Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2018:279

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
14-05-2018
Datum publicatie
28-05-2018
Zaaknummer
LAR nr. AUA201800823
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Landsverordening Administratieve Rechtspraak (Lar) - verzoek in de zin van artikel 54 Lar - Hinderverordening - afgraving - bestuursdwang

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 14 mei 2018

LAR nr. AUA201800823

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het verzoek in de zin van artikel 54 van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

CALA ROMANA N.V. ,

gevestigd in Aruba,

VERZOEKSTER,

gemachtigde: de advocaat mr. G.W. Rep,

gericht tegen:

DE MINISTER VAN JUSTITIE ,

zetelende in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. M.P. Jansen (DWJZ).

Als derde-belanghebbenden hebben aan het geding deelgenomen:

STICHTING FUNDACION CONSERVA AREA CRISTAL,

zetelende te Aruba,

[buurtbewoner 1], buurtbewoner,

[buurtbewoner 2], buurtbewoner,

[buurtbewoner 3], buurtbewoner,

[buurtbewoner 4], buurtbewoner,

[buurtbewoner 5], buurtbewoner en,

[buurtbewoner 6], buurtbewoner,

allen wonende te Aruba,

gemachtigde: de advocaat mr. J.M. de Cuba.

1 PROCESVERLOOP

Op 7 december 2017 heeft verzoekster, door indiening van het daarvoor bestemde aanvraagformulier, aan verweerder verzocht om verlening van een vergunning ingevolge de hinderverordening tot het mogen ontginnen van een eigendomsgrond te Budui, Cristal 6-7.

Bij beschikking van 20 maart 2018 heeft verweerder verzoekster per onmiddellijke ingang de voortzetting van de werkzaamheden bij voornoemde eigendomsgrond verboden totdat op de aanvraag ingevolge de hinderverordening is beslist.

Op 27 maart 2018 heeft verzoekster bezwaar gemaakt tegen voornoemde beschikking.

Op 27 maart 2018 heeft verzoekster ook bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beschikking op haar verzoek om verlening van de op 7 december 2017 verzochte vergunning.

Op 27 maart 2018 heeft verzoekster zich voorts tot het gerecht gewend met het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.

Verweerder heeft op 16 april 2018 stukken ingediend.

De derde-belanghebbenden hebben op 16 april 2018 een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 17 april 2018, waarbij aanwezig waren verzoekster bij haar gemachtigde en Patrick John Boset en Tjie Kjong Arnold Lieuw, verweerder bij zijn gemachtigde en de derde-belanghebbenden bij hun gemachtigde en [buurtbewoner], [buurtbewoner] en [buurtbewoner].

Uitspraak is nader bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Lar, kan, indien krachtens deze landsverordening een bezwaar- of beroepschrift aanhangig is, de indiener daarvan aan het gerecht verzoeken om de bestreden beschikking onderscheidenlijk het bezwaarschrift te schorsen op grond, dat de uitvoering daarvan voor betrokkene een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel kan ter voorkoming van nadeel als bedoeld in het eerste lid, op het verzoek van genoemde indiener ook een voorlopige voorziening worden getroffen.

2.2

Voor zover de toetsing aan het in artikel 54, eerste lid, van de Lar neergelegde criterium meebrengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van het gerecht een voorlopig karakter en is dat niet bindend in de bodemprocedure.

Het verdere relevante juridische kader

2.3

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Hinderverordening is het verboden zonder vergunning van de minister van Justitie en Publieke Werken inrichtingen, die hetzij door de verspreiding van stank, rook of dampen, hetzij door geraas of gedruis, hetzij anderszins, voor de omgeving hinder, schade of gevaar kunnen veroorzaken, op te richten.

2.4

Ingevolge Artikel 10, eerste lid, van de Hinderverordening kan de vergunning alleen worden geweigerd in geval van vrees voor:

a. hinder van ernstige aard, zoals het ter bewoning ongeschikt maken van woonhuizen of gedeelten daarvan, het belemmeren van het gebruik van de gebouwen en lokalen, bedoeld in artikel 3, onder C, overeenkomstig de bestemming van die gebouwen of lokalen, het verspreiden van stank, rook of dampen en het maken van geraas of gedruis;

b. schade aan eigendommen, bedrijven of gezondheid;

c. gevaar.

2.5

Ingevolge artikel 17 wordt het voortzetten der werkzaamheden in een inrichting als bedoeld in artikel 1, voor de oprichting waarvan geen vergunning is verleend, of ten opzichte waarvan de vergunning overeenkomstig het bepaalde in artikel 14 is getrokken, door de minister van Justitie en Publieke Werken verboden en zo nodig wordt de inrichting gesloten of worden de daarin aanwezige werktuigen verzegeld.

De feiten

2.6

Verzoekster is opgericht in 1999.

2.6.1

Verzoekster heeft op 21 juni 2000 een aanvraag ingediend ter verkrijging van een vergunning ingevolge de hinderverordening.

2.6.2

Verzoekster exploiteert sedert 1 januari 2001 het terrein te Budui, welke in eigendom toebehoort aan Brandford Investments Ltd.

2.6.3

Verzoekster heeft op 7 december 2017 wederom een aanvraag ingediend ter verkrijging van een vergunning ingevolge de hinderverordening.

De standpunten

2.7

Met haar verzoek om een voorlopige voorziening wenst verzoekster dat de uitvoering van de beschikking van 20 maart 2018 wordt geschorst totdat op het bezwaarschrift zal zijn beslist, althans om haar te behandelen als ware aan haar een vergunning is verleend voor de ontginning van het eigendomsterrein te Budui, Cristal 6-7. Verzoekster betoogt - kort samengevat - dat er sprake is van een sinds 1999 bestaande situatie en dat verzoekster al die jaren in de huidige vorm heeft geopereerd, dat er geen sprake is van hinder, laat staan van hinder van ernstige aard en dat er geen gronden gebleken zijn op basis waarvan geweigerd kan worden de hindervergunning af te geven. Ook lijdt verzoekster onevenredig nadeel aangezien er negen personen werkzaam zijn en deze personen ontslagen dienen te worden indien de mijn zal worden gesloten.

2.8

Verweerder stelt zich op het standpunt dat in tegenstelling tot wat verzoekster meent de aanvraag niet slechts een formalisatie is. Dat verweerder nimmer heeft opgetreden betekent niet dat verweerder dit nimmer meer zal mogen doen. Verweerder is thans nog informatie aan het verzamelen om tot een beslissing op het verzoek van verzoekster om afgifte van een hindervergunning te komen. Op basis van alle adviezen ziet het er naar uit dat er sprake is van hinder van ernstige aard voor de omwonenden en dat het verzoek zal worden afgewezen. Verweerder kan de onrechtmatige situatie niet langer laten voortduren en het algemeen belang om op te treden dient zwaarder te wegen dan het belang van verzoekster.

2.9

De derden-belanghebbenden betogen dat sprake is van hinder van ernstige aard in de zin van artikel 10, eerste lid onder a, van de Hinderverordening.

De beoordeling

2.10

Voor honorering van het onderhavig verzoek is onder meer vereist dat een aanmerkelijke kans bestaat dat de bestreden beschikking in bezwaar niet in stand zal blijven.

2.11

Bij brief van 20 maart 2018 heeft verweerder verzoekster per onmiddellijke ingang de voortzetting van de werkzaamheden verboden totdat op de aanvraag ingevolge de hinderverordening is beslist. Anders dan verweerder meent, is de brief naar het voorlopig oordeel van het gerecht aan te merken als een op rechtsgevolg gerichte beschikking nu aan verzoekster een stilleggingsbevel wordt opgelegd. De brief heeft, gelet op haar inhoud en strekking, onmiskenbaar het karakter van een door verweerder met toepassing van artikel 17 van de Hinderverordening aan verzoekster opgelegde last onder bestuursdwang.

2.12

Niet in geschil is dat verzoekster sinds 1999 zonder hindervergunning de betreffende bedrijfsactiviteiten werkzaamheden uitvoert en in strijd handelt met artikel 1 van de Hinderverordening. Verzoekster heeft aan deze omstandigheid echter niet het gerechtvaardigd vertrouwen mogen ontlenen dat tegen de bedrijfsactiviteiten niet (meer) handhavend zou worden opgetreden. Volgens vaste jurisprudentie betekent de omstandigheid dat een overtreding lange tijd ongemoeid is gelaten niet zonder meer dat het bestuursorgaan daartegen niet meer handhavend mag optreden.

2.13

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.14

Ter zittting heeft verweerder aangegeven dat - op basis van alle adviezen - het er naar uit ziet dat er sprake is van hinder van ernstige aard voor de omwonenden in de zin van artikel 10, eerste lid onder a, van de Hinderverordening en dat het verzoek om afgifte van een hindervergunning zal worden afgewezen. Een concreet zicht op legalisering is dan ook niet aanwezig.

2.15

Verzoekster heeft naar voren gebracht dat zij financieel nadeel heeft en dat zij haar werknemers dient te ontslaan indien de bedrijfsactiviteiten niet worden hervat. Verweerder beroept zich op het algemeen belang om handhavend te mogen optreden.

Naar het oordeel van het gerecht heeft verweerder, gelet op de adviezen en de klachten van omwonenden terzake ernstige hinder, het algemeen belang bij handhavend optreden doorslaggevend kunnen achten. Voorshands is voldoende gebleken dat sprake is van hinder van ernstige aard in de zin van artikel 10, eerste lid onder a, van de Hinderverordening. In dit geval dient, mede gelet op de zwaarwegende belangen van de omwonenden en de zwaarwegende natuurbeschermingsbelangen, het algemeen belang te prevaleren boven het financiƫle belang van verzoekster.

2.16

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat niet gezegd kan worden dat een aanmerkelijke kans bestaat dat de bestreden beschikking in bezwaar niet in stand zal blijven. De verzoeken dienen dan ook te worden afgewezen.

3 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

wijst de verzoeken af.

Deze beslissing is gegeven door mr. E.M.D. Angela, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 mei 2018 in aanwezigheid van de griffier.