Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2018:160

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
28-03-2018
Datum publicatie
04-04-2018
Zaaknummer
A.R. no. 2539 van 2016/AUA201600732
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

civiel recht, verdeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF Actueel 2018/151
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 28 maart 2018

Behorend bij A.R. no. 2539 van 2016/AUA201600732

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS in de zaak van:

[naam eiser],

wonende in Aruba,

eiser,

nader te noemen: “[eiser]”,

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock,

tegen:

[naam gedaagde],

wonende in Aruba,

gedaagde,

nader te noemen “[gedaagde]”,

gemachtigden: de advocaten mrs. A.A. Ruiz en I.R. Wever.

1 DE VERDERE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure tot en met 17 januari 2018 blijkt uit het tussenvonnis van die datum. Op 13 februari 2018 heeft een comparitie van partijen plaatsgevonden.

1.2

Vonnis is bepaald op heden.

2 DE VERDERE BEOORDELING

2.1

[eiser] heeft tijdens de laatste comparitie van partijen verduidelijkt dat hij alleen verdeling van de woning wenst en niet van de gehele nalatenschap. In die zin komt het gerecht terug op r.o. 4.1 van het tussenvonnis van 10 mei 2017, waarin het gerecht op basis van de stellingen van partijen had aangenomen dat de te verdelen nalatenschap uitsluitend uit de woning bestaat.

2.2

[gedaagde] wenst de woning toebedeeld te krijgen. [eiser] heeft daar geen bezwaar (meer) tegen. Uit het door de deskundige uitgebrachte taxatierapport blijkt een marktwaarde van Afl. 303.193,-. Deze waarde zal bij de verdeling gehanteerd worden, hetgeen betekent dat [gedaagde] aan [eiser] uiterlijk bij de notariële overdracht een vergoeding van Afl. 151.596,50, zijnde de helft van de waarde, dient te betalen aan [eiser] wegens overbedeling. De door [gedaagde] aangedragen argumenten om van een geringere waarde uit te gaan worden verworpen. Partijen zijn ieder voor de helft gerechtigd tot de in de nalatenschap vallende woning. Dat er reparaties verricht moeten worden is al verdisconteerd in de marktwaarde en geen gegronde reden om van een geringere waarde uit te gaan. Ook de overige door [gedaagde] gestelde feiten en omstandigheden leveren onvoldoende grond op om wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid (zoals door [gedaagde] betoogd) van een geringere waarde uit te gaan bij de verdeling.

2.3

Nu het de verdeling van een nalatenschap betreft dienen partijen ieder bij helfte bij te dragen in de notariële kosten en eventuele belastingen die verbonden zijn aan de verdeling.

2.4

[eiser] heeft een vergoeding voor het gebruik van de woning door [gedaagde] gevorderd vanaf [datum] 2015, zijnde de datum waarop erflater is overleden. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] eerder dan in deze procedure jegens [gedaagde] aanspraak heeft gemaakt op een gebruiksvergoeding. Het verzoekschrift is eerst op 28 oktober 2016 aan [gedaagde] betekend. Het gerecht acht (ook voor de periode daarna) de gevorderde gebruiksvergoeding niet toewijsbaar, omdat [eiser] onvoldoende grondslag heeft aangevoerd voor zijn stelling dat [gedaagde] een gebruiksvergoeding aan hem verschuldigd is. Het enkele feit dat [gedaagde] de woning gedurende een periode alleen heeft bewoond en nog bewoont is daarvoor in de gegeven omstandigheden onvoldoende, te minder nu [gedaagde] al geruime tijd voor het overlijden van erflater met toestemming van erflater en zonder betaling van een gebruiksvergoeding in de woning woonde en zij erflater tot aan haar overlijden heeft verzorgd. Daarbij komt dat [gedaagde] onweersproken heeft gesteld dat zij met instemming van [eiser] in de woning bleef wonen en dat zij sinds het overlijden alle kosten die betrekking hebben op de woning, zoals belastingen, verzekeringen en onderhoudskosten, heeft betaald.

2.5

[gedaagde] heeft (bij conclusie van antwoord) gesteld dat het de bedoeling van partijen was dat [gedaagde] in de woning zou blijven wonen zonder gebruiksvergoeding te hoeven betalen en dat zij in ruil daarvoor de kosten van het huis voor haar rekening zou nemen. Gelet hierop ziet het gerecht, nu de gevorderde gebruiksvergoeding wordt afgewezen, geen aanleiding om deze kosten in de verdeling te betrekken en aan [gedaagde] ter zake een vergoeding toe te kennen.

2.6

[eiser] heeft voldoende belang bij de gevorderde benoeming van een onzijdig persoon mocht [gedaagde] nalatig zijn haar medewerking aan het passeren van de notariële akte van verdeling te verlenen, zodat dit in na te noemen zin zal worden toegewezen.

2.7

Gelet op de familierechtelijke aard van het geschil zullen de proceskosten, waaronder die van de taxateur (die al door partijen zijn betaald), worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3 DE BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

3.1

stelt de verdeling van de in de onverdeelde nalatenschap van wijlen [naam Y] vallende woning gelegen te [adres] tussen partijen vast in die zin dat deze woning via een notariële akte van verdeling zal worden toebedeeld aan [gedaagde], waarbij [gedaagde] aan [eiser] een bedrag van Afl. 151.596,50 dient te vergoeden wegens overbedeling;

3.2

bepaalt dat [gedaagde] uiterlijk bij het passeren van de notariële akte van verdeling van de woning voornoemd bedrag van Afl. 151.596,50 dient te betalen aan [eiser];

3.3

bepaalt dat alle notariële kosten en eventuele belastingen die aan het passeren van de notariële akte van verdeling van de woning verbonden zijn door partijen ieder voor de helft gedragen dienen te worden;

3.4

benoemt deurwaarder J. Locadia tot onzijdig persoon, mocht [gedaagde] nalatig zijn om haar medewerking te verlenen aan het passeren van de notariële akte van verdeling van de woning op de hiervoor vastgestelde wijze, zulks pas nadat [gedaagde] door de aangezochte notaris na tweede oproep om te verschijnen bij het passeren van de akte van verdeling niet zal zijn verschenen;

3.5

compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

3.6

verklaart dit vonnis tot zover en daar waar rechtens mogelijk uitvoerbaar bij voorraad;

3.6

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Schoemaker, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 28 maart 2018 in aanwezigheid van de griffier.