Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2018:529

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
29-08-2018
Datum publicatie
13-09-2018
Zaaknummer
BB 2843/AUA201703561
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

civiel recht, vordering afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 29 augustus 2018 (bij vervroeging)

Behorend bij BB 2843/AUA201703561

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS in de zaak van:

[Eiser],

wonende in Aruba,

eiser,

gemachtigde: [naam gemachtigde],

tegen:

[Gedaagde],

wonende in Aruba,

gedaagde,

gemachtigde: mr. M.O. Lopez.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift tot uitvaardiging van een rechterlijk bevel tot betaling;

- het verweerschrift;

- het tussenvonnis van 7 maart 2018;

- de griffiersaantekeningen van de comparitie van partijen die heeft plaatsgevonden op 10 april 2018.

1.2

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 DE FEITEN

2.1

Partijen zijn een overeenkomst aangegaan waarbij eiser de inventaris van de ‘zaak’ [naam eenmanszaak] heeft overgenomen tegen betaling van een overnamesom.

2.2

Eiser heeft de huurovereenkomst betreffende de bedrijfsruimte van [naam eenmanszaak] beëindigd, waarna de naamloze vennootschap Martinez Autoservice & More N.V., waarvan gedaagde directeur was, een nieuwe huurovereenkomst is aangegaan met de verhuurder Catashi Holding N.V. Deze nieuwe huurovereenkomst werd op 1 december 2015 ondertekend.

2.3

In artikel 3.3. van de nieuwe huurovereenkomst staat opgenomen:

“(..) Ook zal huurder een bedrag van Awg. 7.130,00 verdeeld in zes (6) termijnen aflossen (dus Awg. 1.188,00 per maand) tot en met de maand mei 2015 (het gerecht begrijpt: 2016). In januari 2016 betaald huurder Awg. 1.500,00 excl. B.B.O. + Awg. 1.188,00 = Awg. 2.688,00 totaal per maand, B.B.O. moet er nog bij. Het bedrag van Awg. 7.130,00 is een overname van de achterstallige huur van de heer [Eiser], welke de heer [Gedaagde] overneemt. In de maand mei 2016 zal de huur Awg. 1.500,00 excl. B.B.O. zijn.

2.4

Eiser heeft gedaagde op 6 juni 2017 bij deurwaardersexploot gesommeerd om binnen 7 dagen tot betaling van Afl. 7.556,00 vermeerderd met incassokosten en overige kosten over te gaan.

3 DE VORDERING

3.1

Eiser vordert, samengevat, dat het gerecht gedaagde veroordeelt tot betaling van een bedrag van Afl. 7.556,00, vermeerderd met 15% buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente vanaf 14 juni 2017, met veroordeling van gedaagde in de proceskosten.

3.2

Uit hetgeen eiser in zijn verzoekschrift heeft gesteld en ter comparitie naar voren heeft gebracht, leidt het gerecht af dat eiser (samengevat) het volgende aan zijn vordering ten grondslag legt. Partijen zijn een overnamesom voor de inventaris van Afl. 20.000,00 overeengekomen. Gedaagde heeft Afl. 1.500,00 contant betaald. Daarnaast zou gedaagde Afl. 7.000,00 aan de verhuurder betalen ter afbetaling van de huurachterstand van eiser bij de verhuurder. Ten aanzien van het restantbedrag, zijnde Afl. 11.500,00, zijn partijen op 1 december 2015 schriftelijk overeengekomen dat gedaagde dit bedrag met ingang van 1 juli 2016 in maandelijkse termijnen van Afl. 1.000,00 en een laatste betaling van Afl. 1.500,00 aan eiser zou betalen. Gedaagde heeft slechts vier termijnen van Afl. 986,00 (Afl. 1.000,00 minus Afl. 14,00 aan postzegelkosten) betaald. Derhalve resteert een vordering van Afl. 7.556,00. Ondanks sommatie blijft gedaagde weigerachtig dit bedrag te betalen.

3.3

Gedaagde betwist de vordering en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring, dan wel afwijzing van de vordering, met veroordeling van eiser in de proceskosten. Gedaagde heeft samengevat het volgende verweer gevoerd. Gedaagde betwist de door eiser in het geding gebracht overeenkomst/schuldbekentenis van 1 december 2015 te zijn aangegaan en deze te hebben ondertekend. De overnamesom van de inventaris was niet Afl. 20.000,00 maar Afl. 11.500,00. Eiser was nog een bedrag van Afl. 7.130,00 aan achterstallige huur verschuldigd aan de verhuurder, vermeerderd met de kosten voor de schoonmaak van het perceel (het wegslepen van onder meer drie auto’s en het opruimen van autobanden). De verhuurder, eiser en gedaagde zijn overeengekomen dat gedaagde de huurachterstand van eiser zou betalen en dat dit verrekend zou worden met de door gedaagde te betalen overnamesom. Deze afspraak is neergelegd in artikel 3.3 van de nieuwe huurovereenkomst. Gedaagde heeft de huurachterstand van eiser geheel aan de verhuurder afbetaald. Daarnaast heeft gedaagde de schoonmaak van het perceel ad Afl. 430,00 betaald. Vervolgens heeft gedaagde vier betalingen van Afl. 1.000,00 aan eiser gedaan. Van deze vier betalingen werd steeds Afl. 14,00 aan kosten afgetrokken. In totaal heeft gedaagde Afl. 11.560,00 betaald, waarmee hij de overnamesom in zijn geheel heeft afbetaald.

3.4

Op de stellingen van partijen zal in de beoordeling, voor zover nodig, nader worden ingegaan.

4 DE BEOORDELING

4.1

Gedaagde heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vordering van eiser. Op eiser rust de bewijslast van zijn stelling dat de overeengekomen overnamesom van de inventaris Afl. 20.000,00 bedroeg en dat na een contante betaling en aftrek van de huurachterstand een door gedaagde te betalen bedrag van Afl. 11.500,00 resteerde. De door eiser in het geding gebrachte overeenkomst/betalingsregeling van 1 december 2015 betreffende het (restant)bedrag van Afl. 11.500,00 levert onvoldoende bewijs op, reeds omdat gedaagde betwist dat hij deze overeenkomst/betalingsregeling is aangegaan en heeft ondertekend. Eiser heeft geen voldoende concreet bewijsaanbod gedaan om toegelaten te worden tot bewijslevering. Ter comparitie werd hem de vraag voorgelegd of hij tot bewijslevering toegelaten wenste te worden. Eiser beantwoordde die vraag bevestigend, maar heeft daarbij niet aan kunnen geven van welke stellingen hij bewijs wenste te leveren en ook niet op welke wijze.

4.2

De conclusie uit het voorgaande is dat niet is komen vast te staan dat eiser een vordering heeft op gedaagde. De vordering dient dan ook afgewezen te worden.

4.3

Eiser dient als de in het ongelijk gestelde partij, de proceskosten die aan de zijde van gedaagde zijn gevallen te dragen, welke worden begroot op Afl. 1.500,00 aan gemachtigdensalaris (gebaseerd op 2 punten bij tarief 3 van het liquidatietarief).

5 DE BESLISSING

Het Gerecht,

wijst de vordering af;

veroordeelt eiser in de kosten van het geding, aan de zijde van gedaagden gevallen en tot op heden begroot op Afl. 1.500,00 aan salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Schoemaker, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 29 augustus 2018 in aanwezigheid van de griffier.