Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2018:533

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
12-09-2018
Datum publicatie
17-09-2018
Zaaknummer
AUA201600735
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel. Vorderingen in het incident tot voeging en tot tussenkomst afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 12 september 2018

Behorend bij A.R. 2531 van 2016 / AUA201600735

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de incidenten tot voeging en tot tussenkomst zijdens:

[Eiseres sub 1],

[Eiseres sub 2]

beiden te Aruba,

[Eiser sub 3],

[Eiser sub 4],

[Eiseres sub 5],

[Eiseres sub 6],

[Eiseres sub 7] ,

allen te Nederland,

verzoekers in de incidenten tot voeging en tot tussenkomst,

hierna ook te noemen: verzoekers,

gemachtigde: de advocaat mr. M.B. Boyce,

in de zaak van:

[Eiser] ,

te Aruba,

eiser in de hoofdzaak, gedaagde in de incidenten tot voeging en tot tussenkomst,

hierna te noemen: [eiser],

gemachtigde: de advocaat mr. G.L. Griffith,

tegen:

[Gedaagde],

te Nederland,

gedaagde in de hoofdzaak, gedaagde in de incidenten tot voeging en tot tussenkomst,

hierna te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: de advocaat mr. M.B. Boyce.

en

VONNIS

in de zaak van:

[Eiser] ,

te Aruba,

eiser in de hoofdzaak, gedaagde in de incidenten tot voeging en tot tussenkomst,

hierna te noemen: [eiser],

gemachtigde: de advocaat mr. G.L. Griffith,

tegen:

[Gedaagde],

te Nederland,

gedaagde in de hoofdzaak, gedaagde in de incidenten tot voeging en tot tussenkomst,

hierna te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: de advocaat mr. M.B. Boyce.

1. DE PROCEDURE IN DE HOOFDZAAK EN IN DE INCIDENTEN TOT VOEGING EN TOT TUSSENKOMST

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift;

- de rolbeschikking van 31 mei 2017;

- de conclusie van repliek;

- de conclusie van dupliek;

- de incidentele conclusie tot voeging en tot tussenkomst;

- de conclusie van antwoord in de incidenten zijdens [eiser];

- de pleitnota van [gedaagde] en verzoekers;

- de aantekeningen van de griffier van de pleidooizitting van 29 juni 2018. Daar heeft mr. Boyce in de hoofdzaak mede het woord gevoerd namens verzoekers, onder het voorbehoud van een toewijzing van (een van) de incidentele verzoeken.

De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis in de incidenten en in de hoofdzaak.

2. DE VASTSTAANDE FEITEN IN DE HOOFDZAAK EN IN DE INCIDENTEN TOT VOEGING EN TUSSENKOMST

2.1 [eiser] en [gedaagde] zijn op 1 december 1948 met elkaar gehuwd. Verzoekers zijn de kinderen van [eiser] en [gedaagde] (hierna: de kinderen). Bij vonnis van 11 juli 1984, no. 1296 van 1984, is de scheiding van tafel en bed tussen [eiser] en [gedaagde] uitgesproken. Daarbij heeft het gerecht de scheiding en deling van de huwelijksgemeenschap bevolen. Het huwelijk tussen [eiser] en [gedaagde] is ontbonden bij beschikking van het gerecht van 8 november 2010, E.J. nr. 925 van 2010, hersteld bij beschikking van 14 december 2010. Daarbij heeft het gerecht de verdeling van de gemeenschap waarin [eiser] en [gedaagde] waren gehuwd bevolen, conform een echtscheidingsconvenant van 15 oktober 2010, dat aan die beschikking is gehecht.

2.2 In dat convenant is onder meer het volgende bepaald:

“II-A De te verdelen gemeenschap bestaat uit de volgende baten:

1. Het onroerend goed, t.w. de ouderlijke woning gelegen aan de [adres]te Aruba, aan partijen nader bekend, staat ten name van bovengenoemde partijen (…)

II-B De verdeling van de gemeenschap zal als volgt plaatsvinden:

1. (…)

2. De onder II-A omschreven baat zal worden toebedeeld en toegescheiden worden aan de 7 kinderen van partijen. Binnen 1 maand na inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand van Aruba, zal door partijen opdracht worden gegeven aan de notaris, t.w.: mr. R.E. Yarzagaray gevestigd en kantoorhoudende aan de L.G. Smith Blvd. No 20 te Aruba, om het voornoemde woonhuis aan de 7 kinderen van partijen in eigendom over te dragen.”

2.3 De overdracht van de woning aan de kinderen heeft niet plaatsgevonden.

3 DE VERZOEKEN EN DE VERWEREN

In het incident tot voeging

3.1

Verzoekers vorderen dat hen wordt toegestaan zich in de hoofdzaak te voegen aan de zijde van [gedaagde], ter bescherming van hun in het echtscheidingsconvenant vervatte belangen.

3.2 [

eiser] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat wordt hierna besproken.

3.3 [

gedaagde] heeft zich kennelijk gerefereerd aan het oordeel van het gerecht.

In het incident tot tussenkomst

3.4

Verzoekers vorderen dat hen wordt toegestaan in de hoofdzaak tussen te komen, ter bescherming van hun in het echtscheidingsconvenant vervatte belangen.

3.5 [

eiser] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.6 [

gedaagde] heeft zich kennelijk gerefereerd aan het oordeel van het gerecht.

In de hoofdzaak

3.7 [

eiser] vordert, samengevat, de verdeling van de tussen hem en [gedaagde] bestaande huwelijksgemeenschap te gelasten en te bepalen dat de woning aan de [adres]te Aruba (hierna: de woning) tegen marktwaarde wordt verkocht, waarna de opbrengst tussen partijen wordt verdeeld, dan wel het echtscheidingsconvenant van 15 oktober 2010 aldus te wijzigen dat de woning tegen marktwaarde wordt verkocht, waarna de opbrengst tussen partijen wordt verdeeld, dan wel de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen met inachtneming van de redelijkheid en billijkheid en de belangen van partijen. Voorts verzoekt hij het gerecht een taxateur aan te wijzen en te bepalen dat zo nodig het vonnis in de plaats treedt van noodzakelijke akten en dat de overeenkomstig het gevorderde opgemaakte akten rechtsgeldig in de desbetreffende registers worden ingeschreven.

3.8

Aan deze vorderingen heeft hij, samengevat, ten grondslag gelegd dat het echtscheidingsconvenant, voor zover daarbij is overeengekomen dat die woning aan de kinderen wordt toebedeeld, nietig is dan wel dat de redelijkheid en billijkheid ertoe strekken dat dit convenant op dat punt wordt gewijzigd, alvorens tot verdeling zal worden overgegaan.

3.9 [

gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat wordt hierna besproken.

4 DE BEOORDELING

In het incident tot voeging

4.1

Ingevolge artikel 214 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is een ieder die belang heeft bij een rechtsgeding, hangende tussen andere partijen, bevoegd te vorderen zich daarin te mogen voegen.

Ingevolge artikel 215 wordt dit incident aangebracht ter terechtzitting op de dienende dag vóór of op die waarop de behandeling van het aanhangige rechtsgeding eindigt.

4.2

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (onder meer HR 14 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC6692, NJ 2008/168 en HR 6 september 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5241, NJ 2014/58) is het voor het aannemen van een belang in vorenbedoelde zin voldoende dat de partij die voeging vordert nadelige gevolgen kan ondervinden van een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde de derde zich voegt.

4.3

Het door [eiser] gevoerde verweer dat verzoekers het verzoek om voeging tardief hebben gedaan, slaagt niet, nu dat verzoek is gedaan op de roldatum waarop de conclusie van dupliek in de hoofdzaak is genomen en derhalve niet nadat de behandeling van dat geding is geëindigd.

4.4

Verzoekers hebben aangevoerd dat zij met de voeging beogen hun belangen, zoals neergelegd in het echtscheidingsconvenant van hun ouders, te beschermen.

Gelet hierop en in aanmerking genomen voormelde door de Hoge Raad gegeven ruime uitleg van het belangvereiste, zal het gerecht het verzoek toestaan. Voor zover

[eiser] heeft betwist dat verzoekers belang hebben bij de hoofdzaak, onder meer omdat het echtscheidingsconvenant nog niet is geeffectueerd, daarmee de huwelijksgemeenschap niet wordt verdeeld en de daarin opgenomen gestelde schenking nietig is, geeft dat geen grond voor een ander oordeel. Het aldus aangevoerde staat ter beoordeling in de hoofdzaak, als onderbouwing van het door [eiser] in dat geding gevorderde. Juist van toewijzing van die vordering en dus een uitkomst van de procedure in de hoofdzaak die ongunstig is voor [gedaagde] kunnen verzoekers nadelige gevolgen ondervinden.

In het incident tot tussenkomst

4.5

Ingevolge artikel 214 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is een ieder die belang heeft bij een rechtsgeding, hangende tussen andere partijen, bevoegd te vorderen tussen te komen.

4.6

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (onder meer HR 28 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:768) kan een partij in een aanhangig geding vorderen te mogen tussenkomen indien zij een eigen vordering wenst in te stellen tegen (een van) de procederende partijen en voldoende belang heeft zich met dat doel in te mengen in het aanhangige geding in verband met de nadelige gevolgen die zij van de uitspraak in de hoofdzaak kan ondervinden. Dat belang kan erin bestaan dat in verband met de gevolgen die de uitspraak in de hoofdzaak kan hebben, benadeling of verlies van een recht van de tussenkomende partij dreigt, dan wel diens positie anderszins kan worden benadeeld.

Reeds omdat gesteld noch gebleken is dat verzoekers een eigen vordering tegen (een van) de partijen in de hoofdzaak willen instellen, is de vordering tot tussenkomst niet toewijsbaar.

4.7

Nu partijen ouders en kinderen zijn, zullen de kosten van deze procedure tussen partijen worden gecompenseerd, aldus dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

In de hoofdzaak

4.8

In de hoofdzaak is in geschil of artikel II-B, onder 2, van het echtscheidingsconvenant nietig is, dan wel of het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [eiser] wordt gehouden aan het daarbij bepaalde. Aan de beantwoording van deze vragen gaan enkele, door [gedaagde] opgeworpen, voorvragen vooraf.

Voorvragen

4.9 [

gedaagde] heeft betoogd dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen, omdat deze zijn gegrond op de nietigheid van het echtscheidingsconvenant. Dat echtscheidingsconvenant maakt echter deel uit van de beschikking van het gerecht van 8 november 2010, E.J. nr. 925 van 2010, hersteld bij beschikking van 14 december 2010, die in kracht van gewijsde is gegaan, aldus [gedaagde].

4.10

Het gerecht volgt [gedaagde] niet in haar verweer en overweegt daartoe als volgt.

Indien de rechter in een (echtscheidings)beschikking bepaalt dat de onderlinge vermogensrechtelijke regeling die partijen in een convenant hebben vastgelegd, als in de beschikking opgenomen wordt beschouwd, dan moet in beginsel worden aangenomen dat die veroordeling geen verdere strekking heeft dan om partijen een executoriale titel te verschaffen teneinde zo nodig de nakoming van de overeenkomst in rechte af te dwingen. Dat brengt mee dat de overeenkomst tussen partijen door de rechterlijke uitspraak onverlet wordt gelaten. Dit is slechts anders indien uit de rechterlijke uitspraak van een verdergaande strekking blijkt. Nu een dergelijke verdergaande strekking van de echtscheidingsbeschikking van 8 november 2010 naar het oordeel van het gerecht niet is gebleken, heeft de overeenkomst van partijen met betrekking tot de verdeling rechtskracht behouden en is in principe voor vernietiging vatbaar. Dat brengt met zich dat het feit dat de echtscheidingsbeschikking inmiddels gezag van gewijsde heeft gekregen, niet betekent dat na de vaststelling van de nietigheid van een regeling uit het convenant, de verdeling van de huwelijksgemeenschap niet meer door de rechter kan worden vastgesteld. Het gerecht heeft bij de echtscheidingsbeschikking niet beslist ten aanzien van een geschil tussen [eiser] en [gedaagde], maar heeft slechts opgenomen in de beschikking wat partijen zelf zijn overeengekomen. Artikel 70a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ziet in zoverre niet op de ‘als opgenomen beschouwde’ onderlinge vermogensrechtelijke regeling uit het convenant.

4.11 [

gedaagde] heeft voorts betoogd dat [eiser] niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen, omdat deze zich ten onrechte tegen haar richten. Deze vorderingen hebben betrekking op de bij het echtscheidingsconvenant gedane schenking aan de kinderen, zodat [eiser] niet haar, maar de kinderen in rechte had moeten betrekken, aldus [gedaagde].

4.12

Ook in dit verweer volgt het gerecht [gedaagde] niet. De vorderingen zijn gegrond op de nietigheid van het echtscheidingsconvenant, waarbij [eiser] en [gedaagde] ten aanzien van de verdeling van hun huwelijksgemeenschap afspraken zijn overeengekomen. De vorderingen strekken voorts tot het gelasten dan wel vaststellen van de verdeling van de huwelijksgemeenschap, waarvan niet de kinderen, maar [eiser] en [gedaagde] deelgenoten zijn.

Inhoudelijke beoordeling

4.13

Ter beantwoording van de hiervoor onder 4.8 vermelde vragen, dient eerst te worden vastgesteld wat partijen in het echtscheidingsconvenant ten aanzien van de huwelijksgemeenschap zijn overeengekomen. Daartoe overweegt het gerecht als volgt. Met het bepaalde in artikel II-A, onder 1, hebben [eiser] en [gedaagde] vastgesteld waaruit de huwelijksgemeenschap bestaat, te weten de woning. De verdeling van die gemeenschap wordt voorts geregeld bij onder meer het bepaalde in artikel II-B, onder 2, zo is in het echtscheidingsconvenant bepaald. Gegeven de formulering van artikel II-B, onder 2, zijn [eiser] en [gedaagde] daarbij overeengekomen elk hun deel uit de huwelijksgemeenschap aan hun kinderen te schenken. Het begrip “schenking” is in die bepaling niet gebruikt. Echter in aanmerking genomen dat de huwelijksgemeenschap uit de woning bestaat, de kinderen geen deelgenoten zijn van deze gemeenschap, de woning volgens de bepaling aan hen wordt “toebedeeld en toegescheiden”, waarna

[eiser] en [gedaagde] opdracht zullen geven aan een notaris om de woning in eigendom aan de kinderen over te dragen en aldus door [eiser] en [gedaagde] aan de kinderen wordt afgestaan, zonder dat zij daarvoor een vergoeding verschuldigd zijn, kan deze afspraak niet anders worden aangemerkt dan als een afspraak tussen [eiser] en [gedaagde] om de woning aan hun kinderen te schenken. Omdat de woning deel uitmaakt van een nog te verdelen huwelijksgemeenschap, waarvan zowel [eiser] als [gedaagde] deelgenoot zijn, gaat het daarbij kennelijk voor beiden om het deel in de woning, waarop zij na verdeling recht hebben. Aldus regelt deze bepaling zowel de verdeling van de huwelijksgemeenschap, als de verplichting die [eiser] en [gedaagde] elk op zich hebben genomen de woning vervolgens aan hun kinderen te schenken. De omstandigheid dat [eiser] gedurende zes jaren na het tot stand komen van het echtscheidingsconvenant daarin kennelijk heeft berust en hij eerst na gestelde gewijzigde omstandigheden dit geding is aangevangen, geeft eveneens aanwijzingen voor het oordeel dat dat ook is wat partijen destijds hebben bedoeld.

Opgemerkt zij nog dat het aldus in het echtscheidingsconvenant bepaalde niet de daadwerkelijke schenking van de woning aan de kinderen behelst. Daarvoor is nog een overeenkomst vereist, die, zoals [eiser] terecht heeft aangevoerd, bij notariële akte moet worden vastgelegd.

4.14

Uitgaande van het hiervoor onder 4.13 overwogene ten aanzien van hetgeen in artikel II-B, onder 2, van het echtscheidingsconvenant is bepaald, overweegt het gerecht verder als volgt. [eiser] heeft niet gesteld dat een afspraak tussen ex-echtelieden om beiden het hun na verdeling van de huwelijksgemeenschap toekomende deel uit die gemeenschap aan hun kinderen te schenken wegens strijd met een dwingende wetsbepaling nietig is. Ook overigens ziet het gerecht geen grond voor dat oordeel.

4.15

In het door [eiser] aangevoerde ziet het gerecht voorts evenmin aanleiding voor het oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat hij wordt gehouden aan de uit het echtscheidingsconvenant voor hem voortvloeiende verplichting het hem na verdeling van de huwelijksgemeenschap toekomende deel daarvan aan de kinderen te schenken. Dat, zoals door [eiser] gesteld, hijzelf, dan wel zijn huidige echtgenote, daarmee worden benadeeld, is daartoe onvoldoende. Zoals hiervoor is overwogen, hebben partijen destijds kennelijk juist bedoeld om hun deel van de huwelijksgemeenschap aan hun kinderen te schenken. Bovendien is gesteld noch gebleken dat de door [eiser] in dit verband opgevoerde omstandigheden dat de kinderen reeds over een eigen woning beschikken dan wel kunnen beschikken en dat zijn huidige echtgenote, die al gedurende ruim 30 jaren zijn partner is, na zijn overlijden zonder woning zal komen te zitten, zich niet reeds voordeden ten tijde van het aangaan van het echtscheidingsconvenant in oktober 2010.

4.16

Gelet op het hiervoor onder 4.14 en 4.15 overwogene, zal de vordering worden afgewezen.

4.17

Nu partijen ex-echtelieden, onderscheidenlijk ouders en kinderen zijn, zullen de kosten van de procedures in de hoofdzaak en in het incident tot voeging tussen partijen worden gecompenseerd, aldus dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

5 DE UITSPRAAK:

De rechter in dit gerecht:

in het incident tot voeging

staat verzoekers toe zich in de hoofdzaak te voegen aan de zijde van [gedaagde];

compenseert de proceskosten aldus dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

in het incident tot tussenkomst

wijst het verzoek af;

compenseert de proceskosten aldus dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

in de hoofdzaak

wijst de vordering af;

compenseert de proceskosten aldus dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 12 september 2018 in aanwezigheid van de griffier.