Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2018:191

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
09-04-2018
Datum publicatie
17-04-2018
Zaaknummer
AUA201700333
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Landsverordening Administratieve Rechtspraak (LAR) - Voor het uitvoeringsorgaan bestond dan ook geen aanleiding om appellante toestemming te verlenen om voor het geldend maken van zijn aanspraak op geneeskundige hulp, naar het buitenland te gaan. Dat appellante - om haar moverende redenen - liever de behandeling in Colombia wenste te ondergaan in plaats van zich hier te laten opereren, is daarom een omstandigheid die voor haar rekening komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 9 april 2018

AUA201700333

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (LAR) van:

[appellante],

wonend in Aruba,

APPELLANTE,

gemachtigde: de heer J.L. Thijsen,

tegen:

HET UITVOERINGSORGAAN VAN DE ALGEMENE ZIEKTEKOSTENVERZEKERING,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER, hierna ook te noemen: het uitvoeringsorgaan,

gemachtigde: mr. S.E. van Spall.

1 PROCESVERLOOP

Appellante heeft bij bezwaarschrift van 4 juli 2016 bezwaar gemaakt tegen de afwijzende beschikking van 9 juni 2016 op haar verzoek van 23 mei 2016 om vergoeding van de kosten voor een medische behandeling in het buitenland.

Bij beslissing op het bezwaarschrift van 21 maart 2017 is het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en de beschikking van 9 juni 2016 gehandhaafd.

Tegen deze beslissing op het bezwaarschrift (hierna: de bestreden beslissing) heeft appellante op 26 april 2017 beroep ingesteld bij dit gerecht.

Verweerder heeft op 26 juni 2017 een verweerschrift ingediend. Appellante heeft daarop gereageerd bij op 27 december 2017 ingekomen brief.

De zaak is behandeld ter zitting van 26 februari 2018, alwaar zijn verschenen appellante samen met haar gemachtigde voornoemd en verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen. Op na de behandeling ingekomen stukken heeft het gerecht geen acht geslagen.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Appellante kan zich niet verenigen met de weigering van verweerder om haar de nodige behandeling in het buitenland te laten ondergaan. Daarnaast is haar verzoek tot vergoeding van de door haar gemaakte (operatie)kosten in het buitenland afgewezen. Appellante verzoekt het gerecht dan ook vernietiging van de bestreden beslissing onder toewijzing van haar verzoek om een vergoeding ten laste van verweerder van Afl. 15.000,-. Daarbij heeft zij zich op het standpunt gesteld, dat zij een tumor had in haar darmen die zij middels een endoscopie wenste te laten verwijderen en niet via een laparoscopie, aangezien zij reeds veel darmklachten had. De artsen in Aruba waren alleen bereid om de tumor middels een laparoscopie te verwijderen. Appellante heeft inmiddels de tumor in Colombia middels een endoscopie laten verwijderen. Hiervoor heeft zij een lening bij de Volkskredietbank afgesloten voor een bedrag van Afl. 15.000,-, aldus appellante.

2.2

Aan de beschikking van 9 juni 2016 ligt ten grondslag het oordeel dat appellante hier in Aruba kon worden behandeld zowel operatief als via een endoscopie. De voorkeur van de commissie ging uit naar een operatieve ingreep via laparoscopie, daar eerdere pogingen via een endoscopie in Colombia mislukt waren.

2.3

Het gerecht overweegt als volgt.

Voor zover hier van belang, heeft een verzekerde, ingevolge artikel 11 van de LAZV, aanspraak op door een medisch specialist te verlenen, voor hem noodzakelijke genees- en heelkundige hulp, wat betreft de omvang en de vorm bepaald door hetgeen in de kring van de beroepsgenoten gebruikelijk is.

Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de LAZV wendt de verzekerde, die een hem toekomende aanspraak geldend wil maken, zich daartoe tot een contractant of een contracterende instelling.

Artikel 25, eerste lid van de LAZV bepaalt, dat indien door het uitvoeringsorgaan is vastgesteld dat de aanspraak van een verzekerde op een behandeling niet in Aruba verwezenlijkt kan worden, het de verzekerde doet behandelen in een instelling op het eiland Curaçao of in één van de landen Nederland, de Nederlandse Antillen, de Verenigde Staten van Noord-Amerika, Colombia of Venezuela, die voor het Fonds de

minste kosten met zich brengt. Dit artikel verleent aan het uitvoeringsorgaan de bevoegdheid, in bijzondere omstandigheden toestemming te verlenen om voor het geldend maken van een aanspraak naar het buitenland te gaan, aldus de Memorie van Toelichting.

2.4

In dit geval staat vast dat appellante in Aruba zowel via laparoscopie als via endoscopie behandeld kon worden. Dit betekent dat haar aanspraak op geneeskundige hulp, zoals bedoeld in artikel 11 van de LAZV, alhier kon worden verwezenlijkt. Voor het uitvoeringsorgaan bestond dan ook geen aanleiding om appellante toestemming te verlenen om voor het geldend maken van zijn aanspraak op geneeskundige hulp, naar het buitenland te gaan. Dat appellante - om haar moverende redenen - liever de behandeling in Colombia wenste te ondergaan in plaats van zich hier te laten opereren, is daarom een omstandigheid die voor haar rekening komt. Voor zover appellante heeft willen betogen dat zij als verzekerde zelf moet kunnen bepalen welke medische behandeling haar beter uitkomt, overweegt het gerecht dat dit standpunt geen steun vindt in de wet en overigens tot uitholling van de AZV zou leiden.

2.5

Gelet op het bovenstaande is het gerecht van oordeel dat verweerder het verzoek van appellante terecht heeft afgewezen.

2.6

Het vorenstaande leidt dan ook tot de volgende beslissing.

3 DE BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze beslissing werd gegeven door mr. W.J. Noordhuizen, rechter in dit gerecht en uitgesproken ter openbare terechtzitting op maandag, 9 april 2018 in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 53a LAR).

Het hoger beroep wordt ingesteld binnen zes weken na de dag waarop de beslissing op het beroep is gedagtekend. De instelling van het hoger beroep geschiedt door indiening bij de griffie van het Gerecht van een aan het Hof gericht beroepschrift (art. 53b LAR).