Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2018:452

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
24-07-2018
Datum publicatie
24-07-2018
Zaaknummer
K.G. no. AUA201801784
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet niet onverwijld meegedeeld. Doorbetaling loon en wedertewerkstelling toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 24 juli 2018

Behorend bij K.G. no. AUA201801784

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in het kort geding tussen:

[EISER],

wonende in Aruba,

eiser, hierna ook te noemen: [eiser],

gemachtigde: de advocaat mr. A.A. Ruiz,

tegen:

de naamloze vennootschap EXCELSIOR CASINO N.V.,

gevestigd in Aruba,

gedaagde, hierna ook te noemen: Excelsior,

gemachtigde: de advocaat mr. lic. B.M de Sousa.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift ingediend op 22 juni 2018;

- de producties van Excelsior, ingediend op 9 juli 2108;

- de pleitnota’s van beide partijen;

- de aantekeningen van de griffier ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 10 juli 2018.

1.2

Aan partijen is meegedeeld dat vandaag vonnis zou worden gewezen.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1 [

eiser] is bij Excelsior in dienst vanaf 5 maart 2005, laatstelijk in de functie van Floor Supervisor tegen een salaris van Afl 175,00 bruto per dag.

2.2

Op 3 maart 2018 is [eiser] om 20:00 uur begonnen met werken. Hij is ongeschoren op werk verschenen en hij heeft zonder das gewerkt, omdat die kapot is gegaan op de werkvloer. Hij is vervolgens tussen 2:50 en 2:55 uur geschorst voor vijf dagen. Op 12 maart 2018, kort nadat [eiser] weer op werk is verschenen, is hem meegedeeld dat hij geschorst is voor onbepaalde tijd hangende een onderzoek.

2.3 [

eiser] is per telegram van 29 maart 2018 op staande voet ontslagen, omdat hij geld leende aan collega’s waardoor hij zijn autoriteitspositie heeft geschonden en omdat er via de beveiligingscamera is geconstateerd dat hij een aanzienlijk bedrag aan de kassa wisselde. Op 3 april 2018 is nog een ontslagbrief d.d. 29 maart 2018 bij [eiser] thuis bezorgd afkomstig van mr. lic. B.M. de Sousa. In die brief is nog een derde ontslaggrond vermeld, namelijk dat hij slordig op werk is verschenen zonder te scheren en zonder een das te dragen, zodat hij naar huis moest worden gestuurd om zijn uiterlijk te verbeteren.

2.4

Per brief van 3 april 2018 heeft [eiser] de nietigheid van het ontslag ingeroepen.

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1 [

[eiser] vordert – kort gezegd – wedertewerkstelling op verbeurte van een dwangsom, doorbetaling van loon vanaf de ontslagdatum, te vermeerderen met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging en met veroordeling van Excelsior tot vergoeding van de proceskosten.

3.2 [

[eiser] grondt de vordering erop dat het ontslag nietig is omdat er geen sprake is van een dringende reden voor ontslag op staande voet en omdat het ontslag voorts niet onverwijld is gegeven.

3.3

Excelsior voert hiertegen verweer.

4 DE BEOORDELING

4.1

Ten aanzien van het ontslag op staande voet is maatgevend de vraag of de feiten en omstandigheden het ontslag op staande voet rechtvaardigen en of met voldoende zekerheid kan worden aangenomen dat de bodemrechter dit ontslag in stand zal laten. Hiertoe overweegt het Gerecht het volgende.

4.2 [

eiser] stelt niet alleen dat geen dringende reden bestond voor het ontslag op staande voet, hij stelt eveneens dat het ontslag niet onverwijld is gegeven. Vast staat dat tussen de aanleiding voor het ontslag op staande voet en het ontslag zelf 26 dagen zijn verstreken. Dat is, ook wanneer rekening wordt gehouden met het feit dat een werkgever enig respijt kan worden gegeven voordat daadwerkelijk tot ontslag wordt overgegaan, in het onderhavige geval niet onverwijld te noemen. In het algemeen geldt dat een werkgever voortvarend te werk moet gaan wanneer hij een onderzoek wenst in te stellen, de werknemer wil horen, overleg wil voeren en eventueel juridisch advies wenst in te winnen. Dat heeft Excelsior onvoldoende gedaan. Zij heeft met name niet kunnen aangeven welk onderzoek moest worden verricht en zij heeft ook geen bevindingen daarvan overgelegd.

4.3

De door Excelsior daarvoor aangevoerde reden, namelijk dat zij veel werknemers moest spreken die allemaal verschillende diensttijden hebben en dat het bovendien moeite heeft gekost de werknemers schriftelijk te laten verklaren, is niet zwaarwegend genoeg om het tijdsverloop te rechtvaardigen. Daarbij komt dat de in het geding gebrachte verklaringen van de werknemers van ruim na het gegeven ontslag dateren.

4.4

Gezien het voorgaande is naar het voorlopig oordeel van het Gerecht de arbeidsovereenkomst niet onverwijld opgezegd, zodat te verwachten is dat de bodemrechter, later oordelend, het ontslag op staande voet niet in stand zal laten.

4.5

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zullen de vorderingen van [eiser] worden toegewezen. De vraag of het handelen van [eiser] een dringende reden oplevert, kan hiermee in het midden blijven.

4.6

Het Gerecht zal de gevorderde dwangsom ambtshalve matigen tot Afl. 50.000,-.

4.7

Als de in het ongelijk te stellen partij zal Excelsior de proceskosten van [eiser] moeten vergoeden.

5 DE BESLISSING

De rechter in dit Gerecht:

gebiedt Excelsior om, binnen 48 uur na betekening van dit vonnis, [eiser] toe te laten op het werk om de bedongen werkzaamheden van floor supervisor volgens de gebruikelijke werktijden te kunnen uitvoeren, op straffe van een dwangsom van Afl. 500,- voor iedere dag dat Excelsior aan dit gebod niet voldoet een en ander met een maximum van Afl. 50.000,-;

veroordeelt Excelsior tot betaling aan [eiser] van het loon vanaf 29 maart 2018 tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig tot een einde zal zijn gekomen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der opeisbaarheid van de loontermijnen en vermeerderd met de wettelijke verhoging als bedoeld in art. 7A:1614q BW, tot de dag waarop volledig zal zijn betaald;

veroordeelt Excelsior in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op Afl. 450,- aan griffierecht, Afl. 225,80,- aan explootkosten en Afl. 1.500,- aan salaris van de gemachtigde;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Sap, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 24 juli 2018 in aanwezigheid van de griffier.