Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2018:135

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
20-03-2018
Datum publicatie
28-03-2018
Zaaknummer
EJ nr. 1089 van 2017 / AUA201700944
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Familierecht. Hoofdverblijf van de minderjarige bij vader en omgangsregeling bepaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 20 maart 2018

Behorend bij EJ nr. 1089 van 2017 / AUA201700944

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

op het verzoek van

[de vader] ,

wonende in Aruba,

VERZOEKER, hierna de vader,

procederend in persoon,

tegen

[de moeder] ,

wonende in Aruba,

VERWEERSTER, hierna de moeder,

vertegenwoordigd door: mevrouw [vertegenwoordigster].

Belanghebbende:

[de minderjarige], de minderjarige.

1 DE PROCEDURE

Het eerdere verloop van de procedure blijkt uit de beschikking van 26 september 2017, waarbij de Voogdijraad is verzocht om onderzoek in te stellen naar de sociale omstandigheden van partijen ter beantwoording van de vraag welke hoofdverblijfplaats in het belang wordt geacht van de minderjarige en op welke wijze invulling dient te worden gegeven aan het omgangsrecht van de ouder bij wie de minderjarige de gewone verblijfplaats niet zal hebben, en daarover een rapport uit te brengen.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het rapport van de Voogdijraad van 18 december 2017, ingediend op 9 januari 2018;

  • -

    het verslag aan de zijde van de moeder, overgelegd op 6 februari 2018;

  • -

    de griffiersaantekeningen van de mondelinge behandeling achter gesloten deuren op 6 februari 2018, waaruit blijkt dat zijn verschenen de vader in persoon en de moeder in persoon bijgestaan door haar vertegenwoordigster. Namens de Voogdijraad was aanwezig mevrouw [medewerker].

De uitspraak is bepaald op heden.

2. DE VERDERE BEOORDELING

2.1

Hoofdverblijf

Zoals in de tussenbeschikking van 26 september 2017 reeds is overwogen kunnen, in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening, geschillen tussen de ouders hieromtrent op verzoek van beiden of van een van hen aan de rechter worden voorgelegd. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

2.2

In het rapport van de Voogdijraad van 18 december 2017 staat het volgende geschreven. Uit onderzoek is gebleken dat de minderjarige sinds zijn geboorte bij de vader verblijft, dat het appartement van de vader in orde is en dat de ontwikkeling van de minderjarige geen gevaar dreigt te lopen indien vader het hoofdverblijf toegewezen krijgt. De moeder woont met haar huidige partner bij de familie van de partner en gaat binnenkort verhuizen naar een studio appartement bij het huis van de grootmoeder moederszijde. De Voogdijraad is de mening toegedaan dat de meest geschikte hoofdverblijfplaats voor de minderjarige bij de vader is. De Voogdijraad adviseert dan ook om de hoofdverblijfplaats bij de vader te handhaven.

2.3

Gelet op het rapport van de Voogdijraad, hetgeen ter zitting is besproken, en nu het welbevinden en welzijn van de minderjarige geen gevaar dreigt te lopen bij de vader, ziet het gerecht geen aanleiding om verandering in de hoofdverblijfplaats van de minderjarige te brengen. Dit onderdeel van het oorspronkelijk verzoek zal dan ook worden toegewezen, in die zin dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vader zal worden bepaald.

2.4

Omgang

Ingevolge artikel 1:377h BWA kan de rechter, in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening een regeling vaststellen inzake de omgang tussen het kind en de ouder bij wie het kind zijn gewone verblijfplaats niet heeft.

2.5

Uit onderzoek van de Voogdijraad is gebleken dat beide ouders betrokken zijn in het leven van de minderjarige, dat beide ouders zich aansluiten bij de ontwikkelingsbehoefte van de minderjarige, dat beide ouders begripvol zijn en dat zij beide de minderjarige voldoende aandacht geven. Verder is gebleken dat de ouders tot een omgangsregeling zijn gekomen. De Voogdijraad adviseert om bedoelde omgangsregeling vast te stellen.

2.6

Gelet op het voorgaande, hetgeen ter zitting is besproken en nu overigens niet is gebleken dat de tussen partijen overeengekomen omgangsregeling niet in het belang van de minderjarige is, zal het gerecht de omgangsregeling tussen de ouders en de minderjarige vaststellen zoals hierna vermeld.

2.7

Kinderalimentatie

Beide ouders hebben verzocht om een bedrag aan kinderalimentatie te bepalen. Het gerecht zal partijen in de gelegenheid stellen om op de hieronder te vermelden zitting een overzicht van de behoeften van de minderjarige en een overzicht van hun inkomsten en uitgaven onderbouwd met de volgende stukken bij het gerecht in te dienen en aan de wederpartij te doen toekomen: bewijsstukken van de kosten van de minderjarige, bewijsstukken van de inkomsten (van een werknemer: de loonopgaven en/of uitkeringsspecificaties over de laatste zes maanden of van een zelfstandige: de laatste drie vastgestelde jaarrekeningen en over de tijd daarna de voorlopige cijfers, ook tussentijdse), bewijsstukken van de woonlasten, bewijsstukken van de eventuele schulden op opgave van de restantschulden en restantlooptijd, alsmede opgave wanneer en waarvoor de schuld is aangegaan, bewijsstukken van eventuele andere bijzondere kosten. De behandeling van het verzoek zal op een nader te bepalen datum worden voortgezet.

2.8

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

3 DE BESLISSING

Het gerecht:

bepaalt de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [de minderjarige] bij de vader,

bepaalt de omgang tussen de minderjarige en de ouders als volgt:

- de ene week van maandag tot en met dinsdag bij de moeder, van woensdag tot

en met vrijdag bij de vader en van zaterdag tot en met zondag bij de moeder,

- de andere week van maandag tot en met dinsdag bij de vader, van woensdag tot

en met vrijdag bij de moeder en van zaterdag tot en met zondag bij de vader,

  • -

    de feestdagen om en om,

  • -

    de overige vakantiedagen zullen de ouders onderling met elkaar regelen,

verwijst de zaak naar de zitting van dinsdag, 17 april 2018 om 8.30 uur, voor het indienen van de in overweging 2.7 genoemde stukken,

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. W.J. Noordhuizen, rechter in dit gerecht, ter zitting van 20 maart 2018 in aanwezigheid van de griffier.