte onder grote druk stond van medeverdachte [medeverdachte], is het Gerecht van oordeel dat van verdachte, als moeder van de kinderen, meer had mogen worden verwacht om de steeds dreigendere situatie te veranderen en haar kinderen te beschermen.

Gelet op het vorenstaande is het Gerecht, met de officier van justitie, van oordeel dat het beroep op psychische overmacht dient te worden verworpen.

Verdachte is strafbaar aangezien ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

9 Oplegging van straf

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Het Gerecht heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Medeverdachte [medeverdachte] heeft zich langdurig en veelvuldig schuldig gemaakt aan respectievelijk zware mishandeling en mishandeling begaan tegen de aan zijn zorg toevertrouwde zoontjes van verdachte, [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Daarnaast heeft medeverdachte [medeverdachte] zich schuldig gemaakt aan de doodslag van beide jongetjes, doordat hij ze dusdanig hard heeft geslagen, dat zij ten gevolgde van de verwondingen die zij daarbij opliepen, zijn overleden. Verdachte is medeplichtig aan deze feiten omdat zij medeverdachte [medeverdachte] daarvoor de gelegenheid heeft geboden. Verdachte heeft, terwijl dat als moeder van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op haar weg lag, in onvoldoende mate ingegrepen of hulp gezocht.

Kindermishandeling roept gevoelens op van afschuw, onbegrip en boosheid. Niet alleen in de naaste omgeving, maar ook in de maatschappij. Dit geldt des te meer nu de jongetjes, ten gevolge van het op hen door medeverdachte [medeverdachte] toegepaste geweld, zijn overleden. Verdachte had als moeder zijnde een bijzondere zorgplicht voor het leven, de veiligheid, de gezondheid en het welzijn van haar zoontjes en was gehouden maatregelen te nemen ter voorkoming van het door medeverdachte [medeverdachte] toegepaste geweld. Dat verdachte hierin is tekort geschoten rekent het Gerecht verdachte zwaar aan.

Ten aanzien van het onder feit 4 subsidiair bewezenverklaarde feit houdt het Gerecht, in het kader van de strafmaat, rekening met de medeplichtigheid aan mishandeling (de dood ten gevolge hebbend), omdat het voorwaardelijk opzet van de verdachte daarop was gericht.

De verdachte is, zo blijkt uit haar uittreksel uit het justitieel documentatieregister, niet eerder veroordeeld wegens het plegen van strafbare feiten.

Het Gerecht heeft als straf verlichtende omstandigheden mee laten wegen dat verdachte twee kinderen heeft verloren en dat zij gedurende lange tijd ernstig is mishandeld door medeverdachte [medeverdachte]. Ook weegt het Gerecht de jeugdige leeftijd van verdachte mee als straf verlichtende omstandigheid.

Bij het bepalen van de straf heeft het Gerecht acht geslagen op de gedragsdeskundige rapportages. Om de kans op recidive te verlagen wordt door psychiater Kingsale en psycholoog Wichard psychologische behandeling geadviseerd. Volgens Wichard dient de behandeling te zijn gericht op het verwerken van de gebeurtenissen, waarbij het niet alleen gaat om de mishandelingen gepleegd door medeverdachte [medeverdachte] maar ook om het overlijden van haar twee zoons. Verdachte lijkt in mindere mate om te kunnen gaan met haar emoties, waardoor een emotie-regulatietraining op zijn plaats lijkt. Ook psychiater Matroos heeft geconcludeerd dat verdachte langdurige intensieve begeleiding nodig heeft. Verdachte is ernstig getraumatiseerd, depressief en ze gaat gebukt onder schuldgevoelens.

Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden ziet het Gerecht aanleiding om een lagere straf op te leggen dan door de officier van justitie gevorderd.

Het Gerecht komt tot de slotsom dat een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van voorarrest, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren met als bijzondere voorwaarde reclasseringstoezicht, ook als dit inhoudt dat verdachte dient mee te werken aan diagnose en behandeling door een psycholoog en/of psychiater en dat verdachte geen contact zal (laten) leggen met medeverdachte [medeverdachte] en hun gezamenlijke kind, tenzij dit contact in aanwezigheid van de reclassering zal zijn en/of in aanwezigheid van een hulpverlenende instantie na toestemming van de reclassering, zulks zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:13, 1:19, 1:20, 1:21, 1:22 ,1:62, 1:124, 1:125 en 1:136 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

11 BESLISSING

Het Gerecht:

11.1

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, 2 primair, 4 primair en 5 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste is gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

11.2

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 3, 4 subsidiair, 5 uiterst subsidiair en 6 tenlastegelegde feiten heeft begaan;

11.3

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;

11.4

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

11.5

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

11.6

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 3 (drie) jaren;

11.7

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

11.8

bepaalt dat een gedeelte van deze straf, groot 1 (één) jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

11.9

als bijzondere voorwaarden worden gesteld dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens de Stichting Reclassering Aruba, ook als dit inhoudt dat verdachte dient mee te werken aan diagnose en behandeling door een psycholoog en/of psychiater en dat verdachte geen contact zal (laten) leggen met medeverdachte [medeverdachte] en/of hun gezamenlijke kind, tenzij dit contact in aanwezigheid van de reclassering zal zijn en/of in aanwezigheid van een hulpverlenende instantie na toestemming van de reclassering, zulks zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt;

11.10

geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. Y.M. Vanwersch, bijgestaan door mr. K. Bruil, en op 14 september 2018 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Aruba.