Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2018:171

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
04-04-2018
Datum publicatie
09-04-2018
Zaaknummer
A.R.1832 van 2017/AUA201702159
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Comparitie nadat verstek is verleend. Schuldvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 4 april 2018

Behorend bij A.R.1832 van 2017/AUA201702159

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

CARIBBEAN MERCANTILE BANK N.V.,

gevestigd in Aruba,

hierna ook te noemen: CMB,

gemachtigde: de advocaat mr. M.H.J. Kock,

tegen:

de naamloze vennootschap

LOKI PRODUCTION N.V., h.o.d.n. RITZ ,

gevestigd in Aruba,

hierna ook te noemen: Ritz,

niet verschenen.

1 DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 17 januari 2018;

- het nader stuk zijdens CMB;

- de aantekeningen van de griffier ter gelegenheid van de comparitie van partijen van 21 februari 2018. Zijdens Ritz is op de comparitie niemand verschenen.

De zaak is daarna naar de rol verwezen voor vonnis.

2 DE VERDERE BEOORDELING

2.1

Ondanks dat eerder tegen Ritz verstek was verleend, heeft het gerecht aanleiding gezien om een comparitie van partijen te bevelen, in het bijzonder omdat niet duidelijk is hoe groot het bedrag is dat Ritz, uit hoofde van op verzoek van CMB onder haar gelegd derdenbeslag, op het salaris van [Naam X] (hierna te noemen: X) heeft ingehouden. Ritz is echter, ondanks behoorlijk te zijn opgeroepen bij deurwaardersexploot, niet verschenen ter comparitie van partijen. Het gerecht acht het geraden uit het niet verschijnen van Ritz de navolgende gevolgtrekking te maken (artikel 177, derde lid, Rv).

2.2

In de door Ritz op 11 november 2016 overeenkomstig de artikelen 720 en 476b Rv gedane verklaring staat dat tussen Ritz en [X] een parttime dienstverband bestaat, op grond waarvan [X] gedurende per week wisselende uren werkzaamheden verricht, waarvoor Ritz haar een netto inkomen van Afl. 8,65 per uur verschuldigd is. Als gevolg van het door Ritz niet ter comparitie verschijnen, is de hiervoor onder r.o. 2.1 vermelde onduidelijkheid over de omvang van het door Ritz op het salaris van [X] ingehouden bedrag blijven bestaan, mede omdat daardoor niet duidelijk is geworden gedurende hoeveel uren [X] bij Ritz heeft gewerkt. Onder deze omstandigheden ziet het gerecht aanleiding om er, voor de berekening van de omvang van het ingehouden bedrag, vanuit te gaan dat [X] volgens een voltijds dienstverband, te weten een 40‑urige werkweek, voor Ritz heeft gewerkt. Dat brengt met zich dat wordt uitgegaan van een netto inkomen van Afl. 346,- per week en Afl. 1.384 per maand. Ritz was gehouden daarvan een derde deel in te houden (artikel 7:1614g, eerste lid, BW), te weten Afl. 461,33 per maand.

De gehoudenheid om dat bedrag op het salaris van [X] in te houden, is met de beslaglegging op 3 oktober 2016 ontstaan. Verder is weliswaar bij het gerecht op 15 februari 2018 een brief ingekomen zijdens Macares F&B Management VBA, waarin is vermeld dat [X] met ingang van 24 augustus 2017 niet meer werkzaam is bij Macares F&B Management VBA/Ritz, maar deze brief, als niet afkomstig van een partij in de procedure, maakt geen deel uit van het dossier. Bovendien is het beslag gelegd onder Loki Production N.V., h.o.d.n. Ritz. Volgens de door die vennootschap afgelegde verklaring van 11 november 2016 was [X] aldaar in dienst. Onder deze omstandigheden gaat het gerecht er vanuit dat het dienstverband tussen Loki Production N.V., h.o.d.n. Ritz, en [X], zoals dat kennelijk op 11 november 2016 bestond, nog altijd voortduurt. Bij het berekenen van het totale bedrag dat Ritz op het salaris van [X] had moeten inhouden, zal het gerecht als einddatum van de inhoudingsplicht dan ook de datum van dit vonnis aanmerken. Daarmee bedraagt de periode waarin Ritz op het salaris van [X] had dienen in te houden 18 maanden. Het totale bedrag komt dan uit op 18 maal Afl. 461,33 = Afl. 8.303,94.

2.3

CMB heeft, onder overlegging van een bericht van deze strekking van de deurwaarder, onbetwist gesteld dat Ritz tot nu toe geen gelden aan haar heeft afgedragen. Daartoe is Ritz echter wettelijk verplicht (artikel 477, eerste lid, Rv). Gelet hierop ziet het gerecht aanleiding de vordering van CMB, kennelijk gegrond op artikel 477a, vierde lid, Rv, op na te melden wijze toe te wijzen.

2.4

Ritz zal worden veroordeeld in de proceskosten.

3 DE BESLISSING

het gerecht:

veroordeelt Loki Production N.V., h.o.d.n. Ritz tot betaling aan CMB van een bedrag van Afl. 8.303,94, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 september 2017 tot de dag waarop volledig zal zijn betaald;

veroordeelt Loki Production N.V., h.o.d.n. Ritz in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van CMB worden begroot op Afl. 750,- aan griffierecht, Afl. 388,27 aan explootkosten en Afl. 1.000,- (2 punten in tarief 3) aan salaris van de gemachtigde;

verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 4 april 2018 in aanwezigheid van de griffier.