Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2018:402

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
02-07-2018
Datum publicatie
04-07-2018
Zaaknummer
AUA201801456
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoeker is vanwege het overtreden van de Vuurwapenverordening (verboden vuurwapenbezit) veroordeeld tot een gevangenisstraf. Het feit waarvoor verzoeker is veroordeeld, kan naar het oordeel van het

gerecht, als ernstig worden gekwalificeerd. Aan een ambtenaar mogen zeker hoge eisen worden gesteld wat de integriteit en betrouwbaarheid betreft. Verweerder heeft zich dan ook op goede grond op het

standpunt kunnen stellen dat verzoeker met zijn handelen het aanzien van zijn ambt en het vertrouwen in hem ernstig heeft beschadigd. Gelet op de strafrechtelijke veroordeling van verzoeker en de ernst van het

feit waarvoor hij is veroordeeld, heeft verweerder de disciplinaire straf van ontslag mogen opleggen. Nu geen van de door verzoeker aangedragen gronden doel treft, komt het gerecht tot de conclusie dat het

bezwaar van verzoeker in de bodemprocedure waarschijnlijk ongegrond zal worden verklaard. Voor het treffen van een voorziening bij voorraad bestaat daarom geen aanleiding. Het verzoek wordt derhalve

afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 2 juli 2018

AUA201801456

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het verzoek tot het treffen van een voorziening bij voorraad als bedoeld in

artikel 94 van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak (La) van:

[verzoeker],

wonend te Aruba,

VERZOEKER,

gemachtigde: mr. R.P. Lee,

tegen:

de Gouverneur van Aruba,

zetelende te Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. V. Emerencia (DWJZ).

1 PROCESVERLOOP

Bij landsbesluit van 20 maart 2018, no. 2, heeft verweerder verzoeker met toepassing van artikel 98, eerste lid onder d van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht, ontslag verleend, zulks met ingang van de dag na dagtekening van dit landsbesluit.

Tegen dit besluit heeft verzoeker op 17 en 26 april 2018 bezwaar gemaakt bij dit gerecht.

Tevens heeft hij zich tot het gerecht gewend met een verzoek tot het treffen van een voorziening bij voorraad ertoe strekkende dat zijn ambtelijke bezoldiging wordt doorbetaald en dat hij wordt toegestaan zijn werkzaamheden te hervatten totdat de bestreden beschikking onherroepelijk is geworden.

Het verzoek is op 18 juni 2018 in raadkamer behandeld, waar verzoeker is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde voornoemd.

Hierna is uitspraak nader bepaald op heden.

2. OVERWEGINGEN

2.1

Ingevolge artikel 94 van de La kan een ambtenaar bij een met redenen omkleed verzoekschrift aan het gerecht in ambtenarenzaken een beslissing bij voorraad vragen in alle gevallen waarin een bezwaarschrift op grond van deze landsverordening kan worden ingediend, doch waarin ter voorkoming van onevenredig nadeel voor de ambtenaar, een onverwijlde voorziening wenselijk is.

Voor zover de toetsing aan het in artikel 94 van de La neergelegde criterium meebrengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van het gerecht een voorlopig karakter en is dat niet bindend in de bodemprocedure.

2.2

Ingevolge artikel 82, eerste lid van de Lma, kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege door het bevoegde gezag disciplinair worden gestraft.

Het tweede lid bepaalt dat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen, omvat.

Ingevolge het derde sluit een strafvervolging wegens een feit dat mede een plichtsverzuim inhoudt, een disciplinaire strafoplegging wegens datzelfde feit niet uit.

2.3

In artikel 83, eerste lid, onderdeel i, van de Lma is bepaald dat een van de disciplinaire straffen die kan worden toegepast, ontslag is.

2.4

Ingevolge artikel 98, eerste lid, van de Lma kan, buiten de gevallen, hiervoren of bij andere wettelijke regelingen bepaald, de ambtenaar slechts worden ontslagen op grond van:

a. (…);

(…);

d. een onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens misdrijf;

(…).

2.5

Verzoeker is werkzaam bij de Dienst Openbare Werken (DOW) in de rang van onderopzichter tweede klasse. Aan het aan verzoeker opgelegde disciplinaire ontslag is ten grondslag gelegd dat verzoeker op 18 januari 2018 onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsstraf wegens overtreding van artikel 3 van de Vuurwapenverordening. Verweerder voert aan dat hij hoge eisen aan de integriteit en betrouwbaarheid van zijn ambtenaren stelt en verzoeker heeft door zijn handelen het vertrouwen in hem ernstig geschaad. Het is dan ook onwenselijk dat verzoeker nog langer in overheidsdienst blijft, aldus verweerder.

2.6

Bij vonnis van 18 januari 2018 is verzoeker vanwege het overtreden van artikel 3 van de Vuurwapenverordening (verboden vuurwapenbezit) veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijftien maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk. Het feit waarvoor verzoeker is veroordeeld, kan naar het oordeel van het gerecht, als ernstig worden gekwalificeerd. Aan een ambtenaar mogen zeker hoge eisen worden gesteld wat de integriteit en betrouwbaarheid betreft. Verweerder heeft zich dan ook op goede grond op het standpunt kunnen stellen dat verzoeker met zijn handelen het aanzien van zijn ambt en het vertrouwen in hem ernstig heeft beschadigd. Gelet op de strafrechtelijke veroordeling van verzoeker en de ernst van het feit waarvoor hij is veroordeeld, heeft verweerder de disciplinaire straf van ontslag mogen opleggen. Naar het voorlopig oordeel van het gerecht kan dan ook niet met vrucht worden betoogd dat er tussen de door verweerder aan verzoeker opgelegde straf en de gepleegde overtreding onevenredigheid bestaat, als bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de La. De door verzoeker (voorts) aangedragen gronden, waaronder zijn stelling dat verweerder in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheids- rechtszekerheids- en motiveringsbeginsel, werpen voorts onvoldoende gewicht in de schaal om tot het oordeel te komen dat het gegeven ontslag een te zware sanctie is.

2.7

Nu geen van de door verzoeker aangedragen gronden doel treft, komt het gerecht tot de conclusie dat het bezwaar van verzoeker in de bodemprocedure waarschijnlijk ongegrond zal worden verklaard. Voor het treffen van een voorziening bij voorraad bestaat daarom geen aanleiding. Het verzoek wordt derhalve afgewezen.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

wijst het verzoek af.

Deze beslissing is gegeven door mr. A.J.H. van Suilen, rechter, en uitgesproken in raadkamer op maandag, 2 juli 2018, in tegenwoordigheid van de griffier.

Ingevolge het bepaalde in artikel 94, lid 4, Landsverordening ambtenarenrechtspraak staat tegen deze uitspraak geen rechtsmiddel open.