Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2018:334

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
30-05-2018
Datum publicatie
04-06-2018
Zaaknummer
A.R. 391 van 2017/AUA201700424
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel. Verdeling. Tussenvonnis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 30 mei 2018

Behorend bij A.R. 391 van 2017/AUA201700424

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

[EISER]

wonende te Aruba,

eiser, hierna ook te noemen: de man,

gemachtigde: de advocaat mr. J.M.R.F. Scheper,

tegen:

[GEDAAGDE] ,

wonende te Aruba,

gedaagde, hierna ook te noemen: de vrouw,

gemachtigde: de advocaat mr. C.H. Lejuez.

1 DE VERDERE PROCEDURE

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 31 januari 2018;

- de brief van 23 februari 2018 aan de zijde van de man;

- de brief van 13 maart 2018 aan de zijde van de vrouw;

- de aktes van de man en de vrouw.

De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis.

2 DE VERDERE BEOORDELING

2.1

Voorop wordt gesteld dat volhardt wordt bij hetgeen reeds is overwogen en beslist bij tussenvonnis van 31 januari 2018, met uitzondering van hetgeen in r.o. 4.3. sub i en sub j respectievelijk 4.6 is vermeld. Hierop komt het gerecht terug in r.o. 2.5 en 2.6 van dit vonnis. Bij het tussenvonnis van 31 januari 2018 is de vrouw in de gelegenheid gesteld nadere informatie te verstrekken met betrekking tot een door haar gestelde geldlening bij haar vader/ouders, gedateerd 2 oktober 2012, ad Afl. 210.000,00.

2.2

De vrouw heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt en bij akte de overwegingen uit het tussenvonnis herhaald en hieraan - kort weergegeven - toegevoegd:

- het bedrag ad Afl. 210.000,00 is overgeboekt van de rekening van de ouders aan de rekening van de man;

- de ouders hebben ook hun andere dochter geld geleend ten behoeve van het bedrijf […] N.V.;

- voor de terugbetalingen op 5 en 12 december 2015 bestond juridisch gezien geen noodzaak, maar de vrouw voelde zich moreel verplicht.

2.3

Ondanks de nadere toelichting van de vrouw heeft het gerecht niet de overtuiging bekomen dat tussen de vrouw en haar ouders in oktober 2012 een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen. Hiertoe wordt als volgt overwogen. Op de eerste plaats rijmt de omschrijving ‘GIFT’ bij de overboeking niet met de pretense lening. Deze omschrijving hebben de ouders ook gebruikt bij de overboeking van een bedrag ad Afl. 185.000,00 van de zus van de vrouw. Hoewel de vrouw stelt dat ook dit een lening betreft, heeft zij geen verklaring gegeven voor het feit dat ook bij de overmaking aan haar zus “GIFT’ vermeld is. Op de tweede plaats dateert de lening van 2 oktober 2012, terwijl het bedrijf […] N.V. pas 3 jaar later werd opgericht. Dit heeft tot gevolg dat de vrouw voor het aangaan van deze geldlening op 2 oktober 2012 ingevolge het bepaalde in artikel 1:88 lid 1 sub c BW toestemming nodig heeft van de man. Gesteld noch gebleken is dat zij deze toestemming heeft gevraagd en verkregen. Op de derde plaats is het gerecht van oordeel dat voor de terugbetalingen op 5 en 12 december 2015 geen juridische noodzaak bestond, nu gesteld noch gebleken is dat de ouders aandrongen op vervroegde aflossing van de pretense lening. In het licht van deze feiten en omstandigheden is het gerecht van oordeel dat aangenomen dient te worden dat de vrouw getracht heeft de huwelijkse goederengemeenschap - vooruitlopende op de verdeling hiervan - te benadelen. De vrouw dient dan ook het bedrag ad Afl. 210.000,00 aan de huwelijkse goederengemeenschap terug te betalen.

2.4

De man heeft voorts rekening en verantwoording gevraagd van een aantal door de vrouw verrichtte transacties op de CMB rekening 104022102 in de periode oktober 2015 tot 12 februari 2016. De vrouw heeft bij conclusie van antwoord getracht een aantal mutaties te verantwoorden, doch de man heeft ook de verantwoording betwist. De vrouw zal dan ook haar stellingen dienaangaande dienen te adstrueren met de onderliggende facturen cq stukken. De vrouw dient een onderbouwing te geven ten aanzien van de bij conclusie van antwoord in reconventie achter sustenu 55 tot en met 74 door de man gevoerde verweren tegen de opnames/betalingen door de vrouw. De zaak zal hiertoe naar de rol worden verwezen.

2.5

Naar aanleiding van de brief van 23 februari 2018 aan de zijde van de man overweegt het gerecht voorts als volgt:

- anders dan is overwogen in r.o. 4.3. sub i van het tussenvonnis d.d. 31 januari 2018 worden de spaarrekeningen van de minderjarige kinderen gehouden bij Aruba Bank;

- anders dan is overwogen in r.o. 4.3 sub j van het tussenvonnis d.d. 31 januari 2018 bedroeg de schenking van de grootmoeder aan de man € 50.000,00 en niet Afl. 50.000,00;

- anders dan is overwogen in r.o. 4.6 van het tussenvonnis van 31 januari 2018, is de bijlage van de brief van de CBA d.d. 19 december 2013 als productie 13 bij de conclusie van antwoord in reconventie overgelegd;

- anders dan is overwogen in r.o. 4.6 van het tussenvonnis d.d. 31 januari 2018, is het afschrift van Aruba Bank d.d. 29 juni 2017 als productie 10 bij de conclusie van antwoord in reconventie overgelegd.

2.6

Bij brief van 23 februari 2018 wijst de man er tevens op dat partijen nog verdeeld zijn over de (pretense) lening van de moeder van de man. Hiertoe strekt het volgende.

De man heeft als productie 16 bij verzoekschrift een schriftelijke verklaring overgelegd van [de moeder van de man], waarin zij verklaart dat zij een bedrag ad Afl. 68.082,19 heeft voorgeschoten voor de bouw van het woonhuis van de man en de vrouw. De man heeft hiervan tot 23 februari 2016 een bedrag van Afl. 7.000,00 afgelost. De vrouw betwist dat dat er sprake is van een gemeenschappelijke schuld. Bij conclusie van antwoord in reconventie heeft de man gesteld dat zijn moeder alle ‘voorgeschoten’ kosten bijhield in een schriftje. Hiervan heeft hij de kopieën overgelegd. Tevens heeft de man vele facturen overgelegd. Nu de vrouw geen gelegenheid meer heeft gehad om hierop te reageren wordt zij alsnog in die gelegenheid gesteld. Ook hiertoe dient de rolverwijzing.

2.7

De zaak wordt naar de rol verwezen akte aan de zijde van de vrouw als bedoeld in r.o. 2.4 en 2.6.

2.8

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3 DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:

in conventie en reconventie

3.1

verwijst de zaak naar de rol van woensdag 27 juni 2018 voor akte uitlating als bedoeld in r.o. 2.4 en 2.6 van dit vonnis aan de zijde van de vrouw;

3.2

bepaalt dat de man aansluitend in de gelegenheid wordt gesteld een contra-akte te nemen;

3.3

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y.M. Vanwersch, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 30 mei 2018 in aanwezigheid van de griffier.