Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2018:256

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
02-05-2018
Datum publicatie
08-05-2018
Zaaknummer
K.G. no. AUA201800825
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

KG, rectificatie, feitelijke juistheid onderzoeken, onzorgvuldig en onrechtmatig gehandeld, vrijheid van meningsuiting minder zwaar dan het recht bescherming van eer en goede naam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 2 mei 2018

K.G. no. AUA201800825

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

Vonnis in kort geding tussen:

[eiser],

wonende in Aruba,

EISER, nader te noemen “[eiser]”,

gemachtigde: mr. D.G. Kock,

en

de vennootschap onder firma [naam VOF],

gevestigd te Aruba,

GEDAAGDE, nader te noemen “[gedaagde]”,

procederende in persoon.

1 DE PROCEDURE

1.1

[eiser] heeft op 27 maart 2018 een verzoekschrift ingediend. Op 12 april 2018 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waar [eiser] bijgestaan door mr. Cafarzuza, occuperende voor de gemachtigde van [eiser] voornoemd, en [gedaagde], vertegenwoordigd door de heer [naam heer], vennoot, zijn verschenen.

1.2

Vonnis is bepaald op heden.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

[eiser] is werkzaam als manager afvalinzameling bij Serlimar.

2.2

[gedaagde] exploiteert een website genaamd [email gedaagde] en onderhoudt een facebookpagina met dezelfde naam.

2.3

Op 1 maart 2018 heeft [gedaagde] een artikel op haar website en facebookpagina gepubliceerd genaamd “Grupo di trahadornan preocupa di Serlimar ta cuestiona irregularidad nan den e compania”. In dit artikel staat het volgende vermeld:

For di un grupo di trahado preocupa di Serlimar, nos redassion a haya e siguiente comunicado:

Empleadonan preocupa di Serlimar kier claridad ariba e bagamunderianan cu a tuma luga durante añanan den e compania, ya cu hopi asombro, e gran mayoria, si no ta tur, e berdadero empleadonan di Serlimar a tuma nota di diferente publicacion nan cu ta Sali den cierto medionan di comunicacion.

Asombro paso tur e publicacionnan aki ta Sali sin tin un nomber di trahado of sindicato baonan. Sinembargo, NOS, e trahadonan oficial di Serlimar kier aclaracion ariba e siguiente porkerianan cu a y ta tumando luga den Serlimar pa añanan largo.

(..)

4. Con por tawata posibel cu un manager grandi den Serlimar, esta [eiser], ta esun cu tawata tin e contract anterior di laba truck, via otre persona pa un bunita suma di 7 mil florin pa luna?

(..)

Minister Oduber, NOS di Serlimar ta EXIGI bo persona trece claridad den e scuridad aki!

Empleadonan angustia pa e corupcion durante ultimo añanan den Serlimar.

2.4

Bij brief van zijn gemachtigde van 5 maart 2018 heeft [eiser] aan [gedaagde] bericht dat voornoemde publicatie negatieve, ongefundeerde verwijten en feitelijke onjuistheden bevat. Ter onderbouwing van dit standpunt werd een kopie van een contract waarnaar volgens [eiser] in de publicatie werd verwezen bijgevoegd, waaruit blijkt dat het contract door de toenmalige manager van Serlimar en een derde werd getekend. [eiser] heeft [gedaagde] gesommeerd om binnen drie dagen tot rectificatie over te gaan.

2.5

Op 7 maart 2018 heeft [gedaagde] een artikel op haar website en facebookpagina gepubliceerd genaamd “[eiser] ta contesta trahadonan di Serlimar” onder bijvoeging van een foto van [eiser]. In dit artikel staat het volgende vermeld:

(..) E siman aki nos di [gedaagde] a ricibi un carta di mr. David Kock, di parti di [eiser], pa duna su banda di medaya, y ta desmenti e informacion na e trahadornan di Serlimar. [eiser] a hasta manda copia di su contractanan. Asina [gedaagde] ta cumpli di a haya ambos banda di medaya di e noticia aki.

Ta spera cu di parti gobierno, den e caso aki, e minister encarga cu Serlimar, Sr. Otmar Oduber, bin cu’n investigacion interno den Serlimar, mirando cu tin varios rumornan di contractonan ficticio cu ta tumando luga.

Bij het artikel werd een digitaal bestand van het door de gemachtigde van [eiser] toegezonden contract gevoegd onder de bestandsnaam “Contract di [eiser]”.

3 DE VORDERING EN STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1

[eiser] verzoekt, samengevat, het gerecht om bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] binnen 24 uur na betekening van dit vonnis te gelasten de navolgende rectificatie op haar website en facebookpagina te plaatsen:

Den e edicion di [gedaagde] di dia 1 di maart 2018, a sali ariba nos website y ariba nos facebook un relato jama: “Grupo di trahadornan preocupa di Serlimar ta cuestiona irregularidad nan den e compania”. Den e articulo aki a wordo menciona na punta nr. 4 cu manager grandi di Serlimar, esta [eiser], ta esun cu tawata tin e contract anterior di laba truck, via otro persona pa un bunita suma di 7 mil florin pa luna. Esaki no ta berdad y mi no por prueba cu esaki ta berdad tampoco. Pa medio di esaki mi kier a rectifica mi declaracion y insinuacionan eroneo na [eiser], manager di Serlimar.

zulks op straffe van een dwangsom van Afl. 250,- per dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde] nalaat daaraan te voldoen, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2

[eiser] heeft zijn vordering als volgt onderbouwd. De bewuste uitlatingen zijn ongefundeerd, negatief ten opzichte van [eiser] en bevatten feitelijke onjuistheden. De publicatie, die feitelijke concrete beschuldigingen bevat, is onrechtmatig jegens [eiser]. Het tweede artikel van [gedaagde] houdt geen rectificatie in. [eiser] heeft een spoedeisend belang bij zijn vordering.

3.3

[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering.

3.4

Op de stellingen van partijen zal, voor zover nodig, in het hiernavolgende nader worden ingegaan.

4 DE BEOORDELING

4.1

Het spoedeisend belang is in de aard der zaak gelegen.

4.2

Voorop zij gesteld dat het gevorderde een beperking vormt op het grondrecht van vrijheid van meningsuiting dat aan een ieder op grond van het eerste lid van artikel I.12 van de Staatsregeling van Aruba en het in de Arubaanse rechtsorde rechtstreeks doorwerkende eerste lid van artikel 10 van het EVRM toekomt. Dit grondrecht geldt volgens voormeld artikel van de Staatsregeling van Aruba “behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens landsverordening” en kan volgens het tweede lid van voormeld verdragsartikel slechts worden beperkt indien deze beperking bij de wet is voorzien en deze in een democratische samenleving noodzakelijk is, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam of de rechten van anderen. Een wettelijke beperking kan zijn gelegen in artikel 6:162 (en volgende) Burgerlijk Wetboek, te weten onrechtmatig handelen door degene die zich op de uitingsvrijheid beroept.

4.3

In dit geval ligt de vraag voor of de publicatie van [gedaagde] onrechtmatig is jegens [eiser]. Voor beantwoording van de vraag welk recht — het recht op vrije meningsuiting of het recht ter bescherming van eer of goede naam — in dit geval zwaarder weegt, moeten de wederzijdse belangen worden afgewogen. Het belang van [gedaagde] is dat zij zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend moet kunnen uitlaten over kwesties van algemeen belang. Het belang van [eiser] is erin gelegen dat hij niet wordt blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen. Welk van deze belangen, die in beginsel gelijkwaardig zijn, de doorslag behoort te geven, hangt af van de omstandigheden van het geval, in samenhang bezien.

4.4

In de rechtspraak is verder onderscheid gemaakt tussen feitelijke verklaringen en waardeoordelen. Feitelijke verklaringen die de persoonlijke levenssfeer van een ander in negatieve zin raken moeten van een voldoende feitelijke grondslag worden voorzien, om het onrechtmatige karakter daaraan te ontnemen, terwijl dat bij waardeoordelen niet geldt, zij het dat een waardeoordeel excessief kan worden bevonden indien daarvoor een onvoldoende feitelijke basis is. Tenslotte is in de jurisprudentie relevant geacht in hoeverre een persoon tot wie de uitlatingen zich richten, voldoende mogelijkheid tot weerwoord is geboden.

4.5

Het gewraakte artikel betreft de publicatie van een verklaring van een grote groep werknemers van Serlimar, waarin zij verneemde misstanden bij Serlimar aan de kaak stellen en ten aanzien van die misstanden opheldering vragen aan de Minister van Infrastructuur en Milieu. De uitlatingen suggereren onder meer dat [eiser], die thans een hoge managersfunctie bij Serlimar vervult, in het verleden via een derde persoon een contract is aangegaan met Serlimar voor het wassen van trucks voor een vergoeding van zevenduizend florin per maand.

4.6

De in geschil zijnde uitlatingen vormen een feitelijke verklaring in voornoemde zin. In de eerste plaats dient te worden onderzocht in hoeverre de uitlatingen steun vinden in het ten tijde van de publicatie beschikbare feitenmateriaal. [gedaagde] heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat de betreffende uitlatingen geen voldoende feitelijke basis hebben en feitelijk onjuist zijn. [gedaagde] heeft wel aangevoerd dat [eiser] het nummer en eigendommen (pickups) van Serlimar zou gebruiken voor zijn eigen bedrijf terwijl hij daar geen toestemming van Serlimar of de Minister voor heeft. [gedaagde] heeft deze stelling op geen enkele wijze onderbouwd en enig verband met de gewraakte uitlatingen is niet gebleken. [eiser] heeft deze stellingen ook weersproken.

4.7

Het gerecht is voorshands van oordeel dat de uitlatingen in hun onderlinge verband bezien tevens grievend dan wel diffamerend zijn jegens [eiser].

4.8

Voor zover [gedaagde] heeft bedoeld om te betogen dat zij alleen de mening van de werknemers van Serlimar heeft gepubliceerd, slaagt dit verweer niet. [gedaagde] heeft een eigen verantwoordelijkheid met betrekking tot haar publicaties en kan zich niet verschuilen achter (uitlatingen van) derden, als deze ernstige beschuldigingen bevatten die niet op feitelijk juiste informatie zijn gebaseerd en schade kunnen toebrengen aan iemands reputatie. In de publicatie heeft [gedaagde] onvoldoende afstand genomen van de uitlatingen van de werknemers van Serlimar jegens [eiser], terwijl [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling er ook blijk van heeft gegeven achter de uitlatingen van de werknemers van Serlimar te staan. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om de uitlatingen genoemd in het artikel onder punt 4 op hun feitelijke juistheid te onderzoeken.

4.9

[gedaagde] heeft niet weersproken dat zij, alvorens het artikel te publiceren, niet zelf aan [eiser] om commentaar heeft gevraagd en geen mogelijkheid tot weerwoord heeft geboden.

4.10

In het licht van het vorenstaande heeft [gedaagde] onzorgvuldig en onrechtmatig jegens [eiser] gehandeld. Het recht op vrijheid van meningsuiting van [gedaagde] weegt daarom in dit geval minder zwaar dan het recht van [eiser] op bescherming van zijn eer en goede naam.

4.11

[gedaagde] heeft tenslotte nog aangevoerd dat zij al aan de sommatie van [eiser] om tot rectificatie over te gaan heeft voldaan middels de publicatie van 7 maart 2018, omdat zij daarin de mening van [eiser] heeft weergegeven. Het gerecht verwerpt dit verweer. Zoals terecht door [eiser] is aangevoerd, bevat deze publicatie geen rectificatie. Deze publicatie vermeldt slechts dat [gedaagde] een brief van de advocaat van [eiser] had ontvangen met kopieen van “zijn contracten”. Dit is feitelijk ook onjuist. Immers had [eiser] juist te kennen gegeven dat hij niets met het contract (dus niet meerdere contracten) te maken heeft gehad. Door vervolgens daarbij te vermelden dat het te hopen is dat de Minister een intern onderzoek bij Serlimar zal gaan gelasten vanwege verschillende geruchten over fictieve contracten onder bijvoeging van het contract onder de bestandsnaam “contract di [eiser]”, heeft [gedaagde] geenszins afstand genomen van de gewraakte uitlatingen.

4.12

Concluderend, heeft [eiser] in kort geding voldoende aannemelijk gemaakt dat hij er recht op en belang bij heeft om in kort geding een rectificatie te verzoeken. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de inhoud van de gevorderde rectificatie. De gevorderde rectificatie zal in nader te noemen bewoordingen worden toegewezen.

4.13 [

gedaagde] heeft voorts de gevorderde dwangsom niet bestreden. De dwangsom zal gemaximeerd worden toegewezen.

4.14

[gedaagde] zal tenslotte als in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van [eiser].

5 DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht, recht doende in kort geding:

5.1

beveelt [gedaagde] tot rectificatie van de hiervoor genoemde uitlatingen, door plaatsing op haar website [email gedaagde] en haar facebookpagina, binnen 3 (drie) dagen na betekening van dit vonnis, in een kader met tekst en kop van gemiddeld lettertype, zonder daaraan afdoend commentaar, inhoudende de volgende tekst:

“Rectificacion

Juez di Corte di Prome Instancia di Aruba a ordena [gedaagde] publica e siguiente rectificacion:

Den e edicion di [gedaagde] di dia 1 di maart 2018, a sali ariba nos website y ariba nos facebook page un relato jama: “Grupo di trahadornan preocupa di Serlimar ta cuestiona irregularidad nan den e compania”. Den e articulo aki a wordo menciona na punta nr. 4 cu manager grandi di Serlimar, esta [eiser], ta esun cu tawata tin e contract anterior di laba truck, via otro persona pa un bunita suma di 7 mil florin pa luna. [gedaagde] no tin prueba pa subsancia cu esaki ta berdad. Pa medio di esaki [gedaagde] ta rectifica e declaracion y insinuacionan eroneo na [eiser], manager di Serlimar.

zulks op straffe van een aan [eiser] te verbeuren dwangsom van Afl. 250,00 voor iedere dag of gedeelte van een dag dat [gedaagde] niet (volledig) aan dit bevel voldoet, doch tot een maximum van Afl. 25.000,00;

5.2

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, welke tot op heden aan de zijde van [eiser] tot op heden worden begroot op Afl. 450,00 aan griffierechten, Afl. 213,79 aan betekeningskosten en Afl. 1.500,00 aan gemachtigdensalaris;

5.3

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Schoemaker, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op woensdag 2 mei 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.