Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2018:258

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
02-05-2018
Datum publicatie
09-05-2018
Zaaknummer
K.G. no. AUA201800606
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Civiel. Kort Geding. Opzegging privaatrechtelijke arbeidsovereenkomst met het Land.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 2 mei 2018

Behorend bij K.G. no. AUA201800606

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[Eiser],

wonende in Aruba,

eiser,

hierna ook te noemen: [Eiser],

gemachtigde: de advocaat mr. G.B. Wever,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

HET LAND ARUBA,

zetelend in Aruba,

gedaagde,

hierna ook te noemen: het Land,

gemachtigden: dhr. A. Lumenier (werkzaam bij DWJZ).

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties;

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van de zaak ter terechtzitting van 6 april 2018.

1.2

[Eiser] is ter zitting verschenen samen met zijn gemachtigde. Het Land is verschenen bij zijn gemachtigde. Partijen hebben in twee termijnen het woord gevoerd, beiden mede aan de hand van een overgelegde pleitnota die beiden waren voorzien van toegelaten producties, en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen.

1.3

Vonnis is bepaald op heden.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende bestreden alsmede op grond van overgelegde producties voor zover niet of onvoldoende bestreden staat onder meer het volgende vast tussen partijen.

2.2

Krachtens een tussen partijen gesloten schriftelijke arbeidsovereenkomst (hierna: de overeenkomst) is [Eiser] per 1 november 2013 in loondienst van het Land getreden tegen een bruto maandloon van Afl. 4.565,--.

2.3

In de considerans van de overeenkomst staat onder meer vermeld dat op grond van het tweede lid van artikel 7A:1613y BW de bepalingen van de Zevende titel A van het Burgerlijk Wetboek van Aruba niet van toepassing zijn op personen in dienst van de overheid, tenzij die bepalingen uitdrukkelijk in de arbeidsovereenkomst van toepassing worden verklaard. De overeenkomst, in welke met werkgever wordt bedoeld het Land en met werknemer [Eiser], vermeldt verder onder meer:

(…).

Artikel 1

1. De werkgever neemt de werknemer in dienst met ingang van 1 november 2013 bij het Bureau van de minister van Algemene Zaken, Wetenschap, Innovatie en Duurzame Ontwikkeling in de functie van stafmedewerker management van het Europahuis op Aruba voor de duur van de regeerperiode van het Kabinet Mike Eman II, derhalve van rechtswege eindigend op de dag dat het kabinet aftreedt.

(…).”.

2.4

De aan [Eiser] gerichte brief van de minister van Algemene Zaken, Wetenschap, Innovatie en Duurzame Ontwikkeling van 27 december 2017 vermeldt onder meer:

(…).

U had een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met het Land. Deze is aangegaan voor de duur van de regeerperiode van het Kabinet Eman II en verliep van rechtswege op 31 oktober 2017.

In de vergadering van de ministerraad van 27 oktober 2017 (BE-79/17) is besloten om u een nieuwe arbeidsovereenkomst aan te bieden of om u in tijdelijke dienst te benoemen. Deze beslissing is genomen tijdens de periode van het afscheidsbeleid, dan wel de demissionaire periode van het Kabinet Eman II. Een dergelijk besluit is in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, daar het afgetreden kabinet het nieuwe kabinet niet voor een voldongen feit mag plaatsen.

Om een transparante transitieperiode te waarborgen zijn de rechtspositionele beslissingen die genomen zijn tijdens de periode van afscheidsbeleid en demissionaire periode van het Kabinet Eman II aan het Kabinet Wever-Croes voorgelegd. In afwachting van een beslissing van het Kabinet Wever-Croes bent u na 31 oktober 2017 opnieuw op de payroll opgevoerd.

In de vergadering van de ministerraad van 6 december 2017 (BE-07/17) is besloten tot intrekking van de beslissing van de ministerraad van 3 oktober 2017 (BE-79/17). Op grond van het bovenstaande wordt u bericht dat de beslissing van de ministerraad van 27 oktober 2017 (BE-79/17) ingetrokken is waardoor deze niet uitgevoerd wordt.

Uw dienstverband wordt, met inachtneming van één maand opzegtermijn, ingaande 31 december 2017 opgezegd en derhalve definitief eindigend op 31 januari 2018.

(…).”.

2.5

Op 22 september 2017 vond de algemene verkiezing voor de Staten van Aruba plaats. De regeerperiode van het Kabinet Eman II is geëindigd op 17 november 2017. Het Land heeft 31 oktober 2017 in aanmerking genomen als datum waarop de overeenkomst eindigde.

2.6

[Eiser] heeft na ook 31 oktober 2017 en wel tot 31 januari 2018 gewerkt voor het Land (met ingang van 6 november 2017) als Medewerker Ontslag bij de DAO, en hij heeft tot en met 31 januari 2018 zijn loon ontvangen.

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1

[Eiser] vordert dat het Gerecht - zo het begrijpt - bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

primair

a. het Land beveelt om [Eiser] binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis weder te werk te stellen als Medewerker Ontslag bij de DAO;

b. het Land beveelt om binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis het maandelijkse loon van [Eiser] ad Afl. 4.565,-- bruto gerekend vanaf 1 februari 2018 door te betalen tot dat de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd;

subsidiair

c. het Land beveelt om binnen 5 dagen na betekening van dit vonnis aan [Eiser] als voorschot op schadevergoeding te betalen Afl. 109.560,--, dan wel een door het Gerecht te bepalen ander bedrag, ter zake van kennelijk onredelijk ontslag althans onrechtmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst, te vermeerderen met wettelijke rente;

primair en subsidiair

d. het Land veroordeelt in de proceskosten.

3.2

Het Land voert verweer en concludeert primair tot afwijzing van het door [Eiser] verzochte. Subsidiair concludeert het Land tot matiging van een eventuele afkoopsom en van eventuele aan het Land op te leggen dwangsommen.

3.3

Voor zover van belang worden de stellingen van partijen hierna besproken.

4 DE BEOORDELING

4.1

Het spoedeisend belang van [Eiser] bij de door hem verzochte voorziening ligt besloten in dat verzoek en de daaraan ten gronde gelegde stellingen.

4.2

Het Gerecht stelt voorop dat partijen het erover eens zijn dat [Eiser] niet is benoemd als ambtenaar maar dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht bestaat of heeft bestaan.

4.3

In het midden kan blijven of (1) al dan niet sprake was van een nieuwe arbeidsovereenkomst zoals gesteld door [Eiser] en (2) of de tussen partijen geldende arbeidsovereenkomst al dan niet van rechtswege eindigde op 17 november 2017 (zijnde de dag dat de regeerperiode van Kabinet Eman II eindigde) of op 31 oktober 2017 zoals vermeld in de hiervoor onder 2.4 vermelde ontslagbrief. Vast staat immers dat [Eiser] na 17 november 2017 tot 31 januari 2018 zijn werkzaamheden heeft voortgezet voor het Land (vanaf 6 november 2017 als Medewerker Ontslag bij de DAO) tegen betaling van zijn overeengekomen loon maandelijks ad Afl. 4.565,-- bruto, en voldoende duidelijk is dat het Land de bedoeling heeft gehad de arbeidsovereenkomst met [Eiser] te beëindigen middels opzegging. Dat vloeit immers voort uit de hiervoor onder 2.4 vermelde (inhoud van de) brief van 27 december 2017. Het Land is er kennelijk vanuit gegaan dat sprake is van een arbeidsovereenkomst die opzegging behoeft om op 31 januari 2018 te eindigen, terwijl [Eiser] op grond van de feitelijkheden (met name het gewoon blijven doorwerken voor het Land met betaling van loon na 31 oktober 2017 en/of 17 november 2017 al dan niet in verbinding met voormelde opzegging) er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat hij nog steeds krachtens een arbeidsovereenkomst in dienst was van het Land.

4.4

De vraag is echter wat de inhoud is van die arbeidsovereenkomst na 31 oktober 2017 of 17 november 2017 (hierna: de opgezegde arbeidsovereenkomst). Uit de feitelijkheden vloeit voort wat precies de werkzaamheden zijn van [Eiser] krachtens de opgezegde arbeidsovereenkomst (medewerker ontslag bij de DAO), en ook wat zijn loon is (te weten maandelijks Afl. 4.565,-- bruto). In het midden kan blijven of de opgezegde arbeidsovereenkomst al dan niet gold voor de bepaalde tijd van vijf jaren zoals gesteld door [Eiser] of voor onbepaalde tijd in geval [Eiser] niet in die stelling zou worden gevolgd. In elk geval heeft te gelden dat ingevolge het bepaalde in artikel 7A:1613y BW de bepalingen van de Zevende Titel A van het Burgerlijk Wetboek van Aruba niet van toepassing zijn op de opgezegde arbeidsovereenkomst, en evenmin is krachtens artikel 2 aanhef onder a. van de Landsverordening beëindiging arbeidsovereenkomsten die Landsverordening van toepassing op de onderhavige arbeidsverhouding.

4.5

Vorenstaande brengt mee dat de vraag of de opzegging van het dienstverband van [Eiser] van 29 december 2017 al dan niet door de beugel kan moet worden beantwoord aan de hand van de maatstaven of criteria die gelden voor het beëindigen/opzeggen van duurovereenkomsten.

4.6

Onder welke voorwaarden een duurovereenkomst opzegbaar is, wordt bepaald door de inhoud daarvan en door de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen. Indien wet en overeenkomst niet voorzien in een opzeggingsregeling, geldt dat de overeenkomst in beginsel opzegbaar is. Op grond van het eerste lid van artikel 6:248 BW kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat. Die eisen kunnen voorts in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. Ook als de wet of een duurovereenkomst wel voorziet in een opzeggingsregeling, kunnen, indien de wet en hetgeen tussen partijen is overeengekomen daarvoor ruimte laten, de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval op grond van het eerste lid van artikel 6:248 BW meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen gesteld moeten worden. Een beroep op een uit de wet of een overeenkomst voortvloeiende bevoegdheid om de overeenkomst op te zeggen kan ten slotte op grond van het tweede lid van artikel 6:248 BW onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. In het licht van dit alles wordt het volgende verder overwogen.

4.7

Het Land is ook bij zijn privaatrechtelijk (rechts)handelen gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Ook als op de opgezegde arbeidsovereenkomst ingevolge artikel 7A:1613y BW de Zevende Titel A van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is, komt bij de invulling van dat waartoe het Land op grond van de redelijkheid en billijkheid in het licht van de opzegging gehouden is, betekenis toe aan de omstandigheid dat het Land zich ook op grond van de algemene norm (artikel 6:2 BW) jegens [Eiser] als goed werkgever heeft te gedragen. In dat verband komt aan de vijfde Afdeling van de Zevende Titel A van het Burgerlijk Wetboek wel zekere reflexwerking toe.

4.8

De onderhavige zaak kenmerkt zich hierdoor dat tussen [Eiser] en het Land sinds 1 november 2013 sprake is van een arbeidsrelatie. [Eiser], geboren op 11 december 1975, heeft onbestreden gesteld dat het voor hem mede vanwege zijn politieke ambities met betrekking tot de laatst gehouden verkiezingen voor de Staten van Aruba niet zal meevallen om een andere passende baan in de private sector te verkrijgen. Gesteld noch is gebleken dat het Land die omstandigheid bij de belangenafweging, die van hem als goed werkgever en als overheid mag worden verlangd, rekening heeft gehouden. In de brief waarbij de overeenkomst werd opgezegd heeft het Land niet aangegeven waarom [Eiser] precies werd ontslagen. De brief heeft het karakter van een algemeen geformuleerde opzegging zonder dat duidelijk is waarom precies [Eiser] het veld moet ruimen. De opzegging gaat bovendien niet gepaard met een aanbod tot (schade)vergoeding. Door dit één en ander voldoet de opzegging niet aan de maatstaven van redelijkheid en billijkheid; zij is voorlopig oordelend onaanvaardbaar. Het Gerecht ziet daarin aanleiding om krachtens reflexwerking voorshands aan te sluiten bij het bepaalde in de artikelen 7A:1615s en 1615t BW omtrent het kennelijk onredelijk ontslag. Daarbij heeft te gelden dat in de vorderingen onder a. en b. tevens een verzoek tot (voorlopig) herstel van de dienstbetrekking valt te lezen of besloten ligt.

4.9

Bij de hiervoor geschetste stand van zaken valt in een bodemprocedure te verwachten dat het Land zal worden veroordeeld om de dienstbetrekking van [Eiser] met terugwerkende kracht tot 1 februari 2018 te herstellen, en dat naadloos aaneensluitend op het moment waarop de opzegging van het dienstverband van [Eiser] in werking trad. Ook valt te verwachten dat de bodemrechter zal bepalen dat de verplichting tot herstel van de dienstbetrekking van [Eiser] vervalt door betaling door het Land aan [Eiser] van een door het Gerecht naar billijkheid vastgestelde afkoopsom. Alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen - waaronder begrepen de leeftijd van [Eiser], de omstandigheid dat het niet eenvoudig voor hem zal zijn om een passende andere baan te verkrijgen alsmede zijn laatstgenoten salaris en de duur van zijn dienstverband - valt verder te verwachten dat de bodemrechter een afkoopsom ad Afl. 27.500,-- bruto passend en geboden zal oordelen. Voor de door het Land verzochte matiging van dat bedrag ziet het Gerecht geen aanleiding.

4.10

In het licht van voormelde verwachtingen zullen de vorderingen van [Eiser] worden toegewezen als na te melden, en dat alles als zijnde voorlopige voorzieningen.

4.11

Afweging van de belangen van partijen maakt al het vorenstaande niet anders, omdat het Gerecht geen zwaarwegender belangen ziet aan de zijde van het Land bij afwijzing van het door [Eiser] verzochte ten opzichte van de belangen van [Eiser] bij de hierna vermelde toewijzing daarvan.

4.12

Dwangsommen zullen gemaximeerd aan het Land worden opgelegd als na te melden. Ook daarvan gaat naar het oordeel van het Gerecht voldoende prikkel uit tot nakoming van dit vonnis. Voor de door het Land verzochte matiging van dwangsommen ziet het Gerecht geen aanleiding.

4.13

Het Land zal, als de in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten gevallen aan de zijde van [Eiser], tot aan deze uitspraak begroot op (450,-- + 225,80 =) Afl. 675,80 aan verschotten en Afl. 1.500,-- aan salaris voor de gemachtigde.

5 DE BESLISSING

Het Gerecht, rechtdoende in kort geding,

5.1

veroordeelt het Land om (1) de dienstbetrekking van [Eiser] te herstellen met terugwerkende kracht tot 1 februari 2018 - en dat naadloos aaneensluitend op het moment dat de opzegging van 29 december 2017 van het dienstverband van [Eiser] in werking trad - en (2) om gerekend vanaf 1 februari 2018 het loon van [Eiser] maandelijks ad Afl. 4.565,-- bruto aan hem te (blijven) betalen op de gebruikelijke wijze en tijden, één en ander totdat in een bodemprocedure (anders) zal zijn beslist;

5.2

bepaalt dat voormelde veroordeling tot herstel van de dienstbetrekking en betaling van loon vervalt zodra en op het moment dat het Land een vergoeding/afkoopsom betaalt aan [Eiser] van Afl. 27.500,--, met dien verstande dat de verplichting van het Land om aan [Eiser] zijn salaris te betalen eerst niet langer bestaat vanaf het moment dat voormelde vergoeding/afkoopsom is betaald aan [Eiser];

5.3

bepaalt voorts dat het Land uiterlijk op 16 mei 2018 gebruik kan maken van voormelde vervalregeling door aan [Eiser] uiterlijk op die datum voormelde vergoeding/afkoopsom te betalen;

5.4

bepaalt voor het geval het Land op uiterlijk 16 mei 2018 geen gebruik heeft gemaakt van voormelde vervalregeling dat het Land ten behoeve van [Eiser] een dwangsom verbeurt van Afl. 250,-- voor iedere na 17 mei 2018 gelegen dag of deel daarvan dat het Land de hiervoor onder 5.1 vermelde veroordeling niet nakomt, met dien verstande dat het Land te dezen maximaal Afl. 250.000,-- aan dwangsommen kan verbeuren;

5.5

veroordeelt het Land in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [Eiser], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 675,80 aan verschotten en

Afl. 1.500,-- aan salaris voor de gemachtigde;

5.6

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.7

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op woensdag 2 mei 2018.