Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2018:523

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
29-08-2018
Datum publicatie
13-09-2018
Zaaknummer
AR 1283 van 2016
AUA20100820
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewijsopdracht door middel van het doen horen van getuigen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 29 augustus 2018

Behorend bij A.R. no. 1283 van 2016/AUA201600820

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS in de zaak van:

de naamloze vennootschap

MOISES DE MARCHENA & SONS SALES & AGENCIES N.V.,

gevestigd in Aruba,

eiseres,

hierna ook te noemen: Moises,

gemachtigde(n): voorheen de advocaat mr. B.M. de Sousa, thans de advocaten mrs. A.A. Ruiz en I.R. Wever,

tegen:

[GEDAAGDE 1],

tot aan haar overlijden op 17 november 2016 wonende in Aruba,

hierna ook te noemen: [gedaagde 1],

gemachtigde (tot 16 november 2016): de advocaat mr. S.O.R.’G Faarup,

en:

[GEDAAGDE 2],

wonende in Aruba,

hierna ook te noemen: [gedaagde 2],

gemachtigde: de advocaat mr. P.A.J. van der Biezen,

gedaagden,

1 HET PROCESVERLOOP

1.1

Het procesverloop blijkt onder meer uit:

-het verzoekschrift, met producties;

-de conclusie van antwoord van [gedaagde 2], met producties;

-het faxbericht van de hiervoor genoemde gemachtigde van [gedaagde 1] van 12 december 2016, houdende de met een akte van overlijden onderbouwde mededeling dat [gedaagde 1] op 17 november 2016 te Aruba is overleden en voorts houdende het verzoek om het geding te schorsen;

-de rolbeschikking van dit Gerecht van 3 januari 2017 krachtens welke de zaak op de voet van artikel 185 sub a Rv is geschorst, met verzoek aan de toenmalige gemachtigde van [gedaagde 1] en aan die van Moises om mogelijke belanghebbenden te wijzen op het bepaalde in artikel 187 Rv;

-de rolbeschikking van dit Gerecht van 23 augustus 2017, inhoudende de vaststelling dat er geen belanghebbenden als bedoeld in artikel 187 Rv zich hebben gemeld, alsmede een bevel aan de griffier van dit Gerecht om de gezamenlijke erven van wijlen [gedaagde 1] in het openbaar te doen oproepen om te verschijnen ter terechtzitting van woensdag 6 december 2017 om van antwoord te dienen;

-het deurwaardersexploot van 25 augustus 2017 blijkens welke de gezamenlijke erven van wijlen [gedaagde 1] zijn opgeroepen zoals hiervoor omschreven;

-de ter rolzitting van 6 december 2017 gemaakte aantekening van de griffier waaruit blijkt dat niemand van de (mogelijke) erven van wijlen [gedaagde 1] is verschenen op die zitting;

-de rolbeschikking van dit Gerecht van 17 januari 2018, inhoudende de beslissing dat het geding op de laatste stukken en op naam van (wijlen) [gedaagde 1] wordt hervat;

-de conclusie van repliek van Moises, met producties;

-de conclusie van dupliek van [gedaagde 2], met producties;

-de op 6 juni 2018 door Moises genomen akte uitlating producties.

1.2

Vonnis is bepaald op heden.

2 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

2.1

Moises verzoekt dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

a. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] veroordeelt om aan Moises te betalen Afl. 259.308,55, te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf de dag der opeisbaarheid van dat bedrag alsmede te vermeerderen met 15% aan vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten;

b. te dezen enige andere juist voorkomende beslissing neemt;

c. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] veroordeelt in de proceskosten.

2.2 [

gedaagde 1] heeft geen verweer gevoerd. [gedaagde 2] voert verweer en concludeert dat Moises niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door haar verzochte, althans tot afwijzing daarvan, althans tot toewijzing van minder dan het door Moises verzochte, kosten rechtens althans tot compensatie van de proceskosten.

2.3

Voor zover van belang voor de beslissing worden de stellingen van partijen hierna besproken.

3 DE BEOORDELING

3.1.1

Niet in geschil is tussen partijen dat de in het inleidend verzoekschrift vermelde eisende partij Moises de Marchena Aruba N.V. een niet bestaande en daarom niet bij de Kamer van Koophandel ingeschreven rechtspersoon betreft. [gedaagde 2] stelt in dat verband dat er bij de Kamer van Koophandel twee rechtspersonen staan ingeschreven onder soortgelijke namen, te weten Moises de Marchena & Sons Sales & Agencies N.V. en Moises de Marchena and Sons Estate (Aruba) N.V.. In het licht van dit alles stelt [gedaagde 2] verder dat hij niet heeft begrepen en redelijkerwijze niet geacht kan worden te hebben begrepen ten name van wie het verzoekschrift is uitgebracht, en dat het voor hem in elk geval niet duidelijk is dat een andere partij dan de in het verzoekschrift vermelde eiser van begin af aan de materiële wederpartij is van [gedaagde 2]. [gedaagde 2] concludeert op grond van vorenstaande dat de in het verzoekschrift vermelde eisende partij als zijnde onbestaand niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen. Hierover het volgende.

3.1.2

Uit de in het verzoekschrift neergelegde summierlijke stellingen volgt - en dat behoort in elk geval ook voor [gedaagde 2] duidelijk te zijn - dat de beweerdelijke vordering op [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voortvloeit uit beweerdelijke door [gedaagde 1] in dienstverband gepleegde verduistering van het in hoofdsom gevorderde bedrag, en dat daarom met de eisende partij in het verzoekschrift wordt bedoeld de voormalige werkgever van [gedaagde 1]. Bij het verzoekschrift zijn afschriften van door [gedaagde 1] (voor haar werkgever) getekende kwitanties overgelegd. Een deel van die kwitanties is voorzien van een stempel, waarin tevens het adres staat vermeld van de kwiterende partij zijnde de werkgever van [gedaagde 1]. Dat adres is [adres 1]. Dat adres staat ook vermeld in de overgelegde arbeidsovereenkomst van [gedaagde 1]. Met voormeld adres staat Moises de Marchena & Sons Sales & Agencies N.V. ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, terwijl [adres 2] het adres is waarmee Moises de Marchena and Sons Estate (Aruba) N.V. aldaar staat ingeschreven. Uit dit één en ander is het voor het Gerecht duidelijk, en dat is of behoort ook te zijn voor [gedaagde 2], dat de thans in dit vonnis als eiser vermelde partij van meet af aan de formele en materiële wederpartij is van [gedaagde 2] (en van [gedaagde 1]). Er zijn overigens gronden gesteld noch gebleken waaruit volgt dat Moises niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door haar verzochte. Het ontvankelijkheidsverweer van [gedaagde 2] wordt verworpen.

3.2

Voorop wordt gesteld dat het verzoekschrift niet voldoet aan het in artikel 18c Rv neergelegde vereiste, dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten onder meer volledig in een zo vroeg mogelijk stadium (te dezen het verzoekschrift dus) aan te voeren. Eerst bij repliek, en dat is dus te laat, heeft Moises die (beweerdelijke) feiten in voldoende mate aangevuld/aangevoerd. Bij een eventuele proceskostenveroordeling ten nadele van [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] zal het Gerecht op de voet van de tweede volzin van voormeld artikel als sanctie op voormeld nalaten geen punt van het liquidatietarief toekennen voor het inleidend verzoekschrift.

3.3

Voorts wordt voorop gesteld dat Moises onder 15. van haar conclusie van repliek ten aanzien van [gedaagde 2] een eisvermindering aankondigt, te formuleren onder 22. van die conclusie. Onder kantlijnnummer 22. noch onder enige ander kantlijnnummer van voormelde conclusie is die door Moises aangekondigde eisvermindering neergelegd.

3.4

Niet in geschil is tussen partijen dat [gedaagde 1] (hetgeen blijkt uit de overgelegde niet bestreden tussen [gedaagde 1] en Moises gesloten arbeidsovereenkomst) op 3 februari 2014 in dienstverband van Moises is getreden en dat zij dat nog steeds was op 9 november 2015. Verder staat vast tussen partijen dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] op enig voor 30 juni 2015 (over deze specifieke datum hierna onder 3.9 meer) gelegen moment met elkaar zijn gehuwd in de algehele gemeenschap van goederen, en dat dit huwelijk door echtscheiding is geëindigd op 9 november 2015. Met ingang van die datum heeft voormelde huwelijksgoederengemeenschap te gelden als zijnde ontbonden, hierbij oordelende dat het Gerecht in het kader van de rechtszekerheid en de openbare orde te dezen niet anticipeert - zoals door [gedaagde 2] verzocht - op mogelijk in te voeren nieuwe wetgeving die mogelijk met zich brengt dat de huwelijksgoederengemeenschap van rechtswege wordt ontbonden op het tijdstip van indiening van een verzoek tot echtscheiding.

3.5

Vorenstaande brengt mee dat alle mogelijke door [gedaagde 1] vanaf 9 november 2015 gemaakte of veroorzaakte schulden geen deel kunnen uitmaken van de per 9 november 2015 ontbonden huwelijksgoederengemeenschap van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (hierna: de gemeenschap). [gedaagde 2] is daarom niet (mede) aansprakelijk voor die schulden van [gedaagde 1].

3.6

Krachtens het tweede lid van artikel 1:94 BW omvat een huwelijksgoederengemeenschap zoals die van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (tot 9 november 2015) wat haar lasten betreft alle schulden van ieder der echtgenoten. Zo vast komt te staan dat [gedaagde 1] in de periode 30 juni 2015 tot 9 november 2015 aan Moises toebehorende gelden heeft verduisterd en derhalve is gehouden om die gelden bij wijze van schadevergoeding uit onrechtmatige daad terug te betalen aan Moises, valt die betalingsverplichting zijnde een schuld van [gedaagde 1] aan Moises (hierna vooralsnog: de beweerdelijke schuld) in beginsel in de gemeenschap. In het licht daarvan stelt [gedaagde 2] dat de onder 31. van zijn conclusie van antwoord vermelde volgens hem bijzondere omstandigheden met zich brengen dat de beweerdelijke schuld heeft te gelden als zijnde een aan [gedaagde 1] op bijzondere wijze verknochte schuld in de zin van het bepaalde in het derde lid van artikel 1:94 BW, en dat de beweerdelijke schuld daarom geen deel uitmaakt van de gemeenschap. Dit betoog faalt reeds om het volgende. Het derde lid van artikel 1:94 BW bepaalt dat schulden die aan een van de echtgenoten op enigerlei bijzondere wijze verknocht zijn, slechts in de gemeenschap vallen voor zover de verknochtheid zich hiertegen niet verzet. Uit deze wetsbepaling volgt dat het enkele op bijzondere wijze aan [gedaagde 1] verknocht zijn van de beweerdelijke schuld nog niet zonder meer met zich brengt dat die schuld geen deel uitmaakt van de gemeenschap. Die verknochtheid moet zich immers verzetten tegen het in de gemeenschap vallen van bedoelde schuld. Niet is gesteld dat dit het geval is. Daar komt het volgende nog bij.

3.7

Als hoofdregel geldt dat alle schulden in de gemeenschap vallen, ongeacht de vraag of de schuld al dan niet ten behoeve van de gewone gang van de huishouding in de zin van artikel 1:85 BW is aangegaan. De vraag of een schuld, wegens het hoogstpersoonlijke karakter daarvan, in afwijking van die hoofdregel aan een der echtgenoten op bijzondere wijze is verknocht, kan niet in haar algemeenheid worden beantwoord. De beantwoording is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waaronder met name de aard van die schuld, zoals deze mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. Volgens de wetsgeschiedenis zijn alleen schulden die gerelateerd zijn aan privégoederen van de echtgenoten te beschouwen als verknochte schulden. De regeling van de verknochtheid van een schuld dient derhalve naar het oordeel van het Gerecht zeer beperkt te worden uitgelegd. Algemeen wordt aangenomen dat een tijdens het huwelijk ontstane schuld die zijn oorzaak vindt in het onrechtmatig handelen van een der echtgenoten, zonder bijzondere bijkomende omstandigheden, niet als een verknochte schuld kan worden aangemerkt.

3.8

In het licht van vorenstaande oordeelt het Gerecht de onder 31. en 32. van zijn conclusie door [gedaagde 2] aangevoerde omstandigheden niet als dermate bijzonder dat de beweerdelijke schuld als zijnde op bijzondere wijze verknocht aan [gedaagde 1] buiten de gemeenschap valt. Het is namelijk niet bijzonder als en niet zelden voorkomend dat met elkaar gehuwde personen die - zoals naar zeggen van [gedaagde 2] het geval was tussen hem en [gedaagde 1] - in het licht van een aankomende echtscheiding al meer dan drie-en-een-half jaar niet meer samen wonen en geen gezamenlijke huishouding meer voeren buiten medeweten van de ander niet aan privégoederen gerelateerde schulden aangaan waarvan de ander geen baat geniet, waaronder begrepen schulden uit onrechtmatige daad. Het risico dat dit gebeurt met financiële gevolgen voor de andere echtgenoot kan worden ondervangen met een scheiding van tafel en bed, die de huwelijksgoederengemeenschap ook van rechtswege doet ontbinden. Het had gezien de hiervoor vermelde door [gedaagde 2] gestelde omstandigheden (langdurig niet mee samen wonen en het langdurig niet meer voeren van een gezamenlijke huishouding) en zijn stelling dat de relatie tussen hem en [gedaagde 1] reeds per 1 februari 2012 feitelijk is beëindigd op de weg van [gedaagde 2] gelegen om dat risico, zoals Moises terecht heeft opgemerkt, te ondervangen met een dergelijke scheiding. Het nalaten daarvan komt en blijft (ook naar maatschappelijke opvattingen) voor rekening en risico van [gedaagde 2]. Het verweer van [gedaagde 2] op dit punt wordt verworpen.

3.9

Ter zake van de beweerdelijke door [gedaagde 1] gepleegde verduistering van aan Moises toebehorende gelden wordt het volgende overwogen, waarbij voorop wordt gesteld dat die verduistering naar eigen zeggen van Moises (onder 18. van haar conclusie van repliek) plaats heeft gevonden in de periode vanaf 30 juni 2015 tot 31 december 2015. Relevant voor [gedaagde 2] is in dat verband de periode vanaf 30 juni 2015 tot 9 november 2015, zijnde dat datum waarop de huwelijksgoederengemeenschap van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] van rechtswege werd ontbonden door echtscheiding. Verder heeft voorop gesteld te gelden, en daarin volgt het Gerecht [gedaagde 2], dat indien vast komt te staan dat [gedaagde 1] in de periode van 30 juni 2015 tot 9 november 2015 aan Moises toebehorende gelden heeft ontvangen en die gelden vervolgens in die periode heeft verduisterd, [gedaagde 2] daarvoor op grond van het bepaalde in artikel 1:102 BW voor de helft aansprakelijk is en dat hij voor die helft hoofdelijk verbonden is met [gedaagde 1], die voor het geheel aansprakelijk is (nu zij voor de ontbinding van de gemeenschap - anders dan [gedaagde 2] - jegens Moises op de voet van het bepaalde in het eerste lid van artikel 1:95 BW voor het geheel aansprakelijk was). Daar komt nog bij dat Moises zich jegens [gedaagde 2] alleen op het aan hem toebehorende deel van de ontbonden gemeenschap kan verhalen zo die gemeenschap nog niet is verdeeld. Indien de ontbonden gemeenschap reeds is verdeeld, is het verhaal van Moises op [gedaagde 2] beperkt tot wat [gedaagde 2] uit die verdeling heeft verkregen.

3.10.1

Onder verwijzing naar de bij haar conclusie van repliek overgelegde productie F in verbinding met bij die conclusie en conclusie van antwoord overgelegde door [gedaagde 1] ondertekende kwitanties stelt Moises dat [gedaagde 1] tot 9 november in totaal

Afl. 152.100,29 heeft verduisterd, waarover hierna onder 3.11 meer. Voorts stelt Moises onder aanbieding van getuigenbewijs en/of schriftelijk bewijs in de zin van kwitanties dat alle overige in productie C bij repliek (en niet in productie F) vermelde bedragen zijn betaald aan [gedaagde 1] voor 9 november 2015. Over dit laatste het volgende.

3.10.2

Allereerst had het op de weg van Moises gelegen om schriftelijk bewijs in de zin van kwitanties reeds bij inleidend verzoekschrift of uiterlijk bij gelegenheid van repliek over te leggen. Moises zal niet in de gelegenheid worden gesteld om dat bij wijze van herkansing alsnog te doen. Daar komt bij dat getuigenbewijslevering op dit punt niet aan de orde kan zijn omdat bedoelde door [gedaagde 2] bestreden stelling voldoende feitelijke grondslag mist. Niet gesteld is met name wanneer de in bedoelde productie C vermelde overige bedragen precies zijn betaald aan [gedaagde 1], hetgeen temeer klemt omdat alle betalingen voor 30 juni 2015 ook hebben te gelden als voor 9 november 2015 betaald, terwijl de verduistering volgens Moises eerst is aangevangen op 30 juni 2015. Daar komt nog bij dat Moises in dit verband stelt dat bedoelde in productie C vermelde bedragen aan [gedaagde 1] zijn betaald voor 9 november 2015, maar niet is gesteld dat de bedragen voor die datum zijn verduisterd door [gedaagde 1].

3.11.1

Bij het verzoekschrift zijn kwitanties overgelegd met betrekking tot Tin Wei. Uit die niet of onvoldoende door [gedaagde 2] bestreden kwitanties blijkt dat [gedaagde 1] als betaling van Tin Wei aan Moises van de in die kwitanties vermelde statements (“stm”) op 30 september 2015 Afl. 2.711,93 in ontvangst heeft genomen, op 30 oktober 2015 Afl. 2.750,74 en op 24 november 2015 Afl. 1.158,92. Het totaal van die bedragen komt overeen met het in productie F bij Tin Wei vermelde bedrag ad Afl. 6.621,59. Echter valt het op 24 november 2015 door [gedaagde 1] ontvangen bedrag niet binnen de voor [gedaagde 2] relevante periode van 30 juni 2015 tot 9 november 2015, en strekt daarom in mindering op het hiervoor vermelde totaalbedrag. Vast komt daarom te staan dat [gedaagde 1] in de periode van 30 juni 2015 tot 6 november 2015 (6.621,59 minus 1.158,92 =) Afl. 5.462,67 in ontvangst heeft genomen van Tin Wei. Als zijnde gemotiveerd bestreden staat vooralsnog niet vast dat [gedaagde 1] de in deze overweging vermelde bedragen (die hebben geleid tot het vaststaande totaalbedrag ad Afl. Afl. 5.462,67) heeft verduisterd voor 9 november 2015. Moises zal in de gelegenheid worden gesteld om door middel van getuigenbewijslevering te bewijzen dat zulks wel het geval is.

3.11.2

Bij het verzoekschrift zijn kwitanties overgelegd met betrekking tot Bo Wah. Uit die niet of onvoldoende door [gedaagde 2] bestreden kwitanties blijkt dat [gedaagde 1] als betaling van Bo Wah aan Moises van de in die kwitanties vermelde statements op 2 december 2015 Afl. 4.650,14 in ontvangst heeft genomen. Dat bedrag komt overeen met het in productie F bij Bo Wah vermelde bedrag. Echter valt dat op 2 december 2015 door [gedaagde 1] ontvangen bedrag niet binnen de voor [gedaagde 2] relevante periode van 30 juni 2015 tot 9 november 2015, en blijft daarom buiten beschouwing.

3.11.3

Bij het verzoekschrift zijn kwitanties overgelegd met betrekking tot New 88 Food Mart. Uit die niet of onvoldoende door [gedaagde 2] bestreden kwitanties blijkt dat [gedaagde 1] als betaling van New 88 Food Mart aan Moises van de in die kwitanties vermelde statements op 21 augustus 2015 Afl. 6.906,44, op 30 september 2015 Afl. 1.678,94 en op 20 november 2015 Afl. 3.103,15 in ontvangst heeft genomen. Het totaal van die bedragen komt overeen met de in productie F bij New 88 Food Mart vermelde bedrag ad Afl. 11.688,53. Echter valt voormeld op 20 november 2015 door [gedaagde 1] ontvangen bedrag niet binnen de voor [gedaagde 2] relevante periode van 30 juni 2015 tot 9 november 2015, en strekt daarom in mindering op het hiervoor vermelde totaalbedrag. Vast komt daarom te staan dat [gedaagde 1] in de periode van 30 juni 2015 tot 6 november 2015 (11.688,53 minus 3.103,15 =) in totaal Afl. 8.585,38 in ontvangst heeft genomen van New 88 Food Mart. Als zijnde gemotiveerd bestreden staat vooralsnog niet vast dat [gedaagde 1] de in deze overweging vermelde bedragen (die hebben geleid tot het vaststaande totaalbedrag ad Afl. 8.585,38) heeft verduisterd voor 9 november 2015. Moises zal in de gelegenheid worden gesteld om door middel van getuigenbewijslevering te bewijzen dat zulks wel het geval is.

3.11.4

Bij het verzoekschrift zijn kwitanties overgelegd met betrekking tot Feng Da. Uit die niet of onvoldoende door [gedaagde 2] bestreden kwitanties blijkt dat [gedaagde 1] als betaling van Feng Da aan Moises van de in die kwitanties vermelde statements op 12 oktober 2015 Afl. 5.309,51 en op 24 november 2015 Afl. 9.383,07 in ontvangst heeft genomen. Het totaal van die bedragen komt overeen met het in productie F bij Feng Da vermelde bedrag ad Afl. 14.692,58. Echter valt voormeld op 24 november 2015 door [gedaagde 1] ontvangen bedrag niet binnen de voor [gedaagde 2] relevante periode van 30 juni 2015 tot 9 november 2015, en strekt daarom in mindering op het hiervoor vermelde totaalbedrag. Vast komt daarom te staan dat [gedaagde 1] in de periode van 30 juni 2015 tot 6 november 2015 (14.692,58 minus 9.383,07 =) in totaal Afl. 5.309,51 heeft ontvangen van Feng Da. Als zijnde gemotiveerd bestreden staat vooralsnog niet vast dat [gedaagde 1] de in deze overweging vermelde bedragen (die hebben geleid tot het vaststaande totaalbedrag ad Afl. 5.309,51) heeft verduisterd voor 9 november 2015. Moises zal in de gelegenheid worden gesteld om door middel van getuigenbewijslevering te bewijzen dat zulks wel het geval is.

3.11.5

Bij het verzoekschrift zijn kwitanties overgelegd met betrekking tot Hua Run. Uit die niet of onvoldoende door [gedaagde 2] bestreden kwitanties blijkt dat [gedaagde 1] als betaling van Hua Run aan Moises van de in die kwitanties vermelde statements op 17 augustus 2015 Afl. 10.373,15 en Afl. 6.568,84, en op 17 september 2015 Afl. 7.741,66. Voorts zijn overgelegd met betrekking tot Hua Run twee ongedateerde kwitanties, de één goed voor Afl. 15.127,34 en de ander goed voor Afl. 8.447,32. Het totaal van al die bedragen komt overeen met het in productie F bij Hua Run vermelde bedrag ad Afl. 48.258,31. Bedoelde twee ongedateerde kwitanties blijven vooralsnog buiten beschouwing. Te dien aanzien zal Moises in de gelegenheid worden gesteld om door middel van het doen horen van getuigen te bewijzen dat [gedaagde 1] die in die kwitanties vermelde bedragen heeft ontvangen van Hua Run in de periode van 30 juni 2015 tot 9 november 2015. Dit één en ander brengt mee dat tot nog toe komt vast te staan dat [gedaagde 1] in de periode van 30 juni 2015 tot 6 november 2015 (10.373,15 + 6.568,84 + 7.741,66 =) in totaal Afl. 24.683,65 heeft ontvangen van Hua Run. Als zijnde gemotiveerd bestreden staat vooralsnog niet vast dat [gedaagde 1] de in deze overweging vermelde bedragen (die hebben geleid tot het tot nog toe vaststaande totaalbedrag ad Afl. 24.683,65) heeft verduisterd voor 9 november 2015. Moises zal in de gelegenheid worden gesteld om door middel van getuigenbewijslevering te bewijzen dat zulks wel het geval is. Hetzelfde geldt ten aanzien van de in deze overweging vermelde nog door Moises te bewijzen bedragen, indien en voorzover de ontvangst door [gedaagde 1] van die bedragen in de periode van 30 juni 2015 tot 9 november 2015 vast komt te staan.

3.11.6

Bij het verzoekschrift zijn met betrekking tot Calidad geen kwitanties of andere voldoende heldere stukken overgelegd die de stelling van Moises, dat [gedaagde 1] in de periode juni tot en met oktober 2015 in totaal Afl. 66.189,14 van Calidad heeft ontvangen. Die stelling mist wat betreft juni 2015 voldoende grondslag, nu alle mogelijke door [gedaagde 1] van Calidad in juni 2015 voor de 30ste van die maand ontvangen bedragen ook hebben te gelden als zijnde ontvangen in juni 2015. Het had in elk geval wat deze maand betreft op de weg gelegen van Moises om precies aan te geven welke bedragen precies en wanneer precies volgens haar zijn ontvangen door [gedaagde 1]. Deze stelling wordt daarom gepasseerd. Moises zal in de gelegenheid worden gesteld om door middel van het doen horen van getuigen te bewijzen dat [gedaagde 1] in de maand juli tot en met oktober 2015 in totaal maximaal

Afl. 66.189,14 heeft ontvangen van Calidad, en dat [gedaagde 1] dat bedrag (of een deel daarvan) voor 9 november 2015 heeft verduisterd.

3.12

De zaak zal voor getuigenbewijslevering worden verwezen naar de hierna vermelde terechtzitting, tijdens welke ruimte bestaat voor het horen van maximaal drie getuigen. Moises dient uiterlijk drie dagen voor die zitting de personalia van de door haar voor te brengen getuigen schriftelijk kenbaar te maken aan het Gerecht en aan [gedaagde 2].

3.13

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 DE UITSPRAAK

Het Gerecht:

-stelt Moises in de gelegenheid om door middel van het doen horen van getuigen te bewijzen hetgeen zij ingevolge rechtsoverweging 3.11.1 en 3.11.3 tot en met 3.11.6 dient te bewijzen;

-verwijst de zaak daartoe naar de terechtzitting van dinsdag 25 september 2018 om 09:00 uur, te houden in de enquêtezaal van het in Aruba te J.G. Emanstraat nr. 51 gelegen gerechtsgebouw;

-bepaalt dat Moises uiterlijk drie dagen voor die zitting de personalia van de door haar voor te brengen getuigen schriftelijk kenbaar dient te maken aan het Gerecht en aan [gedaagde 2];

-houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 29 augustus 2018 in aanwezigheid van de griffier.