Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2018:137

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
20-03-2018
Datum publicatie
28-03-2018
Zaaknummer
EJ nr. 209 van 2017 / AUA201701528
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Familierecht. Gezamenlijk gezag, hoofdverblijf bij vader en omgang tussen de moeder en de minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 20 maart 2018

Behorend bij EJ nr. 209 van 2017 / AUA201701528

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

op het verzoek van

[de vader] ,

wonende in Aruba,

VERZOEKER, hierna de vader,

in persoon,

tegen

[de moeder] ,

wonende in Aruba,

VERWEERSTER, hierna de moeder,

gemachtigde: de advocaat mr. E.M.J. Cafarzuza.

Belanghebbende:

[de minderjarige], de minderjarige.

1 DE PROCEDURE

Het eerdere verloop van de procedure blijkt uit de beschikking van 26 september 2017, waarbij de Voogdijraad is verzocht om onderzoek in te stellen naar de sociale omstandigheden van partijen en daarover een rapport uit te brengen. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het rapport van de Voogdijraad van 22 januari 2018,

  • -

    de producties aan de zijde van de moeder, ingediend op 5 februari 2018,

  • -

    de griffiersaantekeningen van de mondelinge behandeling achter gesloten deuren op 6 februari 2018, waaruit blijkt dat zijn verschenen de vader in persoon en de moeder bijgestaan door haar gemachtigde. Namens de Voogdijraad was aanwezig mevrouw [medewerker].

De uitspraak is bepaald op heden.

2 DE VERDERE BEOORDELING

2.1

Gezag

Zoals in de tussenbeschikking van 26 september 2017 reeds is overwogen, biedt artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek van Aruba (BWA) de tot het gezag bevoegde vader, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de mogelijkheid om het gerecht te verzoeken om hem in plaats van de moeder met het gezag over het kind te belasten.

Uit de jurisprudentie (vgl. HR 27 mei 2005, NJ 2005, 485) volgt dat dit artikel in overeenstemming met artikel 6 lid 1 EVRM aldus moet worden uitgelegd, dat de vader niet alleen om toekenning van eenhoofdig, maar ook van gezamenlijk gezag over het kind kan verzoeken, en dat art. 1:253e BWA aldus moet worden uitgelegd dat, indien het verzoek van de vader ingevolge art. 1:253c lid 1 BWA tot toekenning van gezamenlijk gezag over het kind wordt ingewilligd, dit tot gevolg heeft dat, indien de moeder het gezag tot dusverre alleen uitoefende, zij dit voortaan gezamenlijk met de vader uitoefent.

Indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, wordt het verzoek slechts afgewezen indien de rechter dit in het belang van het kind wenselijk oordeelt (lid 2).

2.2

Voor het uitoefenen van het gezamenlijk gezag is vereist dat de ouders in feite in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond het kind kunnen voordoen en wel zodanig dat de kinderen niet klem of verloren raken tussen de ouders. De vraag die de rechter in dat kader onder meer dient te beantwoorden is of er een onaanvaardbaar risico voor het kind bestaat dat het klem of verloren zou raken tussen de ouders, indien zij het gezag gezamenlijk zouden uitoefenen.

2.3

Uit onderzoek van de Voogdijraad is gebleken dat de ouders op het moment minimale communicatie hebben omtrent aangelegenheden die de minderjarige aangaan. Verder is gebleken dat beide ouders open staan voor communicatie over zaken die de minderjarige betreffen. De Voogdijraad concludeert dat de minderjarige onder deze omstandigheden niet klem of verloren zal raken, indien de ouders het gezag gezamenlijk zouden uitoefenen. De Voogdijraad acht het dan ook in het belang van de minderjarige dat beide ouders belast worden met het gezag over de minderjarige.

2.4

Gelet op het rapport van de Voogdijraad en hetgeen ter zitting is besproken acht het gerecht beide ouders geschikt en in staat de minderjarige naar behoren te verzorgen en op te voeden. Voorts worden de ouders in staat geacht om zodanig met elkaar te communiceren dat zij tot onderlinge afspraken kunnen komen over de situaties die zich rond de minderjarige kunnen voordoen. Van partijen mag verwacht worden dat zij zich daarvoor zullen inzetten en het gerecht acht hen daartoe in staat. In het belang van de minderjarige zal het gerecht daarom partijen gezamenlijk belasten met het gezag over hem.

2.5

Hoofdverblijf

Ter beantwoording ligt voor de vraag bij wie van de ouders, de vader of de moeder, de gewone verblijfplaats van de minderjarige zal zijn.

2.6

Uit onderzoek van de Voogdijraad is gebleken dat de minderjarige altijd bij de vader heeft gewoond, dat de situatie bij de vader op dit moment stabiel en rustig is, dat de vader de minderjarige structuur biedt en dat de minderjarige geen gevaar loopt bij de vader. Bij de moeder is de woonsituatie nu niet stabiel. De Voogdijraad adviseert dan ook om de hoofdverblijfplaats bij de vader te bepalen.

2.7

Ter zitting heeft de moeder aangevoerd dat zij bezig is met het zoeken van een geschikte woning. Gelet op het rapport van de Voogdijraad en hetgeen ter zitting is besproken, nu het welbevinden en welzijn van de minderjarige geen gevaar dreigt te lopen bij de vader, en de situatie bij de moeder nu niet stabiel is, ziet het gerecht aanleiding om het hoofdverblijf van de minderjarige bij de vader te bepalen.

2.8

Omgang

Ingevolge artikel 1:377 h BWA kan de rechter, in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening, op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de omgang tussen het kind en de ouder bij wie het kind zijn gewone verblijfplaats niet heeft.

2.9

Uit het rapport van de Voogdijraad is gebleken dat de ouders onderling een omgangsregeling zijn overeengekomen en dat deze goed verloopt. De Voogdijraad adviseert dan ook om de door haar voorgestelde omgangsregeling vast te stellen. Ter zitting heeft de moeder aangevoerd dat de vader niet meewerkt met de omgangsregeling omdat hij van mening is dat de moeder de minderjarige moet ophalen.

2.10

Gelet op het bovenstaande, hetgeen ter zitting is besproken, en rekening houdende met de belangen van de minderjarige, zal het gerecht in de hieronder vermelde omgangsregeling vaststellen dat de moeder de minderjarige bij de vader thuis ophaalt.

2.11

Gelet op de aard van de procedure, zullen de kosten worden gecompenseerd.

3 DE BESLISSING

Het gerecht:

bepaalt dat de vader, [de vader], voortaan gezamenlijk met de moeder, [de moeder], het gezag over [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2011 in Aruba, zal uitoefenen,

bepaalt het hoofdverblijf van de minderjarige bij de vader,

bepaalt de omgangsregeling tussen de minderjarige en de moeder als volg:

- elk vrijdag na school tot en met zondag om 17:00 uur, waarbij de moeder de minderjarige bij de vader thuis ophaalt en afzet,

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,

compenseert de kosten aldus dat ieder der partijen de eigen kosten draagt,

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J. Noordhuizen, rechter in dit gerecht, ter zitting van 20 maart 2018 in aanwezigheid van de griffier.