Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2018:445

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
02-02-2018
Datum publicatie
23-07-2018
Zaaknummer
14 van 2018
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld voor poging tot doodslag door een ijzeren staafje in de rug te steken. Straf: gevangenisstraf van 30 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2018/313
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

S T R A F V O N N I S

in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats],

thans alhier gedetineerd.

1 Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2018. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.E. Yarzagaray.

De officier van justitie, mr. E.D. Schwengle, heeft ter terechtzitting gevorderd de verdachte ter zake van het primair tenlastegelegde te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest.

De raadsman heeft het woord tot verdediging gevoerd.

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft ter terechtzitting vergoeding gevorderd van de door hem opgelopen immateriële schade ten bedrage van Afl. 25.000,-.

Naar aanleiding van deze vordering heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechter de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaart in zijn vordering.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op 25 september 2017 in Aruba, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, opzettelijk [benadeelde partij] van het leven te beroven, met dat opzet die [benadeelde partij] meermalen, althans eenmaal, met een ijzeren staafje, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de linkerzijde van de rug, althans het lichaam, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 2:259 jo artikel 1:119 van het Wetboek van Strafrecht)

althans indien ten aanzien van het vorenstaande geen veroordeling mocht (kunnen) volgen

hij op 25 september 2017 in Aruba, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om, opzettelijk [benadeelde partij] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een ijzeren staafje, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de linkerzijde van de rug, althans het lichaam, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

(artikel 2:275 lid 1 jo artikel 1:119 van het Wetboek van Strafrecht)

althans indien ten aanzien van het vorenstaande geen veroordeling mocht (kunnen) volgen

dat hij op 25 september 2017 in Aruba, opzettelijk [benadeelde partij] heeft mishandeld met een wapen, te weten een ijzeren staafje, althans een scherp en/of puntig voorwerp, zijnde een wapen als bedoeld bij het tweede lid van artikel 1 van de Wapenverordening, immers heeft hij toen en aldaar de voornoemde [benadeelde partij] meermalen, althans eenmaal, met een ijzeren staafje, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de linkerzijde van de rug, althans het lichaam, gestoken, waardoor die [benadeelde partij] enig letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(artikel 2:273 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht)

3 Voorvragen

Geldigheid van de dagvaarding

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke vereisten voldoet en dus geldig is.

Bevoegdheid van het gerecht

Krachtens de wettelijke bepalingen is het gerecht bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

Redenen voor schorsing van de vervolging

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging gebleken.

4 Bewijsbeslissingen

Bewezenverklaring

Het gerecht heeft uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat het bewezen acht dat:

hij op 25 september 2017 in Aruba, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om, opzettelijk [benadeelde partij] van het leven te beroven, met dat opzet die [benadeelde partij] meermalen, althans eenmaal, met een ijzeren staafje, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de linkerzijde van de rug, althans het lichaam, heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, zoals doorgestreept in de tekst, is niet bewezen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

5 Bewijsmiddelen

De overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de wettige bewijsmiddelen zijn vervat.

De bewijsmiddelen zullen in geval van hoger beroep in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

Bewijsoverwegingen

De verdediging heeft betoogd dat niet is vastgesteld welke verwonding er is toegebracht aan het slachtoffer [benadeelde partij] en niet bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit.

Verdachte heeft verklaard dat hij telkens problemen had met het slachtoffer [benadeelde partij], zijnde een medegedetineerde. Volgens verdachte werd hij door [benadeelde partij] uitgescholden, bedreigd en bespuugd. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de politie ter zake van de beschikbaar gestelde videobeelden volgt dat op de videobeelden het volgende te zien is. Voorafgaand aan het incident trachtten een aantal gedetineerden, die op dezelfde vleugel als verdachte gedetineerd zaten, met behulp van een voorwerp het hangslot van een traliedeur, die leidt tot de vleugel waar [benadeelde partij] gedetineerd zat, te breken om bij [benadeelde partij] te komen. [benadeelde partij] stond op dat moment vlak tegen de traliedeur, alwaar een van de medegedetineerden hem herhaaldelijk vuistslagen toediende. Verdachte kwam dichter bij de traliedeur en pakte iets vanuit zijn broeksband. Hij stak zijn arm door het hekwerk van de toegangsdeur naar de vleugel van [benadeelde partij] en zwaaide vervolgens met zijn arm richting [benadeelde partij], terwijl hij een puntig voorwerp in zijn hand vasthield. [benadeelde partij] voelde met zijn hand aan de linkerzijde van zijn rug, keerde naar zijn cel terug en kwam een poosje later tevoorschijn met een doek, welke hij tegen de verwonde plek op zijn rug hield.

Tegen de politie heeft de verdachte verklaard dat hij [benadeelde partij] heeft gestoken met een ijzeren staafje, dat hij zelf een steekwapen noemde, en tevens dat als hij [benadeelde partij] niet had neergestoken, [benadeelde partij] hem zou neersteken. Ter terechtzitting heeft verdachte nader verklaard dat hij [benadeelde partij] heeft gestoken met een verroest, puntig ijzeren staafje. Hij heeft daarvan ook een tekening gemaakt, welke tekening aan het dossier is gevoegd. Hij heeft tevens verklaard dat hij [benadeelde partij] links op de middenrug heeft gestoken.

Een medische verklaring van het door [benadeelde partij] opgelopen letsel ontbreekt in het dossier. Uit het dossier volgt wel dat [benadeelde partij] enkele dagen in het ziekenhuis opgenomen is geweest, waaruit de conclusie kan worden gerechtvaardigd dat het opgelopen letsel zodanig ernstig was dat hij anders dan poliklinisch moest worden behandeld.

Uit voornoemde feiten en omstandigheden leidt het gerecht voorts af dat de verdachte met kracht moet hebben gestoken.

Het gerecht concludeert op grond van vorenstaande geschetste feiten en omstandigheden - in onderling verband en samenhang bezien - dat verdachte doelbewust met een puntig ijzeren staafje naar de traliedeur waar de medegedetineerde zich op dat moment bevond is gelopen en hem met kracht in het midden (links) van de rug heeft gestoken. Door aldus te handelen heeft de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de punt van het steekwapen een vitaal orgaan, zoals de long, zou raken en dat het slachtoffer daardoor zou komen te overlijden. Daarmee is opzet op de dood van het slachtoffer in voorwaardelijke zin bewezen.

6. Kwalificatie en strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Poging tot doodslag,

strafbaar gesteld bij artikel 2:259 juncto artikel 1:119 van het Wetboek van Strafrecht.

Het bewezenverklaarde is strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid ervan opheffen of uitsluiten.

7 Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar nu geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid opheffen of uitsluiten.

8 Oplegging van straf of maatregel

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het gerecht na te noemen beslissing passend. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft een medegedetineerde van het leven trachten te beroven, door hem met een steekwapen in de rug te steken. De medegedetineerde raakte gewond en moest worden opgenomen in het ziekenhuis. Dat die medegedetineerde niet is overleden is niet aan verdachte te danken. Slachtoffers van dergelijke misdrijven lijden vaak langdurig onder lichamelijke en psychische gevolgen van zo’n traumatische gebeurtenis. Verdachte is door zijn laakbaar handelen geheel voorbij gegaan aan de gevoelens van onrust en onveiligheid die door een dergelijk feit in de samenleving worden veroorzaakt. Het onderhavige feit voorts is een feit met een agressief en gewelddadig karakter. Oplegging van een vrijheidsontnemende straf is op zich geïndiceerd.

Ten nadele van verdachte geldt dat hij reeds eerder voor geweldsdelicten, waaronder een soortgelijk misdrijf, is veroordeeld.

Bij de strafoplegging houdt het gerecht rekening met de relatief jonge leeftijd van verdachte.

Alles afwegende kan niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan gevangenisstraf van na te melden duur.

9 Benadeelde partij

Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij [benadeelde partij] schade heeft geleden ten gevolge van het door verdachte gepleegde feit, als bewezen verklaard. De hoogte van die schade is echter niet komen vast te staan, nu de benadeelde partij zijn vordering niet met bewijsstukken heeft onderbouwd. De benadeelde partij dient derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is mede gegrond op de artikelen 1:13 en 1:62 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

Het gerecht:

verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit zoals hierboven bewezen geacht heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte hiervoor strafbaar;

kwalificeert het bewezenverklaarde als hierboven omschreven;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van DERTIG (30) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] in zijn vordering niet ontvankelijk.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. M. Schoemaker en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit gerecht op 2 februari 2018, in tegenwoordigheid van de griffier.