Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2018:537

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
12-09-2018
Datum publicatie
17-09-2018
Zaaknummer
AUA201800442
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Huurachterstand

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 12 september 2018

Behorend bij AUA201800442

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

[eiser],

te Aruba,

hierna te noemen: [eiser],

gemachtigde: de advocaat mr. Z.N.J. Laclé,

tegen:

1 [gedaagde 1],

hierna te noemen: [gedaagde 1],

2. [gedaagde 2],

hierna te noemen: [gedaagde 2],

beiden te Aruba,

beiden procederend in persoon.

1 DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift;

- de rolbeschikking van 16 mei 2018;

- de nadere stukken zijdens [eiser];

- de aantekeningen van de griffier ter gelegenheid van de comparitie van partijen op 20 juni 2018.

De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Op 16 september 2015 hebben [eiser] en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] een huurovereenkomst gesloten. Daarbij zijn partijen overeengekomen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gedurende een periode van 12 maanden het appartement [adres] huren, voor een bedrag van Afl. 1.025,- per maand. Partijen zijn verder overeengekomen dat indien de huur niet voor de 15e van de desbetreffende maand is betaald, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] [eiser] een boete van Afl. 50,- verschuldigd zijn. Ten slotte zijn volgens die overeenkomst [gedaagde 1] en [gedaagde 2] [eiser] een bedrag van Afl. 1.025,- verschuldigd als borg.

2.2

Partijen hebben de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden opgezegd met ingang van 22 september 2016. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben op die datum de woning verlaten.

2.3

Bij onderscheiden brieven van 23 maart, 16 juni en 5 september 2017 heeft [eiser] [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gemaand de achterstallige huur en utiliteitskosten te voldoen.

3 DE VORDERING EN HET VERWEER

3.1 [

eiser] vordert – uitvoerbaar bij voorraad – [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van het bedrag van Afl. 6.426,98, vermeerderd met rente en kosten.

3.2

Aan deze vordering legt [eiser] ten grondslag dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet aan de voor hen uit de huurovereenkomst voortvloeiende verplichting tot betaling van huur hebben voldaan en dat zo een huurachterstand van vijf maanden, inclusief utiliteiten, is ontstaan. Omdat de huur niet tijdig is betaald, zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hem ook in totaal Afl. 350,- aan contractuele boete verschuldigd. Verder hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet voldaan aan de voor hen uit de huurovereenkomst voortvloeiende verplichtingen om het appartement in goede staat achter te laten, waardoor hij schade heeft geleden tot een bedrag van Afl. 1.159,95. Dit bedrag heeft hij verrekend met de borg, waarna een bedrag van Afl. 134,98 resteert. In verband met het voorgaande heeft hij ten slotte incassokosten gemaakt, aldus [eiser].

3.3 [

gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Daarop wordt hierna ingegaan.

4. DE BEOORDELING

4.1

In deze zaak is de vraag aan de orde of [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voldaan hebben aan de voor hen uit de huurovereenkomst voortvloeiende verplichtingen.

4.2 [

eiser] heeft gesteld dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de huur, inclusief utiliteiten, gedurende de maanden maart, april, mei, juni en juli 2016 niet hebben betaald. Ter onderbouwing hiervan heeft hij een overzicht overgelegd van alle openstaande en ontvangen betalingen ter zake van het appartement gedurende de gehele huurperiode. Verder heeft hij verwezen naar Whatsapp-correspondentie tussen hem en [gedaagde 2] gedurende de periode tussen 15 juli en 13 september 2016, waarin hij [gedaagde 2] wijst op achterstanden in hun betalingen.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben betwist dat zij een huurachterstand hebben. Zij hebben aangevoerd dat zij de huur steeds hebben betaald via stortingen op de rekening van [eiser]. Van deze betalingen hebben zij nu echter geen bewijs meer, gezien het tijdsverloop van omstreeks twee jaar, aldus [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. Verder hebben zij aangevoerd dat [eiser] hen nooit te kennen heeft gegeven dat zij een huurachterstand hebben, maar hen pas bij het verlaten van de woning met een schuld heeft geconfronteerd.

4.3

Het gerecht oordeelt als volgt. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten niet dat zij huur verschuldigd zijn over de maanden maart tot en met juli 2016. Zij voeren alleen aan dat zij gedurende deze maanden de huur hebben betaald. Dit hebben zij echter niet nader onderbouwd. Voor zover zij een beroep hebben willen doen op bewijsnood, omdat zij bijna twee jaar na het einde van de huurovereenkomst niet meer beschikken over stortingsbewijzen, slaagt dat beroep niet. Indien zou moeten worden aangenomen dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gedurende de maanden maart tot en met juli 2016 de huur middels stortingen hebben betaald, had het op hun weg gelegen om de daarvoor ontvangen stortingsbewijzen, in elk geval gedurende enige tijd, te bewaren. Dit geldt in het bijzonder omdat, naar niet meer in geschil is, [eiser] [gedaagde 1] en [gedaagde 2] al op 15 juli 2016 te kennen heeft gegeven dat hij de daaraan voorafgaande maanden geen huur van hen heeft ontvangen.

Gelet hierop, is vast komen te staan dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gedurende de maanden maart, april, mei, juni en juli 2016 de huur, inclusief utiliteiten, niet hebben betaald. Dat brengt ook met zich dat daarmee vast is komen te staan dat ze, omdat ze vijf maanden geen huur hebben betaald, ingaande maart 2016 tot aan de beëindiging van de huurovereenkomst per 22 september 2016, maandelijks Afl. 50,- aan contractuele boete verschuldigd waren. Dat betekent dat de huurachterstand totdat de huurovereenkomst ten einde is gekomen Afl. 5.453,70 bedraagt.

4.4

Ter comparitie heeft [eiser] nader toegelicht dat op 22 september 2016 een check-out heeft plaatsgevonden, waarbij [gedaagde 1], [gedaagde 2] en hijzelf aanwezig waren. Aan de hand van een lijst is daarbij de staat van het appartement nagelopen, vergeleken met de staat ervan bij het inchecken op 17 september 2015. Daarbij is geconstateerd dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] het appartement op diverse punten niet in goede staat hebben achtergelaten. Dat is door hen niet betwist. Ter comparitie hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] verder bevestigd dat [eiser] hen bij het verlaten van het appartement eerst in de gelegenheid heeft gesteld de schade zelf te repareren, maar dat zij dat hebben geweigerd. Vervolgens heeft [eiser] door derden herstelwerkzaamheden laten uitvoeren. Gelet hierop, komt ook de schade die [eiser] aldus heeft geleden voor vergoeding in aanmerking en heeft [eiser] mogen overgaan tot verrekening daarvan met de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betaalde borg. Dat betekent dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] [eiser] een bedrag van Afl. 134,98 verschuldigd zijn (Afl. 1.159,98 -/- Afl. 1.025,-).

4.5

Gelet op het vorenoverwogene, wordt de vordering tot betaling van de hoofdsom tot een bedrag van Afl. 5.588,68 (Afl. 5.453,70 + Afl. 134,98) toegewezen.

4.6

De buitengerechtelijke kosten zullen conform het procesreglement worden toegewezen tot een bedrag van Afl. 750,- nu voldoende gesteld en gebleken is dat daadwerkelijk en in redelijkheid buitengerechtelijke incassokosten zijn gemaakt. De gevorderde administratiekosten tot een bedrag van Afl. 838,30 (Afl. 6.426,98 -/- Afl. 5.588,68), die [eiser] naast buitengerechtelijke incassokosten heeft gevorderd, worden afgewezen. Administratiekosten zijn buitengerechtelijke incassokosten. Gelet hierop heeft [eiser] met het vorderen van administratiekosten naast buitengerechtelijke incassokosten kennelijk verzocht om toewijzing van buitengerechtelijke incassokosten in afwijking van het procesreglement. Daartoe bestaat geen aanleiding, nu [eiser] bij het verzoekschrift niet ten genoegen van het gerecht heeft aangetoond waarom begroting conform het procesreglement niet op haar plaats is.

4.7 [

gedaagde 1] en [gedaagde 2] zullen worden veroordeeld in de proceskosten.

5 DE UITSPRAAK

het gerecht:

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, des dat de een betaalt, de ander is bevrijd, tot betaling aan [eiser] van een bedrag van Afl. 5.588,68, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 april 2017 tot de dag waarop volledig zal zijn betaald;

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, des dat de een betaalt, de ander is bevrijd, tot betaling aan [eiser] van een bedrag van Afl. 750,- wegens buitengerechtelijke incassokosten;

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, des dat de een betaalt, de ander is bevrijd, in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van [eiser] worden begroot op Afl. 450,- aan griffierecht, Afl. 782,78 aan explootkosten en Afl. 1.000,- (2 punten in tarief 3) aan salaris van de gemachtigde;

verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 12 september 2018 in aanwezigheid van de griffier.