Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2018:207

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
11-04-2018
Datum publicatie
18-04-2018
Zaaknummer
A.R. 1531 van 2017 / AUA2017001570
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

civiel, subsidieovereenkomst, uitspraak van de arbitragecommissie, verschuldigde wettelijke rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 11 april 2018

Behorend bij A.R. 1531 van 2017 / AUA2017001570

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

de stichting STICHTING CASA CUNA PROGRESO,

te Aruba,

hierna te noemen de stichting,

gemachtigde: de advocaat mr. J.M.R.F. Scheper,

tegen:

de openbare rechtspersoon LAND ARUBA,

te Aruba,

gemachtigde: A. Lumenier.

1 DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 7 februari 2018;

- de aantekeningen van de griffier ter gelegenheid van de comparitie van partijen op 27 februari 2018.

De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Op 1 januari 1975 zijn de stichting en het land een subsidieovereenkomst aangegaan. Volgens deze overeenkomst geniet de stichting subsidie voor, samengevat, de (tijdelijke) verzorging en opvoeding van kinderen tot zes jaar wier ouders door de rechter uit de ouderlijke macht zijn ontheven of ontzet en die aan de Voogdijraad zijn toevertrouwd.

In deze overeenkomst is verder bepaald dat daaruit voortvloeiende geschillen aan arbitrage zijn onderworpen.

2.2

Bij brief van 11 december 2015 heeft de gemachtigde van de stichting de minister van Financiën en de minister van Sociale Zaken verzocht om de stichting uiterlijk 10 januari 2016 een bedrag van Afl. 1.053.654,- aan achterstallige subsidie over de periode tot en met 2014 te betalen.

2.3

Bij brief van 16 juni 2016 heeft de gemachtigde van de stichting de minister van Financiën en de minister van Sociale Zaken bericht dat, nu betaling is uitgebleven, ter zake tussen partijen een geschil is ontstaan en dat zij ter beslechting daarvan een arbitrageprocedure wenst te beginnen.

2.4

Bij beslissing van 16 december 2016 heeft de arbitragecommissie in dit geschil geoordeeld dat het Land gedurende de periode tot en met 2014 een bedrag van Afl. 987.628,- minder aan subsidie heeft uitgekeerd, dan waarop de stichting volgens de subsidieovereenkomst aanspraak had. De stichting dient dit bedrag dan ook alsnog te ontvangen, zo is in die beslissing geconcludeerd, met de aanbeveling aan het Land om, gezien de precaire financiële situatie van de stichting, dit bedrag zo spoedig mogelijk te betalen.

2.5

Bij brief van 18 januari 2017 heeft de stichting de minister van Financiën en de minister van Sociale Zaken verzocht om uiterlijk 1 maart 2017 uitvoering te geven aan de uitspraak van de arbitragecommissie van 16 december 2016.

2.6

Bij brief van 1 maart 2017 heeft de stichting de minister van Financiën en de minister van Sociale Zaken opnieuw verzocht om uitvoering te geven aan de uitspraak van de arbitragecommissie van 16 december 2016, en wel uiterlijk 15 maart 2017.

2.7

Op 15 januari 2018, na het uitbrengen van het verzoekschrift in deze procedure, heeft het Land een bedrag van Afl. 987.628,- aan de stichting betaald.

3 HET GESCHIL EN DE BEOORDELING

3.1

Nadat het Land, hangende de procedure, een bedrag ter hoogte van de hoofdsom aan de stichting heeft betaald, heeft de stichting haar eis gewijzigd in die zin dat zij vordert de wettelijke rente over de hoofdsom met ingang van 11 december 2015, buitengerechtelijke incassokosten, gemaximeerd tot Afl. 10.000,- en de kosten van het geding.

3.2

Nu de stichting bij brief van 18 januari 2017 de betrokken ministers heeft verzocht om uiterlijk 1 maart 2017 uitvoering te geven aan de uitspraak van de arbitragecommissie van 16 december 2016 en het Land daaraan niet binnen de aldus gestelde termijn heeft voldaan, is het Land met ingang van 2 maart 2017 in verzuim geraakt. Voor het oordeel dat het verzuim reeds voorafgaand aan de arbitrageprocedure was ingetreden, bestaat geen grond. Eerst met die uitspraak is tussen partijen vast komen te staan dat en hoeveel het Land aan de stichting aan subsidie verschuldigd is.

Het voorgaande brengt met zich dat het Land de stichting wettelijke rente verschuldigd is over de hoofdsom vanaf 2 maart 2017 tot de dag waarop volledig zal zijn betaald. Weliswaar heeft het Land inmiddels een bedrag van Afl. 987.628,- betaald, maar omdat dat ingevolge artikel 6:44 BW in de eerste plaats strekt in mindering van de kosten en de verschenen rente, is de hoofdsom thans nog niet volledig betaald.

3.3

In het verlengde van het hiervoor onder 3.2 overwogene, dient ter beantwoording van de vraag of voldoende gesteld en gebleken is dat door de stichting daadwerkelijk buitengerechtelijke incassokosten zijn gemaakt, gekeken te worden naar de periode tussen de datum van de uitspraak van de arbitragecommissie van 16 december 2016 en de aanvang van deze procedure. Onvoldoende gesteld en gebleken is dat dat gedurende deze periode het geval is geweest. Daterend uit deze periode bevinden zich in het dossier slechts voormelde brieven van 18 januari en van 1 maart 2017, uitgegaan namens het bestuur van de stichting. De kosten die de stichting stelt in het kader van de arbitrageprocedure te hebben gemaakt, dateren van voor deze periode en derhalve van voordat het verzuim was ingetreden.

3.4

Het Land zal worden veroordeeld in de proceskosten.

5 DE UITSPRAAK

het gerecht:

veroordeelt het Land tot betaling aan de stichting van de over de hoofdsom van Afl. 987.628,- verschuldigde wettelijke rente vanaf 2 maart 2017 tot de dag waarop volledig zal zijn betaald;

veroordeelt het Land in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van de stichting worden begroot op Afl. 7.500,- aan griffierecht, Afl. 205,10 aan explootkosten en Afl. 8.000,- (2 punten in tarief 9) aan salaris van de gemachtigde;

verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 11 april 2018 in aanwezigheid van de griffier.