Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2018:540

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
12-09-2018
Datum publicatie
17-09-2018
Zaaknummer
AUA201801816
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Schorsing alimentatiebeschikking afgewezen; Geen klaarblijkelijke juridische of feitelijke misslag of noodtoestand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 12 september 2018

Behorend bij K.G. no. AUA201801816

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[eiser],

wonende in Aruba,

eiser,

hierna ook te noemen: [eiser],

gemachtigde: de advocaat mr. J.A.R. Bryson,

tegen:

[gedaagde],

wonende in Aruba,

gedaagde,

hierna ook te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: de advocaat mr. G.L. Griffith.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties;

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van de zaak ter terechtzitting van 24 augustus 2018.

1.2

Partijen zijn ter zitting verschenen samen met hun respectieve gemachtigden. Partijen hebben in twee termijnen het woord gevoerd, beiden mede aan de hand van een overgelegde pleitnota voorzien van toegelaten producties, en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen.

1.3

Vonnis is bepaald op heden.

2 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

2.1 [

eiser] vordert dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

a. bepaalt dat de (verdere) executie zijdens [gedaagde] van de tussen partijen door dit Gerecht op 15 mei 2017 in de zaak E.J. 1633 van 2016 gegeven beschikking voor wat betreft de door [eiser] te betalen partneralimentatie (hierna: de alimentatiebeschikking) schorst; althans

b. [gedaagde] beveelt de (verdere) executie van de alimentatiebeschikking te staken en gestaakt te houden, al dan niet onder oplegging aan [gedaagde] van dwangsommen; althans

c. bepaalt dat de aan [gedaagde] verschuldigde alimentatie bij wijze van verrekening althans regres in mindering mag worden gebracht op het achterstallig en toekomstig aandeel van [gedaagde] in de schuld van de reeds ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van partijen, zijnde de hypothecaire schuld en de daarmee gemoeid gaande verzekeringspremies;

d. een gebruiksvergoeding vaststelt ten behoeve van [eiser] voor het gebruik door [gedaagde] van zijn aandeel in de voormalige echtelijke woning van partijen gelegen in Aruba te [adres], en dat zolang [gedaagde] in die woning blijft wonen;

e. bepaalt, voor het geval dat het onder a en/of b en/of c verzochte wordt afgewezen, dat de door [eiser] aan [gedaagde] verschuldigde alimentatie, ook het achterstallige deel, bij wijze van verrekening althans regres in mindering mag worden gebracht op de door [gedaagde] aan [eiser] verschuldigde gebruiksvergoeding zoals hiervoor onder d verzocht;

f. [gedaagde] veroordeelt om maandelijks de helft van de hypothecaire aflossing en de daarbij behorende verzekeringspremies te betalen tot het moment dat voormelde gemeenschap zal zijn verdeeld tussen partijen;

g. enige andere juiste voorkomende beslissing neemt;

h. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.

2.2 [

gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van het door [eiser] verzochte, kosten rechtens.

2.3

Voor zover van belang worden de stellingen van partijen hierna besproken.

3 DE BEOORDELING

3.1

Niet in geschil is tussen partijen dat er tussen hen een bodemprocedure loopt ter zake van verdeling van hun ontbonden huwelijksgoederengemeenschap, waarin onder meer door [eiser] is verzocht tot toekenning aan hem van een vergoeding voor het gebruik door [gedaagde] van de voormalige echtelijke woning van partijen. Nadat er in die procedure in het verleden tussenvonnis is gewezen, staat de zaak thans voor vonnis op 12 september aanstaande. Aannemelijk is dat in dit vonnis een beslissing zal worden gegeven ter zake het verzoek van [eiser] om gebruiksvergoeding. Tegen die achtergrond valt niet in te zien waarom niet gevergd kan worden van [eiser] om die beslissing van de bodemrechter af te wachten. De vordering onder d. en de daarop gebaseerde vordering onder e. zullen bij gebrek aan spoedeisend belang worden afgewezen. Daar komt nog bij dat [gedaagde] niet of onvoldoende bestreden (al dan niet impliciet) heeft gesteld dat de alimentatierechter reeds een gebruiksvergoeding heeft verdisconteerd in het door [eiser] aan [gedaagde] te betalen bedrag aan partneralimentatie, in die zin dat als [gedaagde] in de woning zou blijven wonen [eiser] maandelijks Afl. 150,-- in plaats van Afl. 450,-- aan partneralimentatie dient te betalen. Ook op deze grond moet de vordering van [eiser] op dit onderdeel worden afgewezen.

3.2

Het spoedeisend belang van [eiser] bij zijn overige vorderingen ligt besloten in de aard van die vorderingen en de daaraan ten gronde gelegde stellingen.

3.3

Ter zake van de vorderingen onder a. en b. wordt het volgende vooropgesteld. Het Gerecht kan slechts de schorsing van de alimentatiebeschikking bevelen, indien het van oordeel is dat het [gedaagde], mede gelet op de belangen aan de zijde van [eiser], geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van haar bevoegdheid om tot (verdere) tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien de alimentatiebeschikking klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien op grond van na die beschikking voorgevallen of aan het licht gekomen feiten de (verdere) executie daarvan klaarblijkelijk aan de zijde van [eiser] een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde (verdere) tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

3.4

In het licht van vorenstaande is gesteld noch gebleken, althans is niet aannemelijk geworden dat de alimentatiebeschikking berust op een klaarblijkelijke juridische of feitelijke misslag. Evenmin is niet aannemelijk geworden dat sprake is van na die beschikking voorgevallen of aan het licht gekomen feiten die meebrengen dat de (verdere) executie daarvan klaarblijkelijk aan de zijde van [eiser] een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard. Dit één en ander brengt mee dat de vorderingen onder a. en b. zullen worden afgewezen.

3.5

De vordering onder g. zal worden afgewezen als zijnde te vaag en onbepaald.

3.6

Ter zake van de vorderingen onder c. en f. wordt het volgende overwogen. [gedaagde] heeft niet of onvoldoende bestreden gesteld dat de alimentatierechter bij de vaststelling van de door [eiser] aan [gedaagde] te betalen partneralimentatie heeft meegewogen dat [eiser] de maandelijkse hypothecaire lasten en de daarmee gemoeid gaande verzekeringspremies zal blijven voldoen. In dat verband ziet het Gerecht geen grond voor toewijzing van het onder f. verzochte. Eveneens in voormeld verband volgt het Gerecht [gedaagde] in haar stelling dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiser] in het licht van de ophanden zijnde verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van partijen (en daarbij behorende verrekeningen tussen partijen van te verrekenen posten) thans door hem te betalen partneralimentatie alvast wenst te verrekenen met (de helft van) door [eiser] verrichte en nog te verrichten betalingen met betrekking tot de hypothecaire schuld van partijen en de daarmee gemoeid gaande verzekeringspremies. De vordering onder c. zal daarom eveneens worden afgewezen.

3.7

De slotsom luidt dat alle vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen. Afweging van de belangen van partijen maakt dat niet anders, omdat het Gerecht geen zwaarwegender belangen ziet aan de zijde van [eiser] bij toewijzing van het door hem verzochte ten opzichte van de belangen van [gedaagde] bij afwijzing daarvan.

3.8 [

eiser] zal, als de in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten gevallen aan de zijde van [eiser], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 1.500,-- aan salaris voor de gemachtigde.

4 DE BESLISSING

Het Gerecht, rechtdoende in kort geding:

-wijst af het door [eiser] verzochte;

-veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [gedaagde], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 1.500,-- aan salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op woensdag 12 september 2018.