Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2018:253

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
02-05-2018
Datum publicatie
08-05-2018
Zaaknummer
K.G. no. AUA201800728
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Civiel. Kort Geding. Opzegging van het dienstverband aan de hand van de maatstaven of criteria die gelden voor het beëindigen/opzeggen van duurovereenkomsten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 2 mei 2018

Behorend bij K.G. no. AUA201800728

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[eiser]

wonende in Aruba,

eiser,

hierna ook te noemen: [eiser],

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

HET LAND ARUBA,

zetelend in Aruba,

gedaagde,

hierna ook te noemen: het Land,

gemachtigden: mrs. M.P. Jansen en V.M. Emerencia (beiden werkzaam bij D.W.J.Z.).

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties;

- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van de zaak ter terechtzitting van 6 april 2018.

1.2

[eiser] is ter zitting verschenen samen met zijn gemachtigde. Het Land is verschenen bij zijn gemachtigden. Partijen hebben in twee termijnen het woord gevoerd, het Land mede aan de hand van een overgelegde pleitnota voorzien van toegelaten producties, en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen.

1.3

Vonnis is bepaald op heden.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende bestreden alsmede op grond van overgelegde producties voor zover niet of onvoldoende bestreden staat onder meer het volgende vast tussen partijen.

2.2

[eiser] heeft in Colombia de opleiding of studie tot arts voltooid. Mede omdat [eiser] van Arubaanse afkomst is en is opgegroeid in Aruba is [eiser] door het Land benaderd met het verzoek om in Aruba te komen werken.

2.3

In het jaar 2016 heeft [eiser] gesolliciteerd naar de functie van arts bij de afdeling Juridische Zaken en Inspectiezaken van de Directie Volksgezondheid (hierna: DVG). Na sluiting van het sollicitatieproces is de keuze van het Land op [eiser] gevallen. Het uittreksel van de besluitenlijst van de vergadering van de ministerraad van 19 augustus 2016 (BE-61/16) vermeldt dienaangaande onder meer:

Conform advies DRH instemmen met het aangaan van een arbeidscontract met dhr. [eiser] in de functie van arts bij DVG.”.

2.4

Krachtens een tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst (hierna: de overeenkomst) is [eiser] per 1 oktober 2016 als arts bij de DVG in loondienst van het Land getreden tegen een bruto maandloon van Afl. 6.175,--.

2.5

Het door [eiser] na de afronding van de in de hiervoor onder 2.2 vermelde opleiding of studie verkregen diploma is door de daartoe bevoegde Arubaanse instantie geëvalueerd, met als conclusie dat [eiser] voldoet aan de vereisten voor arts. Naar aanleiding van die voor [eiser] positieve evaluatie heeft het Land op 11 april 2017 aan [eiser] medegedeeld dat hij op grond van zijn opleiding en werkervaring definitief ingeschaald zal worden in schaal 10 dienstjaar 3.

2.6

Bij brief van 3 oktober 2017 heeft de Directeur van de DVG aan de Dienst Personeelszaken van het Land bericht dat door de instelling van de Inspectie voor de Volksgezondheid Aruba per 1 januari 2018 geen formatieplaats meer was voor [eiser].

2.7

Bij brief van 26 oktober 2017 heeft het Land de arbeidsovereenkomst met [eiser] per 31 december 2017 opgezegd. Als reden daartoe heeft het Land aangevoerd dat de vergunning van [eiser] tot het in Aruba mogen uitoefenen van de geneeskunst als arts is verlopen en niet zal worden verlengd, in samenhang met de omstandigheid dat de afdeling waar [eiser] in de functie van arts werkzaam was door een reorganisatie is opgeheven en er voor hem niet langer een formatieplaats beschikbaar is.

2.8

Vanaf 1 januari 2018 ontvangt [eiser] geen loon meer van het Land.

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1

[eiser] vordert dat het Gerecht - zo het begrijpt - bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis het Land veroordeelt:

a. tot betaling van zijn loon ad maandelijks Afl. 6.175,-- bruto gerekend vanaf 1 januari 2018 totdat in een bodemprocedure anders zal zijn beslist;

b. in de proceskosten.

3.2

Het Land voert verweer en concludeert tot afwijzing van het door [eiser] verzochte, kosten rechtens.

3.3

Voor zover van belang worden de stellingen van partijen hierna besproken.

4 DE BEOORDELING

4.1

Het spoedeisend belang van [eiser] bij de door hem verzochte voorziening ligt besloten in dat verzoek en de daaraan ten gronde gelegde stellingen.

4.2

De stelling van [eiser], dat de opzegging van zijn dienstverband nietig is omdat die heeft te gelden als ongeoorloofd afscheidsbeleid van de desbetreffende minister, mist voldoende grondslag in het licht van de omstandigheid dat van bedoeld afscheidsbeleid – en daar heeft het Land terecht op gewezen – sprake is wanneer een beslissing wordt genomen en/of een rechtshandeling wordt verricht door een (minister van een) vertrekkende regering waardoor de volgende regering met een voldongen feit wordt geconfronteerd met als gevolg dat die, gelet op de schaarse middelen, wordt belemmerd om in vrijheid zijn publieke taken uit te oefenen. Bedoelde stelling van [eiser] wordt daarom gepasseerd.

4.3

Niet in geschil is tussen partijen dat bij de tussen hen gesloten arbeidsovereenkomst niet is afgesproken dat die voor een bepaalde duur zou gelden. Daaruit volgt dat de overeenkomst heeft te gelden als een arbeidsovereenkomst voor onbepaald tijd, waarop ingevolge het bepaalde in artikel 7A:1613y BW de bepalingen van de Zevende Titel A van het Burgerlijk Wetboek van Aruba niet van toepassing zijn, en evenmin is krachtens artikel 2 aanhef onder a. van de Landsverordening beëindiging arbeidsovereenkomsten die Landsverordening van toepassing op de onderhavige arbeidsverhouding.

4.4

Vorenstaande brengt mee dat de vraag of de opzegging van het dienstverband van [eiser] van 26 oktober 2017 al dan niet door de beugel kan moet worden beantwoord aan de hand van de maatstaven of criteria die gelden voor het beëindigen/opzeggen van duurovereenkomsten.

4.5

Onder welke voorwaarden een duurovereenkomst opzegbaar is, wordt bepaald door de inhoud daarvan en door de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen. Indien wet en overeenkomst niet voorzien in een opzeggingsregeling, geldt dat de overeenkomst in beginsel opzegbaar is. Op grond van het eerste lid van artikel 6:248 BW kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat. Die eisen kunnen voorts in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding. Ook als de wet of een duurovereenkomst wel voorziet in een opzeggingsregeling, kunnen, indien de wet en hetgeen tussen partijen is overeengekomen daarvoor ruimte laten, de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval op grond van het eerste lid van artikel 6:248 BW meebrengen dat aan de opzegging nadere eisen gesteld moeten worden. Een beroep op een uit de wet of een overeenkomst voortvloeiende bevoegdheid om de overeenkomst op te zeggen kan ten slotte op grond van het tweede lid van artikel 6:248 BW onder omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. In het licht van dit alles wordt het volgende verder overwogen.

4.6

Het Land is ook bij zijn privaatrechtelijk (rechts)handelen gebonden aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Ook als op de opgezegde arbeidsovereenkomst ingevolge artikel 7A:1613y BW de Zevende Titel A van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is, komt bij de invulling van dat waartoe het Land op grond van de redelijkheid en billijkheid in het licht van de opzegging gehouden is, betekenis toe aan de omstandigheid dat het Land zich ook op grond van de algemene norm (artikel 6:2 BW) jegens [eiser] als goed werkgever heeft te gedragen. In dat verband komt aan de vijfde Afdeling van de Zevende Titel A van het Burgerlijk Wetboek wel zekere reflexwerking toe.

4.7

De onderhavige zaak kenmerkt zich door het volgende. Vast staat dat het Land [eiser] heeft benaderd om als arts in Aruba voor het Land te komen werken, en aannemelijk is dat aan [eiser] een vaste aanstelling in het vooruitzicht is gesteld. In het licht daarvan heeft [eiser] niet of onvoldoende bestreden gesteld dat hij in verband met zijn aanstelling in Aruba zijn baan in Colombia als arts heeft opgezegd, aldaar zijn woning heeft verkocht en vervolgens met zijn vrouw metterwoon naar Aruba is verhuisd. Tussen [eiser] en het Land is sinds 1 oktober 2016 sprake van een vaste arbeidsrelatie, en in het licht van voormelde hoefde [eiser] naar het voorlopig oordeel van het Gerecht niet te verwachten en hoefde hij er geen rekening mee te houden dat zijn aanstelling nog geen anderhalf jaar later om de door het Land aangevoerde redenen zou worden opgezegd. Dit klemt temeer omdat de minister die het dienstverband van [eiser] heeft opgezegd de bevoegde minister is tot afgifte of verlenging van de vergunning krachtens welke personen in Aruba als arts de geneeskunst mogen uitoefenen. Niet kan in dat verband worden gezegd dat de omstandigheid dat [eiser] mede door het gebrek aan de vereiste vergunning niet voor het Land als arts werkzaam kan zijn niet aan het Land - dat te dezen niet afhankelijk is van de wil of beslissing van een derde - verwijtbaar is. Bij dit alles komt dat [eiser] zonder die vergunning überhaupt niet als arts in Aruba werkzaam mag zijn, hetgeen met zich brengt dat [eiser] geen voor hem geschikte andere baan kan krijgen hier te lande.

4.8

Gesteld noch is gebleken dat het Land met de hiervoor onder 4.7 vermelde omstandigheden bij de belangenafweging, die van hem als goed werkgever en als overheid mag worden verlangd, rekening heeft gehouden alvorens tot opzegging van de dienstbetrekking van [eiser] over te gaan. Die opzegging gaat bovendien niet gepaard met een aanbod tot (schade)vergoeding. Door dit één en ander voldoet de opzegging niet aan de maatstaven van redelijkheid en billijkheid; zij is voorlopig oordelend onaanvaardbaar. Het Gerecht ziet daarin aanleiding om krachtens reflexwerking voorshands aan te sluiten bij het bepaalde in de artikelen 7A:1615s en 1615t BW omtrent het kennelijk onredelijk ontslag. Daarbij heeft te gelden dat in de vordering onder a. tevens een verzoek tot (voorlopig) herstel van de dienstbetrekking valt te lezen of besloten ligt, welk herstel [eiser] overigens bij wijze van eiswijzing ter zitting subsidiair heeft verzocht.

4.9

Bij de hiervoor geschetste stand van zaken valt in een bodemprocedure te verwachten dat het Land zal worden veroordeeld om de dienstbetrekking van [eiser] met terugwerkende kracht tot 1 januari 2018 te herstellen, en dat naadloos aaneensluitend op het moment waarop de opzegging van het dienstverband van [eiser] in werking trad. Ook valt te verwachten dat de bodemrechter zal bepalen dat de verplichting tot herstel van de dienstbetrekking van [eiser] vervalt door betaling door het Land aan [eiser] van een door het Gerecht naar billijkheid vastgestelde afkoopsom. Alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen - waaronder begrepen het hiervoor omschreven verwijtbaar handelen van het Land, de omstandigheid dat het niet mogelijk is voor [eiser] om in Aruba een passende andere baan te verkrijgen alsmede zijn laatstgenoten salaris - valt verder te verwachten dat de bodemrechter een afkoopsom ad Afl. 61.750,-- bruto passend en geboden zal oordelen.

4.10

In het licht van voormelde verwachtingen zullen de vorderingen van [eiser] worden toegewezen als na te melden, en dat alles als zijnde voorlopige voorzieningen.

4.11

Afweging van de belangen van partijen maakt al het vorenstaande niet anders, omdat het Gerecht geen zwaarwegender belangen ziet aan de zijde van het Land bij afwijzing van het door [eiser] verzochte ten opzichte van de belangen van [eiser] bij de hierna vermelde toewijzing daarvan.

4.12

Dwangsommen zullen gematigd en gemaximeerd aan het Land worden opgelegd als na te melden. Ook daarvan gaat naar het oordeel van het Gerecht voldoende prikkel uit tot nakoming van dit vonnis.

4.13

Het Land zal, als de in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten gevallen aan de zijde van [eiser], tot aan deze uitspraak begroot op (450,-- + 213,79 =) Afl. 663,79 aan verschotten en Afl. 1.500,-- aan salaris voor de gemachtigde.

5 DE BESLISSING

Het Gerecht, rechtdoende in kort geding:

5.1

veroordeelt het Land om (1) de dienstbetrekking van [eiser] te herstellen met terugwerkende kracht tot 1 januari 2018 - en dat naadloos aaneensluitend op het moment dat de opzegging van 26 oktober 2017 van het dienstverband van [eiser] in werking trad - en (2) om het loon van [eiser] maandelijks ad Afl. 6.175,-- bruto gerekend vanaf 1 januari 2018 aan hem te (blijven) betalen op de gebruikelijke wijze en tijden, één en ander totdat in een bodemprocedure (anders) zal zijn beslist;

5.2

bepaalt dat voormelde veroordeling tot herstel van de dienstbetrekking en betaling van loon vervalt zodra en op het moment dat het Land een vergoeding/afkoopsom betaalt aan [eiser] van Afl. 61.750,-- (bruto), met dien verstande dat de verplichting van het Land om aan [eiser] zijn salaris te betalen eerst niet langer bestaat vanaf het moment dat voormelde vergoeding/afkoopsom is betaald aan [eiser];

5.3

bepaalt voorts dat het Land uiterlijk op 16 mei 2018 gebruik kan maken van voormelde vervalregeling door aan [eiser] uiterlijk op die datum voormelde vergoeding/afkoopsom te betalen;

5.4

bepaalt voor het geval het Land op uiterlijk 16 mei 2018 geen gebruik heeft gemaakt van voormelde vervalregeling dat het Land ten behoeve van [eiser] een dwangsom verbeurt van Afl. 500,-- voor iedere na 17 mei 2018 gelegen dag of deel daarvan dat het Land de hiervoor onder 5.1 vermelde veroordeling niet nakomt, met dien verstande dat het Land te dezen maximaal Afl. 250.000,-- aan dwangsommen kan verbeuren;

5.5

veroordeelt het Land in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [eiser], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 663,79 aan verschotten en

Afl. 1.500,-- aan salaris voor de gemachtigde;

5.6

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.7

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op woensdag 2 mei 2018.