Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2018:504

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
22-08-2018
Datum publicatie
10-09-2018
Zaaknummer
A.R. 1386/AUA201701331
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel, samenwerkingsovereenkomst, mediator.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 22 augustus 2018

Behorend bij A.R. 1386/AUA201701331

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

[Eiser]

wonende te Aruba,

EISER, hierna ook te noemen: [eiser],

gemachtigde: de advocaat mrs. A.F.J. Caster en M.M.M. Ecury,

tegen:

[Gedaagde] ,

wonende te Aruba,

GEDAAGDE, hierna ook te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: de advocaat mr. lic. B.M. de Sousa,

1 DE PROCEDURE

in conventie en reconventie

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift;

- de conclusie van antwoord in conventie, tevens van eis in reconventie;

- de conclusie van repliek in conventie, tevens van antwoord in reconventie;

- de conclusie van dupliek in conventie, tevens van repliek in reconventie;

- de conclusie van dupliek in reconventie.

De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Op 31 augustus 2016 zijn partijen de navolgende overeenkomst aangegaan:

‘CONTRACT SAMENWERKING ALS EIGENAREN VAN [NAAM], TEVENS CONTRACT TOT HET AANGAAN VAN EEN TIJDELIJKE LENING VAN PARTIJ 2 AAN PARTIJ 1

PARTIJ 1 [GEDAAGDE] […]

PARTIJ 2 [EISER] […]

Partijen 1 en 2 verklaren hierbij een samenwerking aan te gaan in de vorm van een op te richten NV [naam] […]

Doel van de samenwerking is het beheren en commercieel uitbaten van een koffiehuis […], als zodanig bekend onder de naam [naam].

Beide partijen zijn verantwoordelijk voor de goede gang van zaken, financieel ieder voor 50% wat betreft uitgaven en inkomsten. Tentatieve startdatum van de samenwerking 1 september 2016.

Partij 2 zal de initiële aankoopsom van 28.000 USD zijnde 50.400 AWG voor zijn rekening nemen, alsmede daar bovenop de initiële financiële aangelegenheden verband houdend met de huurprijs van het pand en de te verwachten kosten voor de aanschaf van inboedel en ingrediënten alsmede personeelslasten welke kosten inclusief de aankoopsom worden verwacht niet verder op te lopen dan tot maximaal 100.000 AWG tot 1 januari 2017.

Partij 1 gaat voor dit doel een lening aan bij partij 2 voor het bedrag van 50.000 AWG […] een lening op basis van een jaarlijks rentepercentage van 5%, af te betalen, uiterlijk binnen 5 jaar.’

2.2

Op 23 september 2016 is het bedrijf ‘[naam]’ ingeschreven in de Kamer van Koophandel te Aruba. Als eigenaar is vermeld: [naam eigenaar].

2.3

Uit de notariële akte van 29 november 2016 (productie 1 bij conclusie van antwoord in conventie, eis in reconventie) volgt dat partijen tezamen de vennootschap ‘[naam] VBA opgericht hebben. Het doel van de vennootschap is het voortzetten van de als eenmanszaak gedreven onderneming onder de naam ‘[naam]’. [eiser] en [gedaagde] zijn ieder voor 50% aandeelhouder in deze vennootschap en [eiser] wordt voor de eerste keer tot directeur benoemd.

2.4

Op 19 december 2016 sluiten partijen de navolgende aanvullende overeenkomst, hierna ‘het addendum’;

‘[…]

Over de intussen op 1 december 2016 uit de hand gelopen uitgaven, die zoals betaald door partij 2 thans 147.763,07 Afl. bedragen, zal nader overlegd moeten worden. Partij 1 zal naar rato moeten bijdragen aan de uitgaven boven de 100.000 zoals hierboven aangegeven.

Partij 1 ging initieel een lening aan bij Partij 2 voor het bedrag ad 50.000 AWG, zijnde de helft van de initiële startkosten, een lening op basis van een jaarlijks rentepercentage van 5% af te betalen, uiterlijk binnen 5 jaar.

AFBETALINGSSCHEMA jaarlijks 10.000 Afl. met ingang van 01.01.17, maandelijks 833,- plus rente van 5% over de op dat moment resterende hoofdsom op jaarbasis gedeeld door 12.

Startdatum aflossing 01.01.17, laatste aflossing 01.12.21.

2017: Hoofdsom op 01.01.17 50.000, aflossing 833 + rente 208 = 1041 per maand

2018: Hoofdsom op 01.01.18 40.000, aflossing 833 + rente 166 = 1000 per maand

2019: Hoofdsom op 01.01.19 30.000, aflossing 833 + rente 125 = 958 per maand

2020: Hoofdsom op 01.01.20 20.000, aflossing 833 + rente 83 = 916 per maand

2021: Hoofdsom op 01.01.21 10.000, aflossing 833 + rente 42 = 875 per maand’

2.5

Bij email van 4 februari 2017 bericht [eiser] [gedaagde] onder meer als volgt:

‘[…]

174078.98 GRAND total expenses by [eiser] op 10.02.17

NOTA/INVOICE ter attentie van mevr. [gedaagde], schuldenaar [naam bedrijf].

Invoice datum 4 February 2017

‘Sedert de oprichting van [naam] zijn de financiële bedrijfsinvesteringen gedaan door [eiser]. De afspraak luidde dat mevrouw [gedaagde] boven het investeringsbedrag van 100.000 dat begin oktober 2016 reeds bereikt was, op fifty-fifty basis zou meebetalen tot op heden is mevrouw [gedaagde] in verzuim, dus reeds gedurende 4 maanden.

Uw aandeel bedraagt thans 34735 Afl. plus 970

Genoemd bedrag dient uiterlijk op woensdag 8 februari 2017 voor 5 pm op mijn rekening te zijn overgeboekt […]

[eiser], directeur’

2.5

Bij brief van 4 maart 2017 bericht [eiser] [gedaagde] dat hij constateert dat de omzet inmiddels AWG 30.000,00 moet bedragen. Nu [eiser] noch contant geld, noch de administratie in de winkel heeft kunnen ontdekken, gaat hij ervan uit dat [gedaagde] het geld onder zich heeft. [gedaagde] wordt geschorst als verantwoordelijke partner voor de dagelijkse leiding en tevens per direct de toegang tot de winkel ontzegt.

2.7

Op 20 maart 2017 deelt [eiser] [gedaagde] mee dat zij vóór 22 maart 2017

AWG 45.764,00 dient over te maken op zijn CMB-rekening.

2.8

Bij e-mail van 22 maart 2017 bericht [gedaagde] [eiser] dat zij bereid is haar 50% van de aandelen aan hem te verkopen. Tevens deelt [gedaagde] mee dat ze bereid is om de onbetwiste delen van de lening die [eiser] aan haar heeft verstrekt voor de initiële kosten terug te betalen vanaf eind april 2017.

2.9

In reactie hierop bericht de gemachtigde van [eiser] [gedaagde] bij brief van 10 mei 2017 dat zij AWG 50.000,00 vermeerderd met de overeengekomen 5% rente per jaar en buitengerechtelijke incassokosten ad AWG 1.875,00 binnen 7 dagen dient te betalen.

2.10

Bij brief van 15 mei 2017 ontbindt [eiser] de overeenkomst van geldlening, omdat [gedaagde] het bedrag ad AWG 50.000,00 nog niet had terug betaald en zij zich evenmin houdt aan de overeengekomen afbetalingsregeling.

2.11

Bij brief van 8 juni 2017 bericht de gemachtigde van [eiser] [gedaagde] voorts dat zij tevens een bedrag ad AWG 45.764,00 (vermeerderd met buitengerechtelijke kosten) dient te voldoen, aangezien zij tevens de helft dient te betalen van de kosten die AWG 100.000,00 te boven zijn gegaan.

2.12

Bij brief van 22 juni 2017 bericht de gemachtigde van [gedaagde] de gemachtigde van [eiser] dat [gedaagde] voor 50% aandeelhoudster is van “[naam]’ en dat zij van derden heeft moeten vernemen dat [eiser] de onderneming heeft verkocht. Dit is onrechtmatig. Voorts bericht de gemachtigde van [gedaagde] dat zij bereid is met gesloten beurzen haar aandelen over te dragen aan [eiser].

2.13

In reactie hierop laat [eiser] via zijn gemachtigde weten dat de eenmanszaak van mw. [naam] is verkocht en dat hij geen interesse heeft in overname van de aandelen van [gedaagde].

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

in conventie

3.1 [

eiser] vordert -bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - [gedaagde] te veroordelen tot betaling van:

a. AWG 45.764,00

b. AWG 50.000,00

c. vervangende schadevergoeding ad AWG 12.500,00 zijnde de overeengekomen 5% rente;

e. de buitengerechtelijke incassokosten ad AWG 1.875,00;

f. de proceskosten.

3.2 [

eiser] baseert deze vorderingen op het hiervoor weergegeven feitencomplex.

3.3 [

gedaagde] voert hiertegen verweer, dat bij de beoordeling aan de orde komt.

in reconventie

3.4 [

gedaagde] vordert de samenwerkingsovereenkomst van 31 augustus 2016 ontbonden te verklaren en [eiser] aansprakelijk te stellen voor de door [gedaagde] geleden en nog te lijden schade, kosten rechtens.

3.5 [

gedaagde] grondt haar vordering erop dat zij samen met [eiser] een VBA heeft opgericht, waarin zij beiden voor 50% aandeelhouder zijn. [gedaagde] was belast met de dagelijkse leiding van de onderneming en heeft hiervoor nooit enige vergoeding ontvangen. Bovendien heeft [eiser] in strijd met de statuten de onderneming verkocht. De voorwaarde voor het verstrekken van de lening was dat [eiser] en [gedaagde] tezamen zouden participeren in de onderneming. Thans stelt [eiser] dat de onderneming steeds als eenmansbedrijf is gevoerd. Om deze reden acht [gedaagde] zich niet gebonden aan de uit hoofde van de participatie gesloten lening.

3.6 [

eiser] voert tegen de vordering in reconventie verweer, dat zo nodig bij de beoordeling aan de orde komt.

4 DE BEOORDELING

in conventie en reconventie

4.1

De oorzaak van dit geschil is gelegen in de mislukte samenwerking tussen partijen in de VBA ‘[naam]’, waarin beide partijen voor 50% aandeelhouder zijn. De vorderingen over en weer dienen dan ook beoordeeld te worden in het licht van deze participatie en hun verwachtingen hierbij.

4.2

Uit artikel 2 lid 1 sub a van de oprichtingsakte volgt dat de VBA tot doel heeft de voortzetting van de eenmanszaak ‘[naam]’. Anders dan [eiser] stelt houdt het gerecht het er dan ook voor dat de exploitatie van de koffieshop vanaf de oprichting van de VBA op 29 november 2016 plaats vindt onder de vlag van deze vennootschap.

4.3

Vanaf het moment dat de VBA is opgericht, 29 november 2016, gelden tussen partijen de regels zoals verwoord in de statuten. In artikel 13 van de statuten is bepaald dat de vennootschap een bestuur heeft. Gesteld noch gebleken is dat partijen bestuursleden hebben benoemd, zodat aangenomen wordt dat beide aandeelhouders tevens als bestuurder fungeerden, met dien verstande dat [eiser] als eerste tot directeur is benoemd. [eiser] heeft uit hoofde van deze functie besloten om [gedaagde] te schorsen en de toegang tot de zaak te ontzeggen. Dit besluit is evenwel niet rechtsgeldig, aangezien [gedaagde] geen werkneemster was, maar mede eigenaar van de VBA en besluiten genomen dienen te worden conform het bepaalde in artikel 23 van de Statuten.

4.4

Dit geldt ook voor het besluit van [eiser] om ‘de zaak’ te verkopen. Hoewel [eiser] stelt dat hij de eenmanszaak heeft verkocht, acht het gerecht deze stelling niet aannemelijk. De VBA is immers opgericht om de eenmanszaak voort te zetten en partijen hebben in lijn met dit doel gehandeld. Partijen hebben geïnvesteerd in het bedrijf en [gedaagde] is - samen met [naam X] - praktisch leiding gaan geven aan de onderneming. In het licht hiervan is het gerecht van oordeel dat het besluit van [eiser] om de onderneming te verkopen eveneens in strijd is met artikel 23 van de Statuten. Dit besluit had hij niet alleen mogen nemen.

4.5

De tussen partijen tot stand gekomen overeenkomsten kunnen - zoals uit het voorgaande blijkt - niet los worden gezien van de beoogde samenwerking in de VBA. Het gerecht ziet zich thans voor de vraag gesteld of de door [eiser] in rechte gevorderde bedragen verschuldigd en derhalve toewijsbaar zijn.

4.6

Achter sustenu a van het petitum vordert [eiser] [gedaagde] te veroordelen tot betaling van een bedrag ad Afl. 45.764,00. Voor zo ver het gerecht begrijpt baseert [eiser] deze vordering op het addendum van 19 december 2016. Hierin zijn partijen overeengekomen dat [gedaagde] ook naar rato dient mee te betalen in kosten die de begroting van Afl. 100.000,00 te boven gaan. Tussen partijen is ten aanzien van deze vordering echter geen gave overeenkomst tot stand gekomen, nu partijen geen afspraken hebben gemaakt over de aflossingstermijn en het moment waarop het verschuldigde direct en volledige opeisbaar zou worden. Het is het gerecht dan ook onduidelijk op welke rechtsgrond [gedaagde] thans gehouden is om het verschuldigde bedrag ineens en volledig te betalen. Afgesproken is immers slechts dat [gedaagde] naar rato dient bij te dragen, doch vanaf wanneer en op welke wijze is onduidelijk. Daar komt bij dat ook de hoogte van het gevorderde bedrag ook niet feitelijk is onderbouwd. Een en ander heeft tot gevolg dat deze vordering een juridische rechtsgrond ontbeert en derhalve afgewezen wordt.

4.7

In sustenu b van het petitum vordert [eiser] een bedrag van AWG 50.000,00. De grondslag voor deze vordering is de overeenkomst van 31 augustus 2016. Partijen hebben afgesproken dat [gedaagde] dit bedrag dient terug te betalen uiterlijk binnen 5 jaar, vermeerderd met 5% rente. In het addendum van 19 december 2016 hebben partijen deze overeenkomst nader ingevuld en is een aflossingsschema overeengekomen ingaande 1 januari 2017 gedurende 5 jaar, gebaseerd op AWG 10.000,00 per jaar vermeerderd met 5% rente. Partijen zijn echter niet overeengekomen dat bij wanprestatie aan de zijde van [gedaagde], het verschuldigde volledig ineens en volledig opeisbaar zou zijn. Onduidelijk is dan ook waarom [gedaagde] gehouden is het gevorderde ineens en volledig te betalen, zodat ook deze vordering een juridische grondslag ontbeert.

4.8

Nu de nevenvorderingen het lot van de hoofdvorderingen volgen, worden deze ook afgewezen.

4.9 [

gedaagde] vordert in reconventie ontbinding van de samenwerkingsovereenkomst wegens wanprestatie. Ook deze vordering wordt afgewezen wegens het ontbreken van een feitelijke grondslag. Onduidelijk is immers in welke concrete verplichting(en) uit hoofde van welke overeenkomst [eiser] concreet toerekenbaar te kort is geschoten jegens [gedaagde].

4.10

Het gerecht is zich ervan bewust dat de uitkomst van deze procedure teleurstellend is voor beide partijen. Dit is evenwel het gevolg van het feit dat partijen met elkaar in zee zijn gegaan, zonder dat zij de gemaakte afspraken helder en schriftelijk hebben vast gelegd. Daar komt bij dat [gedaagde] bereid was om te investeren en hiervoor geld te lenen bij [eiser], omdat zij perspectief zag in het samen runnen van een onderneming. Dit perspectief is volledig verdwenen omdat [eiser] de samenwerking abrupt heeft beëindigd. Het komt het gerecht voor dat partijen - wellicht onder leiding van een mediator - trachten tot een vergelijk te komen.

4.11

Nu partijen over en weer in het ongelijk worden gesteld, worden de proceskosten gecompenseerd.

5 DE BESLISSING

Het gerecht

in conventie en reconventie

5.1

wijst het gevorderde af;

5.2

bepaalt dat elke partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M. Vanwersch, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 22 augustus 2018 in aanwezigheid van de griffier.