Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2018:463

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
23-07-2018
Datum publicatie
07-08-2018
Zaaknummer
K.G. nr. AUA201801759
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort Geding. Gebruiksovereenkomst. Ontruiming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 23 juli 2018

Behorend bij K.G. nr. AUA201801759

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in het kort geding tussen:

1 Eiser 1,

2. Eiseres 2,

3. Eiseres 3de minderjarige dochter van en wettelijk vertegenwoordigd door [moeder van eiseres 3],

de gezamenlijke erven van wijlen [Erflater],

allen wonende in Venezuela,

eisers,

hierna ook te noemen: eisers,

gemachtigde: de advocaat mr. R.A. Wix,

tegen:

[Gedaagde],

wonende in Aruba,

gedaagde,

hierna ook te noemen: gedaagde,

gemachtigde: de advocaat mr. D.L. Emerencia.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met producties, ingediend op 21 juni 2018;

  • -

    de pleitaantekeningen zijdens partijen;

  • -

    de griffiersaantekeningen van de mondelinge behandeling die op 9 juli 2018 heeft plaatsgevonden, waaruit blijkt dat zijn verschenen eisers bij hun gemachtigde mr. L.J. Pieters, occuperende voor mr. Wix, en gedaagde in persoon bijgestaan door zijn gemachtigde.

1.2

Vonnis is bepaald op heden.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Eisers zijn de wettige erfgenamen van wijlen [erflater] (hierna: erflater). De erflater is overleden. In de nalatenschap van erflater valt het woonhuis gelegen te [adres] (hierna: de woning). De verdeling van de nalatenschap heeft nog niet plaatsgevonden.

2.2

Bij een ongedateerde machtiging heeft erflater de heer [X] gemachtigd om in naam van de erflater overeenkomsten te sluiten ten behoeve van onder andere [adres] en om water- en stroomvoorzieningen aan te sluiten.

2.3

Bij brief van 23 februari 2018 is gedaagde gesommeerd een bedrag van Afl. 31.395,00 (inclusief 15% buitengerechtelijke incassokosten) te betalen bij gebreke waarvan de overeenkomst zou worden ontbonden en eisers tot ontruiming zouden overgaan.

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1

Eisers vorderen dat het gerecht bij uitvoerbaar te verklaren vonnis in kort geding gedaagde veroordeelt om de woning te [adres] te verlaten en te ontruimen, met alle daarin aanwezige personen en goederen, voor zover deze laatste niet eigendom zijn van eisers, en deze met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van eisers te stellen, en wel binnen dertig (30) dagen na betekening van het ten deze te wijzen vonnis, met machtiging aan eisers om, indien gedaagde met die ontruiming in gebreke blijft, deze zelf te doen uitvoeren desnoods met behulp van de sterke arm en met veroordeling van gedaagde in de proceskosten.

3.2

Eisers gronden hun vordering erop dat gedaagde geen huur of een gebruiksvergoeding betaalt, zonder recht of titel in de woning verblijft, inbreuk maakt op hun eigendomsrecht en daardoor onrechtmatig handelt jegens eisers. Eisers stellen dat voor zover een gebruiksovereenkomst heeft bestaan, deze in ieder geval is opgezegd bij brief van 23 februari 2018. Eisers stellen gezien de aard en ernst van het onrechtmatig handelen van gedaagde een spoedeisend belang te hebben bij hun vordering.

3.3

Gedaagde voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring dan wel afwijzing van de vordering, kosten rechtens. Gedaagde voert samengevat het volgende verweer. Gedaagde betwist dat de gemachtigde van eisers door eisers, in het bijzonder eiseres sub 3, is gevolmachtigd om deze procedure te voeren. Ten aanzien van de minderjarige eiseres sub 3 dient eerst een bijzondere curator benoemd te worden. Gedaagde betwist ook het spoedeisend belang. Gedaagde betwist voorts dat erflater, zoals door eisers wordt gesteld, op 22 november 2014 is overleden. Volgens gedaagde is erflater pas in november 2015 overleden. Gedaagde stelt dat hij in 2015 met erflater zelf en de heer [X] voornoemd heeft afgesproken dat hij in de woning kon wonen indien hij de woning op zijn kosten zou opknappen en onderhoudswerkzaamheden ten behoeve van andere woningen van erflater zou uitvoeren. Gedaagde verblijft sinds april 2015 in de woning en heeft de woning op eigen kosten opgeknapt. De door eisers overgelegde aanmaning uit maart 2016 is niet door gedaagde ontvangen. Gedaagde is bereid om de woning te verlaten per 1 november 2018.

3.4

Voor zover van belang voor de beslissing worden de stellingen van partijen hierna besproken.

4 DE BEOORDELING

4.1

De gemachtigde van eisers heeft ter zitting aan haar verleende volmachten, waaronder een volmacht van de moeder van eiseres sub 3, laten zien aan de rechter en aan de gemachtigde van de wederpartij. De rechter acht aan de hand daarvan in kort geding voldoende aannemelijk geworden dat de gemachtigde van eisers gemachtigd is om namens eisers op te treden.

4.2

Eisers hebben uit de aard der zaak voldoende spoedeisend belang bij hun vordering.

4.3

Tussen partijen is niet in geschil dat geen sprake is van een huurovereenkomst. Gedaagde heeft voorts niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist dat de gebruiksovereenkomst opzegbaar is. In kort geding is voldoende aannemelijk geworden dat de gebruiksovereenkomst, voor zover die tot stand is gekomen, inmiddels rechtsgeldig is beƫindigd. Eisers hebben er voorts een voldoende gerechtvaardigd belang bij dat gedaagde de woning ontruimt. De gevorderde ontruiming is dan ook in na te noemen zin toewijsbaar. Gedaagde heeft zich ter zitting ook bereid verklaard om uit de woning te vertrekken.

4.4

Gedaagde heeft verzocht om hem tot 1 november 2018 te tijd te geven om een andere woonruimte te zoeken nu hij samen met zijn echtgenote, kinderen en kleinkinderen in de woning woont. Het gerecht zal, de wederzijdse belangen afwegende, bepalen dat gedaagde de woning uiterlijk op 31 augustus 2018 dient te ontruimen.

4.5

Uit het eerste lid van artikel 556 Rv volgt dat eisers de ontruiming niet zelf ter hand mogen nemen, en dat gedwongen ontruiming het exclusieve terrein is van de deurwaarder. Eisers hebben voldoende aan dit vonnis om de deurwaarder te mogen inschakelen indien gedaagde niet vrijwillig tot nakoming daarvan overgaat. In het licht daarvan hebben eisers derhalve geen machtiging nodig om de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen. Voorwaarde is dat het ontruimingsvonnis door de deurwaarder wordt betekend aan gedaagde, en dat aan gedaagde overeenkomstig het bepaalde in artikel 555 Rv bevel wordt gedaan om binnen drie dagen (na ommekomst van de aan haar bij dit vonnis gegunde ontruimingstermijn dus) te ontruimen. De deurwaarder op zijn beurt behoeft geen rechterlijke machtiging om bevoegd te zijn de hulp van de sterke arm van politie en justitie in te roepen indien de deuren van het te ontruimen pand gesloten zijn of de opening daarvan geweigerd wordt. Die bevoegdheid ontleent de deurwaarder immers rechtstreeks aan artikel 557 Rv, waarin artikel 444 Rv van overeenkomstige toepassing wordt verklaard. Voorziet de instrumenterende deurwaarder problemen, dan kan hij op de voet van (strekking en geest van) de Algemene Politieverordening - zonder dat daartoe rechterlijke machtiging nodig is - bijstand van de politie inroepen. In het licht van dit alles valt van de bodemrechter het oordeel te verwachten dat dit onderdeel van het door eisers verzochte moet worden afgewezen. Dat betekent dat dit onderdeel van de thans door eisers verzochte voorziening zal worden afgewezen.

4.6

Gedaagde zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van eisers, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 450,- aan griffierechten, Afl. 222,53 aan oproepingskosten en Afl. 1.000,00 aan gemachtigdensalaris.

5 DE BESLISSING

De rechter in dit gerecht, rechtdoende in kort geding:

5.1

beveelt gedaagde om de woning uiterlijk op 31 augustus 2018 te ontruimen met alle daarin aanwezig personen en zaken, voor zover deze zaken niet aan eisers toebehoren, en de woning onder afgifte van de sleutels daarvan ter vrije beschikking te stellen van eisers;

5.2

veroordeelt gedaagde in de kosten van deze procedure, gevallen aan de zijde van eiser, tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 450,- aan griffierechten, Afl. 222,53 aan oproepingskosten en Afl. 1.000,- aan gemachtigdensalaris;

5.3

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Schoemaker, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 23 juli 2018 in aanwezigheid van de griffier.