Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2018:280

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
14-05-2018
Datum publicatie
28-05-2018
Zaaknummer
LAR nrs. AUA201800719 en AUA201800861
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Landsverordening Administratieve Rechtspraak (Lar) - verzoek in de zin van artikel 54 Lar - Hinderverordening - afgraving - bestuursdwang

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 14 mei 2018

LAR nrs. AUA201800719 en AUA201800861

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het verzoek in de zin van artikel 54 van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

SPP CARIBBEAN BETON INDUSTRIE VBA ,

gevestigd in Aruba,

VERZOEKSTER,

gemachtigde: de advocaat mr. C. Helen Lejuez,

gericht tegen:

DE MINISTER VAN JUSTITIE ,

zetelende in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. I.L. Ras-Orman (DWJZ).

Als derde-belanghebbenden hebben aan het geding deelgenomen:

STICHTING FUNDACION CONSERVA AREA CRISTAL,

zetelende te Aruba,

[buurtbewoner 1], buurtbewoner,

[buurtbewoner 2], buurtbewoner,

[buurtbewoner 3], buurtbewoner,

[buurtbewoner 4], buurtbewoner,

[buurtbewoner 5], buurtbewoner en,

[buurtbewoner 6], buurtbewoner,

allen wonende te Aruba,

gemachtigde: de advocaat mr. J.M. de Cuba.

1 PROCESVERLOOP

Op 28 november 2017 heeft verzoekster, door indiening van het daarvoor bestemde aanvraagformulier, aan verweerder verzocht om verlening van een vergunning ingevolge de hinderverordening tot het mogen oprichten/veranderen/verplaatsen van een betonfabriek te Seroe Crystal 6-Z.

Op 12 maart 2018 heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beschikking op haar verzoek om verlening van voormelde vergunning.

Op 15 maart 2018 heeft verzoekster zich voorts tot het gerecht gewend met het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening (zaaknummer AUA201800719).

Bij beschikking van 20 maart 2018 heeft verweerder verzoekster per onmiddellijke ingang de voortzetting van de werkzaamheden verboden totdat op de aanvraag ingevolge de hinderverordening is beslist.

Op 22 maart 2018 heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen voornoemde beschikking.

Op 29 maart 2018 heeft verzoekster zich voorts tot het gerecht gewend met het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening (zaaknummer AUA201800861).

Verweerder heeft op 16 april 2018 stukken ingediend.

De derde-belanghebbenden hebben op 16 april 2018 een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 17 april 2018, waarbij aanwezig waren verzoekster bij haar gemachtigde en Luis de Batista, Amador Gutierrez en Edward Fowler, verweerder bij zijn gemachtigde en de derde-belanghebbenden bij hun gemachtigde en [buurtbewoner], [buurtbewoner] en [buurtbewoner].

Uitspraak is nader bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Lar, kan, indien krachtens deze landsverordening een bezwaar- of beroepschrift aanhangig is, de indiener daarvan aan het gerecht verzoeken om de bestreden beschikking onderscheidenlijk het bezwaarschrift te schorsen op grond, dat de uitvoering daarvan voor betrokkene een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan ter voorkoming van nadeel als bedoeld in het eerste lid, op het verzoek van genoemde indiener ook een voorlopige voorziening worden getroffen.

2.2

Voor zover de toetsing aan het in artikel 54, eerste lid, van de Lar neergelegde criterium meebrengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van het gerecht een voorlopig karakter en is dat niet bindend in de bodemprocedure.

Het verdere relevante juridische kader

2.3

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Lar kan degene die door een beschikking rechtstreeks in zijn belang is getroffen, het bestuursorgaan verzoeken de beschikking in heroverweging te nemen, tenzij deze op bezwaar is genomen.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt het uitblijven van een beschikking binnen de bij of krachtens landsverordening gestelde termijn, of, bij gebreke van een zodanige termijn, het uitblijven van een beschikking binnen twaalf weken nadat daartoe door de belanghebbende een verzoek is ingediend, gelijkgesteld met een afwijzende beschikking.

2.4

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Lar bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken en gaat deze in op de dag na die waarop de beschikking is gedagtekend.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel bedraagt, indien het bezwaarschrift evenwel betrekking heeft op het uitblijven van een beschikking, de termijn acht weken en gaat hij in op de dag waarop het bestuursorgaan in gebreke raakt, tijdig een beschikking te geven.

2.5

Ingevolge artikel 1 van de Hinderverordening is het verboden zonder vergunning van de minister van Justitie en Publieke Werken inrichtingen, die hetzij door de verspreiding van stank, rook of dampen, hetzij door geraas of gedruis, hetzij anderszins, voor de omgeving hinder, schade of gevaar kunnen veroorzaken, op te richten.

2.6

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Hinderverordening wordt van elk verzoek om een vergunning tot het oprichten van een inrichting als bedoeld in artikel 1, door de minister van Justitie en Publieke Werken aankondiging gedaan in een of meer nieuwsbladen. Daarbij wordt mededeling gedaan van het bepaalde in het tweede lid.

Ingevolge het tweede lid wordt het verzoek met de bijlagen, genoemd in artikel 3, gedurende dertig dagen na de in het eerste lid bedoelde aankondiging ter visie gelegd op het Centraal Bureau Juridische en Algemene Zaken. (…)

2.7

Ingevolge artikel 6 van de Hinderverordening beslist de minister van Justitie en Publieke Werken binnen een maand na afloop van de in het tweede lid van artikel 4 bepaalde termijn over het verzoek en geeft daarvan terstond kennis aan de verzoeker en aan hen, die bezwaren inbrachten.

2.8

Ingevolge Artikel 10, eerste lid, van de Hinderverordening kan de vergunning alleen worden geweigerd in geval van vrees voor:

a. hinder van ernstige aard, zoals het ter bewoning ongeschikt maken van woonhuizen of gedeelten daarvan, het belemmeren van het gebruik van de gebouwen en lokalen, bedoeld in artikel 3, onder C, overeenkomstig de bestemming van die gebouwen of lokalen, het verspreiden van stank, rook of dampen en het maken van geraas of gedruis;

b. schade aan eigendommen, bedrijven of gezondheid;

c. gevaar.

2.9

Ingevolge artikel 17 wordt het voortzetten der werkzaamheden in een inrichting als bedoeld in artikel 1, voor de oprichting waarvan geen vergunning is verleend, of ten opzichte waarvan de vergunning overeenkomstig het bepaalde in artikel 14 is getrokken, door de minister van Justitie en Publieke Werken verboden en zo nodig wordt de inrichting gesloten of worden de daarin aanwezige werktuigen verzegeld.

De feiten

2.10

Verzoekster is opgericht bij akte van 29 mei 2015.

2.10.1

Verzoekster heeft op 3 augustus 2015 een vestigingsvergunning verkregen.

2.10.2

Op 20 december 2016 heeft Solar Island Power VBA, een zusterbedrijf van verzoekster, het stuk grond te Boedoei (Budui) z/n gekocht van Brandford Investment LTD.

2.10.3

Verzoekster exploiteert het terrein.

2.10.4

Verzoekster heeft op 28 november 2017 een aanvraag ingediend ter verkrijging van een vergunning ingevolge de hinderverordening voor een betonfabriek.

De standpunten

2.11

Met haar verzoek om een voorlopige voorziening (in zaaknummer AUA201800719) wenst verzoekster dat de (fictief) afwijzende beslissing wordt geschorst totdat op het bezwaarschrift zal zijn beslist, althans aan haar ontheffing van de stopzetting van de werkzaamheden te verlenen. Met haar verzoek om een voorlopige voorziening (in zaaknummer AUA201800861) wenst verzoekster dat de uitvoering van de beschikking van 20 maart 2018 wordt geschorst totdat op het bezwaarschrift zal zijn beslist, althans aan haar ontheffing van de stopzetting van de werkzaamheden te verlenen. Verzoekster betoogt - kort samengevat - dat zij onevenredig nadeel lijdt aangezien zij geen andere bronnen van inkomsten heeft en dat zij grote investeringen heeft gedaan. Toen verzoekster het terrein kocht werden daar al dezelfde werkzaamheden uitgevoerd. Zij heeft een toezegging van de overheid om de werkzaamheden uit te voeren en er is sprake van een gewoonterecht c.q. gedoogbeleid, aldus verzoekster.

2.12

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de brief van 20 maart 2018 geen beschikking is in de zin van de Lar, maar een mededeling van informatieve aard. Ook is er nog geen sprake van een fictief afwijzende beslissing op het verzoek om een vergunning ingevolge de hinderverordening omdat de publicatie pas op 18 december 2017 heeft plaatsgevonden. Volgens verweerder treedt de fictieve weigering twaalf weken na 18 februari 2018 in. Verweerder kan de onrechtmatige situatie niet langer laten voortduren en het algemeen belang om op te treden dient zwaarder te wegen dan het belang van verzoekster.

Beoordeling

2.13

Voor honorering van het onderhavig verzoek is onder meer vereist dat een aanmerkelijke kans bestaat dat de bestreden beschikking in bezwaar niet in stand zal blijven.

Ontvankelijkheid van het bezwaarschrift (AUA201800719)

2.14

Door verweerder is aangevoerd dat hij ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift nog niet in gebreke was geraakt tijdig een beschikking te geven op het verzoek tot afgifte van een vergunning ingevolge de Hinderverordening. De publicatie heeft op 18 december 2017 plaatsgevonden. Uit artikel 4, tweede lid van de Hinderverordening vloeit voort dat het verzoek na de aankondiging in een of meer nieuwsbladen gedurende dertig dagen ter visie wordt gelegd, waarna verweerder binnen een maand moet beslissen. Anders dan verweerder stelt, treedt de fictieve weigering niet twaalf weken na 18 februari 2018 in, maar is verweerder op 19 februari 2018 in gebreke geraakt om op het verzoek te beslissen. Naar het voorlopig oordeel van het gerecht is het op 12 maart 2018 ingediende bezwaarschrift derhalve tijdig ingediend.

Brief van 20 maart 2018 (AUA201800861)

2.15

Bij brief van 20 maart 2018 heeft verweerder verzoekster per onmiddellijke ingang de voortzetting van de werkzaamheden verboden totdat op de aanvraag ingevolge de hinderverordening is beslist. Anders dan verweerder meent, is de brief naar het voorlopig oordeel van het gerecht aan te merken als een op rechtsgevolg gerichte beschikking nu aan verzoekster een stilleggingsbevel wordt opgelegd. De brief heeft, gelet op haar inhoud en strekking, onmiskenbaar het karakter van een door verweerder met toepassing van artikel 17 van de Hinderverordening aan verzoekster opgelegde last onder bestuursdwang.

2.16

Niet in geschil is dat verzoekster zonder hindervergunning de betreffende bedrijfsactiviteiten werkzaamheden uitvoert en in strijd handelt met artikel 1 van de Hinderverordening. Volgens vaste jurisprudentie betekent de omstandigheid dat een overtreding lange tijd ongemoeid is gelaten niet zonder meer dat het bestuursorgaan daartegen niet meer handhavend mag optreden.

2.17

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.18

Ter zittting heeft verweerder aangegeven dat - op basis van alle adviezen - het er naar uit ziet dat er sprake is van hinder van ernstige aard voor de omwonenden in de zin van artikel 10, eerste lid onder a, van de Hinderverordening en dat het verzoek om afgifte van een hindervergunning zal worden afgewezen. Een concreet zicht op legalisering is dan ook niet aanwezig.

2.19

Verzoekster heeft naar voren gebracht dat zij grote investeringen heeft gedaan, financieel nadeel heeft en dat zij haar werknemers dient te ontslaan indien de bedrijfsactiviteiten niet worden hervat. Verweerder beroept zich op het algemeen belang om handhavend te mogen optreden.

Naar het oordeel van het gerecht heeft verweerder, gelet op de adviezen en de klachten van omwonenden terzake ernstige hinder, het algemeen belang bij handhavend optreden doorslaggevend kunnen achten. Voorshands is voldoende gebleken dat sprake is van hinder van ernstige aard in de zin van artikel 10, eerste lid onder a, van de Hinderverordening. In dit geval dient, mede gelet op de zwaarwegende belangen van de omwonenden en de zwaarwegende natuurbeschermingsbelangen, het algemeen belang te prevaleren boven het financiële belang van verzoekster. De gestelde toezegging van het bevoegd gezag om zonder hindervergunning de betreffende bedrijfsactiviteiten te mogen verrichten is gemotiveerd betwist en is niet met stukken onderbouwd.

2.20

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat niet gezegd kan worden dat een aanmerkelijke kans bestaat dat de bestreden beschikking in bezwaar niet in stand zal blijven. De verzoeken dienen dan ook te worden afgewezen.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

wijst de verzoeken af.

Deze beslissing is gegeven door mr. E.M.D. Angela, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 mei 2018 in aanwezigheid van de griffier.