Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2018:223

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
18-04-2018
Datum publicatie
25-04-2018
Zaaknummer
A.R. no. 207 van 2017/AUA201700385
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel. Verklaring voor recht dat het Land Aruba zich onrechtmatig heeft gehandeld jegens eisers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 18 april 2018

Behorend bij A.R. no. 207 van 2017/AUA201700385

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS in de zaak van:

1 [naam eiser 1],

2. [naam eiser 2],

3. [naam eiser 3],

4. [naam eiser 4],

5. [naam eiseres 5],

allen wonende in Aruba,

eisers,

hierna gezamenlijk ook te noemen: [eisers],

gemachtigden: de advocaten mrs. A.A. Ruiz en I.R. Wever,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

HET LAND ARUBA,

zetelend in Aruba,

gedaagde,

hierna ook te noemen: het Land,

gemachtigden: de advocaten mrs. J.P. Sjiem Fat en G.M. Sjiem Fat.

1 HET PROCESVERLOOP

1.1

Het procesverloop blijkt uit:

-het verzoekschrift, met producties;

-de conclusie van antwoord;

-de conclusie van repliek;

-de conclusie van dupliek, met producties;

-de op 7 maart 2018 door [eisers] genomen akte uitlating producties.

1.2

Vonnis is bepaald op heden.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende bestreden alsmede op grond van overgelegde producties voor zover niet of onvoldoende bestreden staat onder meer het volgende vast tussen partijen.

2.1.1 [

eisers] maken deel uit van een groep personen die lange tijd geleden (in elk geval voor oktober 2009) een verzoek hebben ingediend bij de toenmalige minister van Toerisme en Transport ter verkrijging van een taxivergunning. Bij brieven van 27 en 28 oktober 2009 heeft die minister aan die groep, waaronder begrepen [eisers], toegezegd dat aan hen een taxivergunning zou worden verleend. In die brieven heeft die minister omstandig uiteengezet op grond waarvan die toezeggingen waren gebaseerd.

2.1.2

Bij gelijkluidende beschikkingen van 11 november 2009 heeft de na de regeringswissel in november 2009 nieuw aangetreden minister van Toerisme en Transport (hierna: de minister) onder vermelding van de redenen daartoe beslist dat voormelde toezeggingen werden ingetrokken en dat de verzoeken van [eisers] voor een taxivergunning alsnog werden afgewezen.

2.1.3 [

eisers] hebben naar aanleiding van voormelde afwijzende beslissingen van de minister ieder voor zich LAR-bezwaar ingesteld. Die bezwaren zijn door de minister ongegrond verklaard onder handhaving van de bestreden beschikkingen. [eisers] hebben vervolgens beroep ingesteld tegen die beslissingen van de minister. Dat beroep is door de bestuursrechter ongegrond verklaard. Het Hof heeft in hoger beroep vervolgens die beslissing van de bestuursrechter vernietigd omdat volgens het Hof de beslissing van de minister onvoldoende draagkrachtig was gemotiveerd. Het Hof heeft de minister gelast een nieuwe beslissing te nemen.

2.1.4

Op 6 januari 2012 heeft de minister, opnieuw beschikkende, de verzoeken van [eisers] om een taxivergunning andermaal afgewezen. Tegen die beslissing hebben [eisers] andermaal beroep ingesteld. Dat beroep is door de bestuursrechter gegrond verklaard omdat uit de beschikking van 6 januari 2012 niet blijkt welk criterium of criteria in de weg staat of staan aan verlening van een taxivergunning en ook omdat de minister het gemotiveerde beroep van [eisers] op het gelijkheidsbeginsel niet had weerlegd. Het door de minister tegen die beslissing van de bestuursrechter ingestelde hoger beroep is door het Hof - als zijnde niet voldoende draagkrachtig gemotiveerd - ongegrond verklaard, met opdracht aan de minister om opnieuw te beslissen.

2.1.5

Op 8 oktober 2013 heeft de minister, wederom opnieuw beschikkende, de verzoeken van [eisers] om een taxivergunning nogmaals afgewezen. Ook tegen die beslissingen hebben [eisers] beroep ingesteld. Dat beroep is door de bestuursrechter bij uitspraak van 7 april 2014 gegrond verklaard onder vernietiging van de bestreden beschikkingen, met opdracht aan de minister om opnieuw te beslissen. De bestreden beschikkingen waren volgens de bestuursrechter enerzijds wat betreft de toe te passen criteria deze keer wel voldoende daadkrachtig gemotiveerd, maar anderzijds nog altijd niet voorzien van deugdelijke weerlegging van het gemotiveerde beroep van [eisers] op het gelijkheidsbeginsel. Dienaangaande heeft de bestuursrechter onder meer het volgende overwogen:

2.4 Appellanten hebben voorts aangevoerd dat de bestreden beschikkingen – nog altijd – geen deugdelijke weerlegging bevatten van het door hen gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel.

Deze beroepsgrond slaagt. Ondanks het in de uitspraak van het gerecht van 22 augustus 2012 geconstateerde gebrek in verweerders besluitvorming op dit punt heeft verweerder in de thans bestreden beschikkingen geen enkele overweging gewijd aan de – onderbouwde – stellingen ter zake van appellanten. Evenmin heeft verweerder in het verweerschrift en ter zitting een nadere toelichting gegeven. De conclusie is derhalve dat de bestreden beschikkingen op dit punt niet zijn voorzien van een deugdelijke motivering.

2.5

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep gegrond is, zodat de bestreden beschikkingen dienen te worden vernietigd.

2.6

Appellanten hebben het gerecht verzocht om niet te volstaan met vernietiging van de bestreden beschikkingen, doch verweerder thans op te dragen om over te gaan tot verlening aan appellanten van de door hen verzochte taxivergunningen.

Voor het op een dergelijke wijze zelf voorzien in de zaak ziet het gerecht vooralsnog onvoldoende grond. Daarbij is in aanmerking genomen dat de bestreden beschikkingen aan een motiveringsgebrek lijden, waarvan niet zonder meer kan worden aangenomen dat dit gebrek door verweerder kan worden hersteld. Verweerder zal daarom een termijn van drie maanden worden gegeven om met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar van appellanten te beslissen. Het gerecht overweegt in dit verband nog wel het volgende.

2.6.1

Voor zover verweerder zou willen betogen dat pas na de verlening van de taxivergunningen aan de door appellanten genoemde andere personen is overgegaan tot hantering van de hiervoor genoemde criteria, kan daarmee het beroep van appellanten op het gelijkheidsbeginsel niet worden weerlegd. De werking van het gelijkheidsbeginsel kan niet worden ontgaan door ten aanzien van op dat moment nog niet ingewilligde vergelijkbare gevallen eenvoudigweg te bepalen dat voortaan andere criteria zullen gelden.

2.6.2

Gelet op het aantal door appellanten gestelde vergelijkbare gevallen en de gestelde omstandigheden waaronder verweerder daarbij is overgegaan tot verlening van taxivergunningen, zal verweerder zich evenmin zonder nadere motivering kunnen beroepen op de regel dat hij niet gehouden kan worden een eenmaal gemaakte fout te blijven herhalen. Een beroep op deze regel kan niet met succes worden gedaan, indien sprake is van een bewuste begunstiging die aan anderen wordt onthouden.

2.6.3

Indien verweerder bij de nieuw te nemen beslissingen op bezwaar andermaal nalaat op het punt van het gelijkheidsbeginsel een deugdelijke motivering te geven ligt de conclusie voor de hand dat het gerecht, indien daartoe wederom door appellanten geroepen, tot de vaststelling zal komen dat een deugdelijke weerlegging van het beroep op gelijkheidsbeginsel door verweerder niet kan worden gegeven en dat het gelijkheidsbeginsel daadwerkelijk is geschonden. Als dat zo is, zal verweerder aan appellanten de door hen gevraagde vergunningen in beginsel niet langer kunnen onthouden.”.

2.1.6

Na die hiervoor onder 2.6 vermelde uitspraak van de bestuursrechter heeft de minister aan eisers sub 1 en 2 op 24 oktober 2014 en aan eisers sub 3 tot en met 5 op 3 december 2014 alsnog een taxivergunning verleend.

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1 [

eisers] verzoeken dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

a. voor recht verklaart dat het Land onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisers] en daarom jegens hen schadeplichtig is;

b. te dezen enige andere in goed justitie voorkomende beslissing neemt;

c. het Land veroordeelt in de kosten van deze procedure.

3.2

Het Land voert verweer, en concludeert tot afwijzing van het door [eisers] verzochte, kosten rechtens. Voor het geval het Gerecht van oordeel is dat het Land onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisers] en daarom jegens hen schadeplichtig is, concludeert het Land subsidiair tot limitering van de schadevergoeding door slechts schadevergoeding toe te wijzen over de periode van 6 januari 2012 tot aan de datum van toewijzing van de respectieve verzoeken van eisers strekkende tot verkrijging een taxivergunning.

3.3

Voor zover van belang voor de beslissing worden de stellingen van partijen hierna besproken.

4 DE BEOORDELING

4.1 [

eisers] stellen dat de minister vanaf 2009 tot aan de hiervoor onder 2.6 vermelde data van vergunningverleningen opzettelijk c.q. bewust heeft gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel door in de als productie 10-A bij het verzoekschrift overgelegde beroepschrift onder 7. e.v. genoemde personen wel een taxivergunning te verstrekken terwijl die personen net als [eisers] niet voldeden of beantwoordden aan de door de minister gehanteerde criteria voor het verkrijgen van een taxivergunning. Die stelling heeft het Land naar het oordeel van het Gerecht niet of onvoldoende gemotiveerd bestreden. Dit klemt temeer omdat uit de hiervoor onder 2.2.5 deels geciteerde uitspraak van de bestuursrechter volgt dat de minister wat betreft de door hem opnieuw te nemen beslissing met betrekking tot de door [eisers] aangevraagde vergunningen in plaats van een ruime mate van beleidsvrijheid geen enkele vrijheid meer had in die zin. De minister moest of het beroep van [eisers] op het gelijkheidsbeginsel deugdelijk gemotiveerd weerleggen of overgaan tot verlening aan [eisers] van de door hen aangevraagde taxivergunningen.

4.2

Vorenstaande brengt mee dat vast komt te staan dat de minister het (tot onder meer de algemene beginselen van behoorlijk bestuur behorende) gelijkheidsbeginsel heeft geschonden zoals gesteld door [eisers], hetgeen zonder meer een toerekenbare onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW oplevert van het Land jegens [eisers]. (zijnde een ontoelaatbare inbreuk op het recht van [eisers] om in een (soort)gelijk geval niet ongelijk te worden behandeld). De schending door de minister van dat elementaire of fundamentele rechtsbeginsel levert reeds grond op voor volledige aansprakelijkheid aan de zijde van het Land voor schade als gevolg van die schending (zie in dit verband de uitspraak van de Hoge Raad gepubliceerd onder N.J. 1992, 224). Het overigens niet onderbouwde maar wel gemotiveerd bestreden beroep van het Land op het in artikel 6:163 BW neergelegde relativiteitsvereiste wordt daarom gepasseerd.

4.3

Dát [eisers] ieder voor zich schade hebben geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van de minister spreekt voor zich of is in elk geval voldoende aannemelijk. Die (in een mogelijke schadestaatprocedure vast te stellen) schade ziet naar het oordeel van het Gerecht in ieder individueel geval van [eisers] op de periode van 11 november 2009 (als zijnde de datum van de eerste onderscheidenlijke onterecht gebleken afwijzende beslissing van de minister op de respectieve aanvragen van [eisers] voor het verkrijgen van een taxivergunning) tot aan ieder onderscheidenlijk moment van de uiteindelijke verkrijging daarvan.

4.4

Vorenstaande brengt mee dat de vordering onder a. zal worden toegewezen als na te melden. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die een ander oordeel kunnen rechtvaardigen.

4.5

Het Land zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [eisers], tot aan deze uitspraak begroot op (5 x 450,-- =) Afl. 2.250,-- aan griffiegelden, Afl. 187,95 aan oproepkosten en Afl. 3.125,-- aan salaris voor de gemachtigden (2,5 punten van liquidatietarief 5, ad Afl. 1.250,-- per punt).Het l

5 DE UITSPRAAK

Het Gerecht:

-verklaart voor recht dat het Land onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisers] zoals hiervoor omschreven 4.2;

-verklaart voorts voor recht dat het Land de door [eisers] (ieder voor zich) in de hiervoor onder 4.3 vermelde onderscheidenlijk periodes geleden schade als gevolg van dat onrechtmatig handelen volledig dient te vergoeden;

-veroordeelt het Land in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [eisers], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 5.562,95;

-verklaart voormelde kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

-wijst af het meer of anders verzochte.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 18 april 2018 in aanwezigheid van de griffier.